
NL, Nederlands
Gebruiksaanwijzing
HUSQVARNA AUTOMOWER
®
520/550 EPOS
Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en gebruik de
machine niet voordat u de instructies goed hebt begrepen.

Inhoud
1 Veiligheid
1.1 Veiligheidsdefinities...............................................3
1.2 Algemene veiligheidsinstructies............................ 3
1.3 Veiligheidsinstructies voor installatie.....................4
1.4 Veiligheidsinstructies voor bediening.................... 4
1.5 Veiligheidsinstructies voor onderhoud.................. 5
1.6 Veiligheid bij accu's............................................... 5
1.7 Product optillen en verplaatsen.............................5
2 Inleiding
2.1 Steun.....................................................................6
2.2 Productbeschrijving...............................................6
2.3 Systeembeschrijving............................................. 6
2.4 Systeemoverzicht..................................................7
2.5 Productoverzicht................................................... 8
2.6 Symbolen op het product...................................... 8
2.7 Symbolen op de accu............................................9
2.8 Symbolen in de app.............................................. 9
2.9 Algemene gebruiksinstructies............................. 10
3 Installatie
3.1 Inleiding - installatie.............................................11
3.2 Hoofdonderdelen voor de installatie....................11
3.3 Voorbereiden op installatie..................................11
3.4 Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst.......................................................11
3.5 Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst.......................................................11
3.6 Onderzoeken waar de voeding moet
worden geplaatst.......................................................13
3.7 Onderzoeken waar de objecten op de kaart
moeten worden geïnstalleerd....................................13
3.8 Montage van het product.................................... 16
4 Instellingen
4.1 Schema............................................................... 22
4.2 Systematisch maaien gebruiken......................... 22
4.3 Onregelmatig maaien gebruiken......................... 22
4.4 Maaihoogte......................................................... 22
4.5 Patroon................................................................22
4.6 Werking............................................................... 23
4.7 Accessoires.........................................................24
4.8 Algemeen (alleen Bluetooth
®
).............................24
4.9 Veiligheid.............................................................24
4.10 Automower
®
Connect (alleen Bluetooth
®
)........ 25
4.11 Meldingen..........................................................25
4.12 Maaiprofielen.....................................................25
4.13 Firmware draadloos downloaden
(Firmware over the air FOTA)................................... 25
5 Werking
5.1 Hoofdschakelaar................................................. 26
5.2 Product starten....................................................26
5.3 Bedieningsmodus Start selecteren..................... 26
5.4 Bedieningsmodus - Parkeren..............................26
5.5 Product stoppen.................................................. 27
5.6 Het product in de OFF-stand zetten....................27
5.7 De accu opladen................................................. 27
6 Onderhoud
6.1 Introductie - onderhoud....................................... 28
6.2 Onderhoudsschema............................................28
6.3 Product reinigen.................................................. 29
6.4 De bladen vervangen.......................................... 30
6.5 De wielborstels vervangen.................................. 30
6.6 Accu.................................................................... 30
6.7 Winterbeurt..........................................................31
7 Probleemoplossing
7.1 Meldingen............................................................32
7.2 LED-indicator op het laadstation......................... 39
7.3 Led-indicator op het product............................... 39
7.4 Symptomen......................................................... 40
8 Vervoer, opslag en verwerking
8.1 Transport.............................................................42
8.2 Opslag.................................................................42
8.3 Afvoeren..............................................................42
9 Technische gegevens
9.1 Technische gegevens......................................... 43
9.2 Geregistreerde handelsmerken...........................45
10 Verklaring van overeenstemming
10.1 Originele EU-verklaring van
overeenstemming......................................................46
10.2 Vertaalde EU-verklaring van
overeenstemming......................................................47
10.3 Originele EU-verklaring van
overeenstemming......................................................48
10.4 Vertaalde EU-verklaring van
overeenstemming......................................................49
2
1576 - 007 - 28.11.2023

1 Veiligheid
1.1 Veiligheidsdefinities
Waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en
opmerkingen worden gebruikt om te wijzen op
belangrijke delen van de handleiding.
WAARSCHUWING: Wordt gebruikt
om te wijzen op de kans op ernstig of
fataal letsel voor de gebruiker of omstanders
wanneer de instructies in de handleiding niet
worden gevolgd.
OPGELET: Wordt gebruikt indien er
een risico bestaat op schade aan het
product en andere eigendommen of aan
de omgeving wanneer de instructies in de
handleiding niet worden gevolgd.
Let op: Geven verdere informatie die nodig is in een
bepaalde situatie.
1.2 Algemene veiligheidsinstructies
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Lees de bedieningshandleiding zorgvuldig door en
zorg dat u de instructies hebt begrepen voordat u
het product gaat gebruiken. Bewaren om later te
kunnen raadplegen.
• Het apparaat is niet bedoeld voor gebruik door
kinderen of personen met fysieke, zintuiglijke of
geestelijke beperkingen (die van invloed kunnen
zijn op het veilig bedienen van het product), of
een gebrek aan kennis en ervaring, tenzij ze
begeleiding bij of aanwijzingen voor het gebruik
van het apparaat hebben ontvangen van een
persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid.
• Het product mag uitsluitend worden gebruikt
in combinatie met door Husqvarna aanbevolen
apparatuur. Elk ander gebruik is onjuist.
• Gebruik het product niet als personen, met name
kinderen, of huisdieren zich in het werkgebied
bevinden.
• Om schade aan het product en ongelukken
met voertuigen en personen te voorkomen, mag
u geen werkgebieden en transportpaden over
openbare paden installeren.
• Gebruik het product niet in gebieden waar
personen zich niet bewust zijn van het product.
• Er moeten waarschuwingsborden worden
geplaatst rondom het werkgebied van het product
als het in openbare gebieden wordt gebruikt.
De borden moeten de volgende tekst bevatten:
Waarschuwing! Automatische gazonmaaier! Blijf
uit de buurt van de machine! Houd toezicht op
kinderen!
• Gebruik het product niet wanneer u het handmatig
bedient met appDrive. Loop altijd langzaam, zorg
ervoor dat u een goede houvast hebt op hellingen
en dat u te allen tijde in evenwicht blijft. Draag
altijd stevig schoeisel en een lange broek als u het
product gebruikt met appDrive.
• Raak geen bewegende gevaarlijke onderdelen,
zoals de maaischijf, aan voordat de maaier volledig
tot stilstand is gekomen.
• Zet het product op OFF voordat u een blokkade
verhelpt, onderhoud uitvoert of het product
onderzoekt, en als het product abnormaal begint
te trillen. Controleer het product op beschadiging
voordat u het opnieuw start. Gebruik het product
niet als het defect is.
• Als zich een letsel of ongeval voordoet, dient u
medische hulp in te schakelen.
• Plaats de voedingskabel niet in een gebied waar
het product maait. Volg de instructies voor het
aanbrengen van de voedingskabel, zie
Installatie
op pagina 11
. De installatie moet worden
uitgevoerd door onderhoudspersoneel.
• Sluit geen beschadigde kabel of stekker aan en
raak een beschadigde kabel niet aan voordat
de kabel is losgekoppeld van het stopcontact.
Koppel de stekker los van het stopcontact
als de kabel beschadigd raakt tijdens het
gebruik. Een versleten of beschadigde kabel
verhoogt het risico op elektrische schokken. Een
beschadigde kabel moet worden vervangen door
onderhoudspersoneel.
• Wanneer u de voedingskabel op het stopcontact
aansluit, moet u een aardlekschakelaar (RCD)
gebruiken met een afschakelstroom van maximaal
30 mA.
• Laad het product alleen op in het meegeleverde
laadstation. Voor veilig afvoeren van de accu
raadpleegt u
Afvoeren op pagina 42
. Onjuist
gebruik kan leiden tot elektrische schokken,
oververhitting of lekkage van corroderende
vloeistof uit de accu. Spoelen met water/
neutralisatiemiddel in geval van lekkage van
elektrolyt. Roep medische hulp in als er bijtende
vloeistof in uw ogen komt.
• Gebruik alleen originele accu's die worden
aanbevolen door Husqvarna. De veiligheid van
het product kan niet worden gegarandeerd met
niet-originele accu's. Gebruik geen niet-oplaadbare
accu's.
1576 - 007 - 28.11.2023
Veiligheid - 3

• Volg de installatie-instructies, met onder meer
instructies om het werkgebied te specificeren, zie
Installatie op pagina 11
.
• Volg de instructies voor het starten en gebruiken
van het product, zie
Werking op pagina 26
.
• Als er kans op onweer is, raadt Husqvarna
aan om de voedingskabel naar het laadstation
en de voedingseenheid naar het referentiestation
los te koppelen om het risico op schade aan
elektrische componenten te verminderen. Sluit de
voedingskabel en de voeding weer aan als er geen
onweer meer dreigt.
• Volg de onderhoudsinstructies op en gebruik
indien nodig originele reserveonderdelen van
Husqvarna, zie
Onderhoud op pagina 28
.
• Voor technische gegevens zoals gewicht,
afmetingen en geluidsemissiewaarden raadpleegt
u
Technische gegevens op pagina 43
.
• De gebruiker is verantwoordelijk in geval van
ongelukken of gevaren met betrekking tot andere
personen of eigendommen.
• Het product mag uitsluitend worden bediend,
onderhouden en gerepareerd door personen die
volledig vertrouwd zijn met de speciale kenmerken
van en veiligheidsregels voor het product.
• Het is niet toegestaan om het originele ontwerp
van het product te wijzigen.
• Volg de nationale voorschriften voor elektrische
veiligheid.
• Husqvarna staat niet garant voor volledige
compatibiliteit tussen het product en andere typen
draadloze systemen, zoals afstandsbedieningen,
radiozenders of dergelijke.
• Het ingebouwde alarm maakt een zeer hard
geluid. Let op, in het bijzonder wanneer het
product in een gesloten ruimte wordt gehanteerd.
• Bedrijfs- en opslagtemperatuur is 0-50 °C/32-122
°F. Temperatuurbereik voor het opladen is 0-45
°C/32-113 °F. Te hoge temperaturen kunnen
schade aan het product veroorzaken.
1.3 Veiligheidsinstructies voor
installatie
WAARSCHUWING:
Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Installeer het laadstation niet in een gebied waar er
struikelgevaar bestaat.
• Installeer het laadstation, inclusief accessoires,
niet op een plek die zich onder of binnen 60
cm / 24 inch van brandbaar materiaal bevindt. In
geval van een storing kunnen het laadstation en
de voeding heet worden en kan er brandgevaar
ontstaan.
• Installeer het laadstation buiten het bereik van
ongedierte zoals mieren.
• Van toepassing voor USA/Canada. Als de
voedingseenheid buiten is opgesteld: Risico van
elektrische schok. Alleen aansluiten op een
afgedekt GFCI-stopcontact (RCD), klasse A, dat
voorzien is van een behuizing die waterdicht is,
ongeacht of de kap van de aansluitstekker is
geplaatst.
• Installeer het laadstation niet op een plek waar er
een risico bestaat op water vorming.
1.4 Veiligheidsinstructies voor
bediening
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Houd handen en voeten uit de buurt van roterende
messen. Plaats uw handen of voeten niet in de
buurt van of onder het product wanneer het op ON
staat.
• Gebruik de functie Parkeren of zet het product op
OFF wanneer personen, vooral kinderen, of dieren
zich in het werkgebied bevinden. Zie
Het product
in de OFF-stand zetten op pagina 27
. Husqvarna
raadt aan om het product in te stellen op gebruik
wanneer er in het werkgebied geen activiteit is.
Het product kan 's nachts letsel bij dieren in het
werkgebied veroorzaken, bijvoorbeeld bij egels.
Zie
Schema op pagina 22
.
• Controleer of er geen voorwerpen zoals stenen,
takken, gereedschappen of speelgoed op het
gazon aanwezig zijn. De messen kunnen
beschadigd raken als ze een voorwerp raken.
• Til het product niet op en verplaats het niet
wanneer het op ON is gezet.
• Laat het product niet in botsing komen met
personen of dieren. Als een persoon of dier in
de baan van het product komt, moet het product
onmiddellijk worden gestopt. Zie
Product stoppen
op pagina 27
.
• Plaats geen voorwerpen boven op het product, het
laadstation of het referentiestation.
• Gebruik het product niet als de STOP-knop niet
werkt.
• Zet het product altijd op OFF wanneer u het niet
gebruikt. Het product kan alleen worden gestart als
u de juiste pincode invoert.
• Gebruik het product niet tegelijkertijd met een pop-
up-sproeier. Gebruik de functie
Schema
zodat het
product en de pop-up-sproeier niet tegelijkertijd
werken. Zie
Schema op pagina 22
.
• Plaats geen transportpad waar verzonken
sproeiers zijn geïnstalleerd.
4
- Veiligheid 1576 - 007 - 28.11.2023

• Gebruik dit product niet als er plassen water in
het werkgebied bevinden. Bijvoorbeeld als zware
regenval waterplassen veroorzaakt.
1.5 Veiligheidsinstructies voor
onderhoud
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u
onderhoud aan het product gaat uitvoeren.
• Zet het product op OFF voordat u onderhoud aan
het product uitvoert.
• Reinig het product niet met een hogedrukspuit.
Gebruik geen oplosmiddelen om het product te
reinigen.
• Ontkoppel de stekker naar het laadstation voordat
u reinigings- of onderhoudswerkzaamheden
verricht aan het laadstation.
1.6 Veiligheid bij accu's
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Lithium-ionaccu's kunnen ontploffen of brand
veroorzaken, indien gedemonteerd, kortgesloten,
blootgesteld aan water, brand of hoge
temperaturen. Behandel de accu voorzichtig,
demonteer de accu niet, open de accu niet en
voorkom elektrisch/mechanisch misbruik. Zet een
accu niet in direct zonlicht.
1.7 Product optillen en verplaatsen
Om het product veilig van of naar het werkgebied te
verplaatsen, kan het product worden opgetild of worden
bediend met appDrive. Zie
appDrive op pagina 26
.
WAARSCHUWING:
Het product
moet op OFF zijn gezet voordat u het optilt.
Het product is uitgeschakeld wanneer de
hoofdschakelaar op de stand
0
is gezet.
OPGELET: Til het product niet op
als het in het laadstation is geparkeerd.
Hierdoor kunnen het laadstation en/of het
product worden beschadigd. Druk op de
STOP-knop en trek het product uit het
laadstation voordat u het optilt.
1. Druk op de knop STOP om het product te stoppen.
2. Zet de hoofdschakelaar in de stand
0
.
3. Draag het product aan de hendel, met de
maaischijf van uw lichaam af.
1576 - 007 - 28.11.2023 Veiligheid - 5

2 Inleiding
Serienummer:
Productnummer:
Pincode:
Het serienummer en het productnummer staan op het productplaatje en op de productverpakking.
• Registreer uw product op www.husqvarna.com. Voer het serienummer van het product, het productnummer en
de aankoopdatum in om uw product te registreren.
2.1 Steun
Neem contact op met uw Husqvarna-dealer voor
ondersteuning met betrekking tot het product.
2.2 Productbeschrijving
Let op: Husqvarna werkt het uiterlijk en de werking
van producten regelmatig bij. Zie
Steun op pagina 6
.
Het product is een robotmaaier. Het product bevat een
accu en maait het gras automatisch. Hierbij wisselen
maaien en laden elkaar continu af. Het product werkt
totdat de laadstatus van de accu laag is of totdat
het werkgebied gemaaid is, en gaat vervolgens naar
het laadstation. Het bewegingspatroon van het product
kan worden ingesteld op onregelmatig of systematisch.
De virtuele grens specificeert het werkgebied waar
het product mag werken. De satellietontvanger in het
product detecteert wanneer het product de virtuele
grens nadert. Wanneer het product een obstakel raakt
of de virtuele grens nadert, kiest het een nieuwe richting.
De gebruiker selecteert de instellingen voor de werking
in de Husqvarna Fleet Services
™
en Automower
®
Connect-app. De app toont de geselecteerde en
mogelijke instellingen voor de werking, en de
bedrijfsmodus van het product.
2.3 Systeembeschrijving
Het systeem bevat een robotmaaier, een laadstation
en een referentiestation. De robotmaaier en
het referentiestation gebruiken de -technologie
met satellietsignalen om de robotmaaier correct
te positioneren. Dit betekent dat er geen
begrenzingsdraden nodig zijn. Het referentiestation staat
stil en stuurt correctiegegevens naar de robotmaaier
om een nauwkeurige positie van de robotmaaier te
verkrijgen. Het virtuele werkgebied voor het product
wordt aangemaakt in de Automower
®
Connect-app. Het
product wordt gebruikt en waypoints worden toegevoegd
om een kaart in de app te maken. Het referentiestation
kan als repeater worden gebruikt om een netwerk van
referentiestations te maken. U kunt de repeaters bij
grotere gebieden gebruiken. Zie
Systeemoverzicht op
pagina 7
.
2.3.1 Maaitechniek
Deze regelmatige maaitechniek verbetert de kwaliteit
van het gras en vermindert het gebruik van meststoffen.
Het gras hoeft niet te worden verzameld.
2.3.2 Connectiviteit
Husqvarna Fleet Services
™
is een cloudoplossing
die beschikbaar is als een app en op internet op
www.husqvarna.com. U kunt al uw producten toevoegen
aan Husqvarna Fleet Services
™
voor een overzicht
en om producten te bedienen. Zie
Husqvarna Fleet
Services
™
op pagina 16
.
Automower
®
Connect is een app die u kunt
gebruiken om het product te installeren en om de
bedrijfsinstellingen van het product te selecteren. Zie
Automower
®
Connect op pagina 17
.
6
- Inleiding 1576 - 007 - 28.11.2023

2.4 Systeemoverzicht
5
3
1
2
8
8
2
4
9
6
11
7
10
11
1. Satellieten
2. Satellietsignalen
3. Referentiestation
1
4. Correctiegegevens
5. Laadstation
6. Virtuele grens
7. Te vermijden zone
8. Werkgebied
9. Mobiel apparaat
2
10. Koppelpunt
11. Transportpad
1
Niet inbegrepen.
2
Niet inbegrepen.
1576 - 007 - 28.11.2023 Inleiding - 7

2.5 Productoverzicht
13
1
4
6
10
15
9
12
19
14
5
7
8
2
3
17
16
18
11
20
1. Behuizing
2. Led-indicatielampje van het product
3. START/STOP-knop
4. Ultrasone sensoren
3
5. Voorwielen
6. Achterwielen
7. Maaisysteem
8. Chassiskast met elektronica, accu en motoren
9. Handgreep
10. Hoofdschakelaar
11. Productplaatje (inclusief
productidentificatienummer)
12. Maaischijf
13. Led-indicatielampje van het laadstation
14. Contactplaten
15. Laadstation
16. Laagspanningskabel
17. Voeding
4
18. Schroeven voor bevestiging van het laadstation
19. Glijplaat
20. Koplampen
2.6 Symbolen op het product
Deze symbolen staan op het product. Bestudeer ze
zorgvuldig.
3
Alleen voor Automower
®
550 EPOS.
4
Het uiterlijk kan verschillen voor verschillende markten.
8 - Inleiding 1576 - 007 - 28.11.2023

WAARSCHUWING: Lees de
gebruikersinstructies voordat
u het product gebruikt.
WAARSCHUWING: Schakel
het product uit voordat u
werkzaamheden aan het pro-
duct uitvoert of het product
optilt.
WAARSCHUWING: Bewaar
een veilige afstand tot het
product als dit in gebruik is.
Houd uw handen en voeten
uit de buurt van de roterende
messen.
WAARSCHUWING: Ga niet
op het product zitten of staan.
Plaats uw handen of voeten
niet in de buurt van of onder
het product.
Gebruik geen hogedrukreini-
ger en zelfs geen stromend
water om het product te reini-
gen.
Gebruik een losse voeding
zoals aangegeven op het ty-
peplaatje naast het symbool.
Dit product voldoet aan de geldende EU-
richtlijnen.
Dit product voldoet aan de geldende UK-
richtlijnen.
Het is niet toegestaan om dit product als
normaal huishoudelijk afval af te voeren.
Zorg dat het product wordt gerecycled
volgens de lokale wettelijke voorschriften.
Het chassis bevat onderdelen die
gevoelig zijn voor elektrostatische
ontlading (ESD). Het chassis moet ook
op een professionele manier worden
afgedicht. Daarom mag het chassis
uitsluitend worden geopend door erkende
servicemonteurs. Een defecte afdichting
kan ertoe leiden dat de volledige garantie
of een deel ervan komt te vervallen.
De laagspanningskabel mag niet worden
ingekort, verlengd of gesplitst.
Gebruik geen trimmer in de buurt van de
laagspanningskabel. Wees voorzichtig bij
het knippen van randen waar de kabels
liggen.
2.7 Symbolen op de accu
WAARSCHUWING: Lithium-Ion accu's
kunnen ontploffen of brand veroorzaken
indien ze zijn gedemonteerd of
kortgesloten of indien er ruw mee wordt
omgegaan. Stel ze niet bloot aan water,
vuur of hoge temperaturen.
Lees de gebruikersinstructies goed door.
Dank de accu niet af door deze in een
vuur te gooien en stel de accu niet bloot
aan een warmtebron.
Dompel de accu niet onder in water.
2.8 Symbolen in de app
Toont de sterkte van het radiosignaal
dat het product van het referentiestation
ontvangt.
De status is
EPOS bevestigd
. Het product
heeft een nauwkeurige positie en richting.
Dit is nodig om het product automatisch
te laten werken en voor de installatie van
kaartobjecten.
De status is
EPOS-actie is noodzakelijk
.
Het product heeft een nauwkeurige
positie, maar het is noodzakelijk om
het product handmatig of automatisch te
bedienen voor een nauwkeurige richting.
De status is
EPOS zoeken
. Het product
heeft geen nauwkeurige positie en
zoekt naar de satellietsignalen en de
correctiegegevens om een nauwkeurige
positie te verkrijgen.
1576 - 007 - 28.11.2023 Inleiding - 9

2.9 Algemene gebruiksinstructies
Voor het gemak wordt het volgende systeem in de
bedieningshandleiding gebruikt:
•
Cursief
gedrukte tekst geeft teksten aan in
de Automower
®
Connect-app aan of is een
verwijzing naar een ander gedeelte in de
bedieningshandleiding.
• Vetgedrukte tekst geeft een van de knoppen op
het product of in appDrive aan.
10 - Inleiding 1576 - 007 - 28.11.2023

3 Installatie
3.1 Inleiding - installatie
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product monteert.
OPGELET: Gebruik originele
reserveonderdelen en origineel
installatiemateriaal.
Let op: Zie www.husqvarna.com voor meer
informatie over de installatie.
3.2 Hoofdonderdelen voor de installatie
De installatie bevat de volgende onderdelen:
• Robotmaaier die het gazon automatisch maait.
• Oplaadstation, waarmee het product wordt
opgeladen.
• Voeding, die is aangesloten tussen het laadstation
en een stopcontact van 100-240 V.
• Referentiestation
5
, dat satellietsignalen ontvangt
en correctiegegevens naar de robotmaaier stuurt.
• Mobiel apparaat met de Automower
®
Connect-app
om de installatie van het product uit te voeren en
de instellingen te regelen.
3.3 Voorbereiden op installatie
OPGELET:
Gaten met water in het
gazon kunnen schade aan het product
veroorzaken.
OPGELET: Lees het hoofdstuk over
installatie voordat u de installatie start.
• Maak een blauwdruk van het werkgebied en neem
er alle obstakels in op. Dit maakt het makkelijker
om te onderzoeken waar het laadstation, het
referentiestation en de virtuele grenzen moeten
worden geplaatst.
• Maak een markering op de blauwdruk waar
het laadstation, het referentiestation, het
onderhoudspunt, de transportpaden en de virtuele
grenzen voor de werkgebieden en de te vermijden
zones moeten worden geplaatst.
• Zorg ervoor dat het werkgebied waar het product
werkt ongehinderd zicht op de hemel heeft.
• Vul de gaten in het gazon in om het vlak te maken.
• Maai het gras voordat u het product installeert.
Zorg ervoor dat het gras maximaal 5 cm/2 inch is.
Let op: De eerste weken na de installatie kan het
geluidsniveau bij het maaien van het gras hoger zijn dan
gewoonlijk. Het geluidsniveau wordt na verloop van tijd
lager.
3.4 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
Lees en begrijp de instructies over waar u
het referentiestation moet plaatsen. Raadpleeg de
bedieningshandleiding voor het referentiestation.
3.5 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
• U kunt het laadstation in het werkgebied of buiten
het werkgebied plaatsen. Er is geen transportpad
nodig als het laadstation in het werkgebied wordt
geplaatst (A). Er is geen transportpad nodig als het
product zich volledig in het werkgebied bevindt als
het bij het koppelpunt van het laadstation is. Als
het laadstation en het koppelpunt (B) zich niet in
het werkgebied bevinden, moet u een transportpad
(C) installeren.
A
B
C
Let op:
Een korte achteruitrijafstand vermindert
het risico op sporen. Een lange achteruitrijafstand
kan nodig zijn voor een goede ontvangst van
satellietsignalen bij het koppelpunt.
• U kunt het laadstation in een Automower
®
-huis
plaatsen.
• Plaats het laadstation (A) waar het koppelpunt
(B) onbelemmerd zicht op de hemel heeft. Het
koppelpunt (B) van het laadstation is waar
het product stopt na achteruitrijden van het
laadstation. De achteruitrijafstand kan worden
5
Afzonderlijk verkrijgbaar.
1576 - 007 - 28.11.2023 Installatie - 11

ingesteld op 70-250cm / 28-98inch. Husqvarna
raadt aan om te zorgen voor minimaal 6 m / 19.6 ft.
(C) vrije ruimte vóór het laadstation.
B
C
A
AB
C
Let op: Een korte achteruitrijafstand vermindert
het risico op sporen. Een lange achteruitrijafstand
kan nodig zijn voor een goede ontvangst van
satellietsignalen bij het koppelpunt.
• Als het product niet mag werken in een deel van
het koppelgebied, moet u een beschermende muur
aanbrengen die minimaal 15 cm / 6 inch hoog is.
Het koppelstation (A) is een cirkelvormig gebied
rond het laadstation, met een straal van 3 m / 9.8
ft.
A
Let op:
Het product gebruikt het signaal van
het laadstation om naar het laadstation te zoeken
wanneer het zich in het koppelgebied bevindt.
• Plaats het laadstation in de buurt van een
stopcontact.
• Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond.
• De bodemplaat van het laadstation mag niet
gebogen zijn.
max. 5 cm / 2"
max. 5 cm / 2"
• Als het werkgebied twee delen heeft die zijn
gescheiden door een steile helling,Husqvarna
raden wij aan het laadstation op het laagste deel
te plaatsen.
OPGELET:
Installeer het laadstation
niet op een plek waar zich metalen
objecten in de grond bevinden. Metalen
objecten kunnen interferentie met het
laadstationsignaal veroorzaken.
12 - Installatie 1576 - 007 - 28.11.2023

3.6 Onderzoeken waar de voeding
moet worden geplaatst
OPGELET: Zorg ervoor dat de messen
op het product niet de laagspanningskabel
doorsnijden.
OPGELET: Plaats de
laagspanningskabel niet in een spoel of
onder de plaat van het laadstation. De
bobine veroorzaakt interferentie met het
signaal van het laadstation.
• Plaats de voeding in een gebied met een dak en
bescherming tegen de zon en de regen.
• Plaats de voeding in een gebied met een goede
luchtstroom.
• Gebruik een aardlekschakelaar met een
afschakelstroom van maximaal 30 mA wanneer u
de voeding aansluit op het stopcontact.
Laagspanningskabels van verschillende lengtes zijn
verkrijgbaar als accessoires.
3.7 Onderzoeken waar de objecten op
de kaart moeten worden geïnstalleerd
OPGELET:
Als het werkgebied aan
een waterpartij, helling, afgrond of openbare
weg grenst, moet op de virtuele grens een
beschermende muur worden geplaatst. De
muur moet minimaal 15 cm/6 inch hoog zijn.
OPGELET: Laat het product niet
werken op grind.
OPGELET: Voor een zorgvuldige
werking zonder geluid isoleert u alle
obstakels zoals bomen, wortels en stenen.
Let op: Maak een blauwdruk van het werkgebied
voordat u de virtuele grenzen installeert.
• Controleer of het product in alle delen van het
werkgebied radiosignalen van het referentiestation
kan ontvangen. Zorg ervoor dat de maximale
afstand tussen het referentiestation en het product
500 m/1640ft. is.
Let op: De maximale afstand neemt af als er
zich voorwerpen tussen het referentiestation en
het product bevinden.
• Husqvarna raadt een maximale afstand van het
laadstation tot het meest afgelegen deel van
de installatie aan. Voor Automower
®
550 EPOS
is de maximale afstand 250 m / 800 ft. Voor
Automower
®
520 EPOS is de maximale afstand
150 m / 500 ft.
Let op: De maximale afstand neemt af bij
hellingen en hoog gras.
3.7.1 Kaartobjecten installeren bij
gebouwen en bomen
• Zorg ervoor dat het 90° gedeelte van de hemel
onbelemmerd is.
90°
Let op: Het product kan geen signalen van
navigatiesatellieten ontvangen als de hemel wordt
belemmerd.
• Maak een te vermijden zone (B) rond bomen
en boomgroepen met een bladerdak met een
diameter van meer dan 4m/ 13ft (A).
1576 - 007 - 28.11.2023
Installatie - 13

B
A
Let op: Bomen en boomgroepen met een
bladerdak met een diameter van meer dan
4m / 13ft (A) kunnen tijdelijke stops van het
product veroorzaken. Kleinere bomen veroorzaken
gewoonlijk geen verstoring van de werking van het
product.
• Installeer de virtuele grens op een minimale
afstand (C) van 1.5m / 5ft van L-vormige
gebouwen.
C
• Als u virtuele grenzen wilt installeren in een gebied
met een U-vormig gebouw, moet de afstand (E)
minimaal 6m / 20ft bedragen. Als het gebouw
hoger is dan 3m / 10ft moet de afstand (E)
twee keer zo groot zijn als de hoogte van het
hoogste gebouw. Installeer de virtuele grens op
een minimale afstand (D) van 1.5m / 5ft van het
object.
D
D
D
D
E
• Zorg dat de gebieden tussen objecten een afstand
(F) van minimaal 4m / 13.1ft hebben.
F
F
14 - Installatie 1576 - 007 - 28.11.2023

3.7.2 Onderzoeken waar objecten in smalle
doorgangen op de kaart moeten worden
geplaatst
• Zorg ervoor dat een doorgang tussen objecten die
lager zijn dan 1 m / 3.3 ft., een minimumbreedte
heeft van 2 m/6.6 ft.
• Zorg ervoor dat een doorgang tussen een object
dat lager is dan 1 m / 3.3 ft. en één object dat
hoger is dan 1 m / 3.3 ft. een minimale breedte (A)
heeft van 2 m/6.6 ft.
• Zorg ervoor dat de afstand tussen objecten (B)
lager dan 1 m / 3.3 ft. minimaal 1 m / 3.3 ft. is.
A
A
B
3.7.3 De kaartobjecten op een helling
installeren
Het product kan gebruikt worden op hellingen van
45%. Virtuele grenzen kunnen worden.geïnstalleerd op
hellingen van maximaal 15%. De hellingsgraad (%)
wordt berekend als hoogte per m. Voorbeeld: 10 cm/100
cm = 10%.
10 cm/ 4"
100 cm/ 40"
10%
• Voor hellingen steiler dan 45% binnen het
werkgebied isoleert u de helling met een te
vermijden zone.
• Voor hellingen die steiler zijn dan 15% langs de
buitenrand van het gazon. Voor de installatie van
de virtuele grens bedient u het product met het
achterwiel op 5 cm/ 2 inch (A) van de rand.
A
• Voor hellingen grenzend aan een openbare weg
plaatst u een hek of een beschermende muur
langs de buitenrand van de helling.
• Husqvarna raadt aan om de richting van het
systematische patroon recht omhoog de helling op
in te stellen om slijtage van het gras te voorkomen.
• Installeer de virtuele grenzen op hellingen van
maximaal 15%.
3.7.4 Onderzoeken waar te vermijden
zones moeten worden gemaakt
• Maak te vermijden zones rond objecten die groter
zijn dan 2x2m.
• Zorg ervoor dat de te vermijden zone het volledige
gebied omvat waar het product niet mag werken
(B).
B
A
Let op:
Maak geen te vermijden zone door
het werkgebied om te voorkomen dat het product
delen van het werkgebied (A) binnengaat.
• Zorg dat de te vermijden zone minimaal 30x30
cm / 1x1 ft is.
1576 - 007 - 28.11.2023
Installatie - 15

3.8 Montage van het product
3.8.1 Het product installeren
Voer de daaropvolgende algemene stappen uit om het
product te installeren:
1. Installeer het referentiestation. Raadpleeg de
bedieningshandleiding voor het referentiestation.
2. Installeer het laadstation. Zie
Laadstation
monteren op pagina 16
.
3. Installeer de Automower
®
Connect-app op uw
mobiele apparaat. Zie
Automower
®
Connect op
pagina 17
.
4. Koppel het product aan de Automower
®
Connect-app. Regel de basisafstellingen in de
opstartprocedure in de Automower
®
Connect-app.
Zie
Automower
®
Connect op pagina 17
.
5. Maak een kaart met werkgebieden, te vermijden
zones, transportpaden en onderhoudspunten. Zie
Objecten op de kaart te plaatsen op pagina 18
.
6. Gebruik de Automower
®
Connect-app om
instellingen voor het product te regelen. Zie
Instellingen op pagina 22
.
3.8.2 Installatiegereedschappen
• Inbussleutel, 8 mm. Meegeleverd in de doos.
3.8.3 Het laadstation installeren
Lees en begrijp de instructies over het laadstation.
Zie
Onderzoeken waar het laadstation moet worden
geplaatst op pagina 11
.
OPGELET:
Het is niet toegestaan om
nieuwe gaten in de plaat van het laadstation
te maken.
OPGELET: Plaats uw voeten niet op de
bodemplaat van het laadstation.
WAARSCHUWING: Zorg ervoor
dat de pluggen van de laagspanningskabel
en de voedingseenheid schoon en droog
zijn voordat u ze aansluit.
Gebruik wanneer u de voeding aansluit altijd
een stopcontact dat is aangesloten op een
aardlekschakelaar (RCD).
3.8.3.1 Laadstation monteren
1. Plaats het laadstation in het geselecteerde gebied.
2. Bevestig het laadstation aan de grond met behulp
van de bijgeleverde schroeven.
3. Sluit de laagspanningskabel aan op het
laadstation.
4. Zet de voeding op een minimale hoogte van 30
cm/ 12 inch. Zie
Onderzoeken waar de voeding
moet worden geplaatst op pagina 13
.
min 30 cm / 12”
5. Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van
100-240V.
6. Plaats de laagspanningskabel buiten het
werkgebied in de aarde. Gebruik staken of begraaf
de kabel.
7. Plaats het product in het laadstation om het op te
laden.
3.8.3.2 Visuele controle van het laadstation uitvoeren
1. Controleer of de led-indicator op het laadstation
groen brandt.
2. Als de led-indicator niet groen is, controleert u de
installatie. Zie
Laadstation monteren op pagina 16
en
LED-indicator op het laadstation op pagina 39
.
3.8.4 Het referentiestation installeren
Installeer het referentiestation volgens de instructies in
de gebruikershandleiding van het referentiestation.
3.8.5 Husqvarna Fleet Services
™
Husqvarna Fleet Services
™
is een cloudoplossing
waarmee de commerciële fleetmanager een overzicht
heeft van alle producten. Het biedt de fleetmanager
ook de mogelijkheid om alle producten op afstand te
bedienen. Husqvarna Fleet Services
™
is beschikbaar
als webservice en als app. Wanneer u de
Husqvarna Fleet Services
™
-app gebruikt, wordt u
doorgestuurd naar de Automower
®
Connect-app.
Zie www.husqvarna.com voor meer informatie over
Husqvarna Fleet Services
™
.
16
- Installatie 1576 - 007 - 28.11.2023

Let op: Als gevolg van regionale gespecificeerde
mobiele systemen wordt een mobiele verbinding niet
in alle landen ondersteund. De inbegrepen levenslange
service is alleen geldig als er een externe leverancier
van 2G/4G beschikbaar is in het toepassingsgebied.
3.8.6 Automower
®
Connect
Automower
®
Connect is een gratis app voor uw
mobiele apparaat. Gebruik de app voor de installatie,
instellingen en bediening van uw product. U kunt ook
meer informatie vinden over onder meer alarmen en
statistieken in de Automower
®
Connect-app.
De app biedt twee verbindingsmogelijkheden: Mobiele
verbinding voor de lange afstand en een Bluetooth
®
-
verbinding voor de korte afstand.
3.8.7 De basisinstellingen uitvoeren
Als het product voor de eerste keer wordt ingeschakeld
met ON, moet u enkele basisinstellingen instellen
voordat u het product kunt gebruiken.
1. Download de Husqvarna Fleet Services
™
-app
en Automower
®
Connect-app voor uw mobiele
apparaat.
2. Meld u aan bij de Husqvarna Fleet Services
™
-app.
3. Het product inschakelen met ON.
4. Start Bluetooth
®
op uw mobiele apparaat.
Let op: De Bluetooth
®
koppelingsprocedure-
modus van het product is ingesteld op 3
minuten. Als de koppeling tussen het product
en het mobiele apparaat niet correct is voltooid,
moet het product opnieuw worden opgestart. Zie
Hoofdschakelaar op pagina 26
.
5. Selecteer
Robotmaaier toevoegen
in de app om
uw product toe te voegen en volg de instructies in
de app.
6. Koppel het product en het referentiestation.
7. Koppel het product en het laadstation. Selecteer
of u GeoFence wilt inschakelen of niet en stel de
achteruitrijafstand in.
3.8.8 Installatie van de kaartobjecten
Lees en begrijp de instructies over waar u de
kaartobjecten moet plaatsen. Zie
Onderzoeken waar de
objecten op de kaart moeten worden geïnstalleerd op
pagina 13
.
Op de kaart kunt u de volgende objecten installeren in
de app:
•
Werkgebieden
(A)
•
Te vermijden zones
(B)
•
Transportpad
(C)
•
Laadstation
(D)
•
Onderhoudspunt
(E)
•
Referentiestation
(F)
•
Werkgebied (bijgebied)
(G)
A
G
B
A
D
E
C
F
Voor een complete kaartinstallatie moet u een
werkgebied en een laadstation op de kaart installeren.
Een werkgebied wordt gespecificeerd door virtuele
grenzen. Er kunnen maximaal 20 werkgebieden en
bijgebieden op een kaart worden geïnstalleerd.
Er zijn twee soorten werkgebieden:
• Een werkgebied met daarin een laadstation of een
werkgebied dat verbonden is met een transportpad
waar het product automatisch werkt.
• Een bijgebied is een werkgebied zonder
laadstation en zonder transportpad. Het product
moet handmatig naar en van het werkgebied
worden verplaatst.
Een transportpad is een opgegeven pad tussen het
koppelpunt vóór het laadstation en een werkgebied. Het
product kan automatisch werken op dit pad, maar maait
geen gras. Een transportpad kan tijdelijk worden in- en
uitgeschakeld in de app.
Er kunnen te vermijden zones worden gemaakt als er
gebieden zijn waar het product niet mag werken. Een
te vermijden zone wordt gespecificeerd door virtuele
grenzen. Te vermijden zones kunnen tijdelijk worden in-
en uitgeschakeld in de app.
1576 - 007 - 28.11.2023
Installatie - 17

Een onderhoudspunt is een specifieke plaats waar het
product kan worden geparkeerd. Dit kan bijvoorbeeld
worden gebruikt als servicepunt waar onderhoud aan
het product wordt uitgevoerd. Het onderhoudspunt is via
een pad verbonden met het koppelpunt.
Als u objecten op de kaart wilt plaatsen, bedient u het
product met de appDrive-installatie om waypoints op
de kaart toe te voegen. Zie
Objecten op de kaart te
plaatsen op pagina 18
.
3.8.8.1 Objecten op de kaart te plaatsen
De waypoints (A) zijn posities die de virtuele grenzen
en paden (B) vormen. De lijnen zijn recht tussen
de waypoints. We raden aan om zo weinig mogelijk
waypoints te gebruiken. Voor elk werkgebied en de
bijbehorende te vermijden zones en transportpad is het
totale maximumaantal waypoints 800. Husqvarna raadt
aan om maximaal 1000 waypoints toe te voegen voor
de volledige installatie van de kaart. Gebruik meerdere
waypoints om vloeiende bochten te maken. Husqvarna
raadt u aan een minimale afstand van 30cm / 1ft aan
te houden tussen waypoints. U kunt de posities van de
waypoints aanpassen in de app, na de installatie van de
kaart.
B
A
OPGELET: Til het product niet op
en verplaats het niet tussen de waypoints
als u de kaartobjecten installeert. Gebruik
appDrive voor een correcte installatie.
Let op: De positie van het waypoint wanneer u een
werkgebied of een te vermijden zone plaatst, bevindt
zich in de linker voorhoek van het product. De virtuele
grenzen specificeren het gebied waar het product mag
werken. Het product maait het gras dat zich naast de
begrenzingsdraad bevindt niet vanwege de positie van
de maaischijf.
Let op: De positie van het waypoint bij de
installatie van een transportpad of een pad naar een
onderhoudspunt bevindt zich in het midden van het
product tussen de aandrijfwielen.
• Zorg ervoor dat u zich in de buurt van het product
bevindt en met het product verbonden bent via de
app door middel van Bluetooth
®
.
• Zorg ervoor dat de status
EPOS bevestigd is
in de
appDrive.
Let op:
Een gamecontroller met Bluetooth
®
kan samen met worden gebruikt appDrive om het
product te bedienen.
• Controleer of de sterkte van het radiosignaal van
het referentiestation goed is. Het symbool voor de
sterkte van het radiosignaal moet volledig gevuld
zijn.
• Selecteer het object dat u wilt plaatsen en gebruik
de knoppen in de appDrive-installatie om het
product te bedienen.
• Gebruik de knop omhoog (A) om het product naar
voren te verplaatsen.
• Gebruik de knop omlaag (B) om het product naar
achteren te verplaatsen.
• Gebruik de knop met de pijl naar links (C) om het
product naar links te draaien.
18
- Installatie 1576 - 007 - 28.11.2023

• Gebruik de knop met de pijl naar rechts (D) het
product naar rechts te draaien.
• Gebruik de middelste knop (E) als joystick om het
product in een willekeurige richting te bewegen en
te draaien.
• Gebruik de knop waypoint (F) om een waypoint toe
te voegen op de kaart.
A
D
F
B
C
E
Let op: Loop 2-3 m / 6.5-9.8 ft. achter het product
wanneer u het product gebruikt met appDrive.
Een werkgebied maken
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een werkgebied
te maken.
• Bedien het product rechtsom rond de grens van
het werkgebied.
• Voeg waypoints toe op de kaart. Laat minimaal 3
cm / 1 inch tussen de waypoints en obstakels.
• Voeg een waypoint toe om het product het gras
aan de rand tussen het gazon en het tegelpad te
laten maaien. Zorg ervoor dat u de rand van het
gazon en het tegelpad exact volgt wanneer u een
waypoint toevoegt. Het product kan de rand exact
volgen als de hoogte van het tegelpad maximaal 1
cm / 0.4 inch is ten opzichte van het gazon.
•
max 1 cm / 0.4”
• Voeg het waypoint toe in de buitenste hoek om de
virtuele grens om een hoek te plaatsen.
• Stel geen waypoints in die een virtuele grens over
zichzelf laten lopen in hetzelfde werkgebied.
• Sla het werkgebied op om het eerste en laatste
waypoint automatisch te verbinden met een
virtuele grens.
1
2
3
4
5
6
7
8
1576 - 007 - 28.11.2023
Installatie - 19

Een te vermijden zone maken
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een te vermijden
zone te maken.
• Bedien het product linksom rond de grens van de
te vermijden zone.
• Voeg waypoints toe op de kaart. Laat minimaal 3
cm / 1 inch tussen de waypoints en obstakels.
• Stel geen waypoints in die een virtuele grens over
zichzelf laten lopen in dezelfde te vermijden zone.
• Sla de te vermijden zone op om het eerste en
laatste waypoint automatisch te verbinden met een
virtuele grens.
Een transportpad maken
• Gebruik het product en voeg waypoints toe op de
kaart om een transportpad aan te brengen. Begin
in een werkgebied op minimum 1 m / 3.3 ft. van de
virtuele grens.
• Installeer het transportpad loodrecht op de virtuele
grens van het werkgebied.
• Breng geen transportpad aan over een te
vermijden zone.
• Stel geen waypoints in die ervoor zorgen dat een
transportpad over hetzelfde transportpad loopt.
• Vermijd het maken van scherpe bochten wanneer
u het transportpad installeert.
135º
135º
<90º
• Gebruik het product en voeg waypoints toe om het
transportpad met het koppelpunt te verbinden.
• Plaats het laatste waypoint op een transportpad
(A) in een hoek van +/-45graden ten opzichte van
het koppelpunt.
A
• Sla het transportpad op om het laatste waypoint
automatisch te verbinden met het koppelpunt.
• Stel de doorrijbreedte (A) in voor het transportpad.
De doorrijbreedte kan worden ingesteld op 2-5 m /
6.6-16.4 ft.
B
A
Een onderhoudspunt maken
• Gebruik het product en voeg waypoints toe op
de kaart. Begin met het toevoegen van waypoints
op de positie waar u het onderhoudspunt
wilt installeren. Het eerste waypoint geeft het
onderhoudspunt aan.
• Vermijd het maken van scherpe bochten wanneer
u een transportpad installeert.
135º
135º
<90º
• Gebruik het product en voeg waypoints toe om een
pad naar het laadstation te maken.
20
- Installatie 1576 - 007 - 28.11.2023

• Plaats het laatste waypoint op een transportpad
(A) in een hoek van +/-45graden ten opzichte van
het koppelpunt.
A
• Sla het onderhoudspunt op om het laatste
waypoint automatisch te verbinden met het
koppelpunt.
• Stel de doorrijbreedte (A) in voor het
onderhoudspunt. De doorrijbreedte kan worden
ingesteld op 2-5 m / 6.6-16.4 ft.
A
1576 - 007 - 28.11.2023 Installatie - 21

4 Instellingen
Het product heeft fabrieksinstellingen, maar de
instellingen kunnen aan elk werkgebied worden
aangepast.
4.1 Schema
In het menu
Schema
kunt u de schema-instellingen
voor het product wijzigen. U kunt afzonderlijke schema-
instellingen voor elk werkgebied instellen.
Bijgebieden
kunnen niet worden gepland. De functie Schema regelt
wanneer het product mag werken. Als het product niet in
bedrijf is, staat het geparkeerd in het laadstation.
Door de vorm van het werkgebied, het aantal obstakels
en hellingen neemt het maaivermogen af.
Systematisch
maaien
Onregelmatig
maaien
Gebiedscapaciteit -
Sport 24
Elke dag maai-
en
Elke dag maai-
en
Gebiedscapaciteit -
Standaard 48
Elke tweede
dag maaien
Elke dag maai-
en
Gebiedscapaciteit -
Max. 72
Elke derde dag
maaien
Elke dag maai-
en
De maximale gebiedscapaciteit voor het product varieert
afhankelijk van het type toepassing en de kwaliteit van
het gras.
• Gebiedscapaciteit - Sport 24: Dit is de maximale
gebiedscapaciteit voor sportvelden en fairways van
golfbanen die elke dag (24 uur) gemaaid moeten
worden. Geldig voor goed beheerde, weelderige
en dichte grasvelden die met een lage maaihoogte
worden gemaaid.
• Gebiedscapaciteit - Standaard 48: Dit is de
maximale gebiedscapaciteit voor de meeste
velden, zoals faciliteitsgebieden en roughs van
golfbanen die elke tweede dag systematisch
gemaaid moeten worden (48 uur). Bij
onregelmatige patronen is elke dag maaien nodig.
Geldig voor standaard veldkwaliteit die met een
gemiddelde maaihoogte wordt gemaaid.
• Gebiedscapaciteit - Max. 72: Dit is de maximale
gebiedscapaciteit voor faciliteitsgebieden die
systematisch elke derde dag gemaaid kunnen
worden (72 uur). Bij onregelmatige patronen is
elke dag maaien nodig. Geldig voor velden met
een langzamere grasgroei die met een hoge
maaihoogte worden gemaaid.
4.2 Systematisch maaien gebruiken
• Stel het schema in om het product zo lang mogelijk
te laten werken.
Let op: Wanneer het product het werkgebied
heeft gemaaid, gaat het naar het laadstation. Het
product blijft in het laadstation tot het volgende
schema start. Als het werkgebied niet volledig is
gemaaid, blijft het product het werkgebied maaien
met het volgende schema.
• Als u een werkgebied 2 keer per dag wilt maaien,
kunt u 2 verschillende schema's instellen. Stel het
schema voor het product in zodat er voldoende tijd
is om het volledige werkgebied te maaien.
• Met 2 of meer parallelle schema's begint het
product te maaien waar het product het langst niet
heeft gemaaid.
4.3 Onregelmatig maaien gebruiken
Het product werkt gedurende de volledige geplande tijd
met onregelmatig maaien.
• Verkort de geplande tijd of gebruik de functie
Weertimer
om slijtage van het gras te voorkomen.
Zie
Weertimer op pagina 23
.
• Als het resultaat niet bevredigend is, moet u de
geplande tijd verlengen. Zie
Schema op pagina 22
.
• Met 2 of meer parallelle schema's in verschillende
werkgebieden begint het product eerst 1
werkgebied te maaien. Na elke keer opladen
van het product begint het product een ander
werkgebied te maaien.
4.4 Maaihoogte
De maaihoogte wordt voor elk werkgebied afzonderlijk
ingesteld. De maaihoogte kan worden ingesteld op
20-60 mm / 0.8-2.4 inch.
4.5 Patroon
De instellingen voor het patroon worden voor elk
werkgebied ingesteld. U kunt de volgende instellingen
aanbrengen:
22
- Instellingen 1576 - 007 - 28.11.2023

• Stel het patroon in voor de werking van het
product.
• Voor sommige patronen kunt u de richting van het
patroon instellen.
• Voor sommige patronen kunt u het type
Randen
maaien
instellen. Bij
Vast randen maaien
werkt het
product altijd op dezelfde paden om een scherpe
grens rond het werkgebied te houden. Bij
Variabel
randen maaien
werkt het product op verschillende
paden om het risico op sporen langs de virtuele
grens te verlagen.
Husqvarna raadt aan een systematisch patroon te
gebruiken op grote en open werkgebieden. Als
u een systematisch patroon voor een werkgebied
met obstakels gebruikt, moet u te vermijden zones
rondom obstakels maken en moet u een patroon met
verschillende richtingen gebruiken voor het optimale
maairesultaat.
Husqvarna raadt aan om een onregelmatig patroon
te gebruiken als het werkgebied complex is en veel
obstakels bevat.
4.6 Werking
In de menu Werking is het mogelijk om de instellingen
te veranderen van de
Weertimer, ECO-modus
en
Spiraalmaaien
.
4.6.1 Spiraalvormig maaien
Spiraalvormig maaien is alleen van toepassing op
werkgebieden met een onregelmatig patroon. Als het
product in een gebied komt en detecteert dat het gras
langer dan gemiddeld is, kan hij het bewegingspatroon
wijzigen in
Spiraalvormig maaien
. Dit betekent dat het
product dan in een spiraalvormig patroon gaat maaien
om het gebied met het langere gras sneller te maaien.
Het is mogelijk om de intensiteit van
Spiraalvormig
maaien
in te stellen. Een gevoeligheid van
Zeer
laag/Laag
betekent dat
Spiraalvormig maaien
minder
vaak wordt toegepast. Een intensiteit van
Hoog/Zeer
hoog
betekent dat
Spiraalvormig maaien
vaker wordt
toegepast.
Let op:
Spiraalvormig maaien
kan niet worden gestart
niet op hellingen die steiler zijn dan 15%.
4.6.2 Weertimer
Weertimer
past automatisch de maaitijd aan de groei
van het gras aan.
Weertimer
past de maaitijd alleen
aan voor werkgebieden met een onregelmatig patroon.
Het product mag niet meer dan volgens de schema-
instellingen worden gebruikt.
Let op: Bij gebruik van
Weertimer
is het raadzaam
om zoveel mogelijk bedrijfstijd beschikbaar te maken
voor
Weertimer
. Beperk het schema niet meer dan
nodig is.
De eerste activiteit van de dag wordt ingesteld op
basis van de schema-instellingen. Het product voltooit
1 maaicyclus per gepland werkgebied, vervolgens
selecteert
Weertimer
of het product blijft werken.
Let op:
Weertimer
wordt gereset als het product
langer dan 50 uur stilstaat of als een
Reset van
alle gebruikersinstellingen
wordt uitgevoerd.
Weertimer
wordt niet gewijzigd als een
Reset van schema-
instellingen
wordt uitgevoerd.
4.6.3 ECO-modus
ECO-modus
schakelt het signaal in het laadstation uit
wanneer het product geparkeerd is of wordt opgeladen.
De led-indicator van het laadstation knippert groen
wanneer het lussignaal uitgeschakeld is.
Let op:
Gebruik de
ECO-modus
om energie te
besparen en interferentie met andere apparatuur, zoals
ringleidingen of garagedeuren, te voorkomen.
Let op: Om het product handmatig in het werkgebied
te starten moet u eerst het lussignaal inschakelen.
4.6.3.1 Het lussignaal inschakelen
1. Het product inschakelen met ON.
2. Plaats het product in het laadstation.
1576 - 007 - 28.11.2023
Instellingen - 23

3. Druk op de STOP-knop.
4. Wacht 2 seconden en verwijder het product
vervolgens uit het laadstation.
5. Controleer of het led-indicatielampje van het
laadstation groen brandt.
6. Plaats het product op de plek waar het moet
beginnen met maaien.
4.7 Accessoires
Instellingen voor accessoires die zijn aangebracht op
het product kunnen in dit menu worden ingevoerd.
4.7.1 Koplampen
Er zijn vier verschillende koplampinstellingen die
bepalen wanneer de koplampen zijn ingeschakeld:
•
Altijd aan
•
Alleen 's avonds (19:00-00:00)
•
's Avonds en 's nachts (19:00-07:00)
•
Altijd uit
De koplampen kunnen worden ingesteld op
Oranje
stroboscooplicht
of
Oranje licht
. De koplampen kunnen
ook zodanig worden ingesteld, dat ze gaan knipperen
als er een fout optreedt.
Let op:
Husqvarna adviseert om de koplampen in het
donker te gebruiken.
4.7.2 Botsingen met het Automower
®
-huis
vermijden
Als deze optie is ingeschakeld, treedt er minder slijtage
van het product en het Automower
®
-huis op. Rondom
het laadstation kan er dan echter sprake zijn van meer
ongemaaid gras.
4.8 Algemeen (alleen Bluetooth
®
)
Deze functie wordt gebruikt voor het instellen van tijd en
datum of om de standaardinstellingen te herstellen.
4.8.1 Tijd & datum
De tijd en datum kunnen handmatig of met behulp van
de tijd en datum van het mobiele apparaat worden
gewijzigd.
4.8.2 Reset naar fabrieksinstellingen
De gebruikersinstellingen kunnen worden teruggezet op
de fabrieksinstellingen. Alle kaartobjecten en schema's
worden verwijderd.
Let op:
Pincode, lussignaal, berichten
en
Datum en
tijd
worden niet gereset.
4.9 Veiligheid
Met de beveiligingsinstellingen worden de pincode, de
GeoFence en andere beveiligingsfuncties beheerd. De
juiste pincode moet worden ingevoerd om toegang tot
het menu
Beveliging
te krijgen.
Dit menu is alleen beschikbaar als uw mobiele apparaat
is aangesloten op het apparaat met Bluetooth
®
.
4.9.1 Nieuw lussignaal
Het lussignaal wordt willekeurig geselecteerd om een
unieke koppeling tussen het product en het laadstation
te creëren. In zeldzame gevallen kan het nodig zijn om
een nieuw signaal te genereren, bijvoorbeeld als twee
aangrenzende installaties signalen gebruiken die erg op
elkaar lijken.
4.9.2 Wijzig pincode
U kunt de pincode wijzigen. Noteer de nieuwe pincode
in Memo. Zie
Inleiding op pagina 6
.
4.9.3 Bescherming tegen diefstal
In het menu
Bescherming tegen diefstal
is het mogelijk
om de duur van het alarm in te stellen en ook bij
welke gebeurtenissen het alarm in werking treedt. De
fabrieksinstelling is dat een pincode vereist is en de
alarmduur 1 minuut is.
4.9.3.1 Pincode vereist
Deze functie betekent dat het product niet kan worden
gebruikt of bediend nadat de STOP-knop is ingedrukt
zonder eerst de juiste pincode in te voeren. Wanneer
u vijf maal achter elkaar de verkeerde pincode
invoert, wordt het product enige tijd vergrendeld. De
vergrendeling wordt voor elke nieuwe onjuiste poging
verlengd.
4.9.3.2 Tijdsduur alarm
Er is een mogelijkheid om in te stellen hoe lang
het alarmsignaal duurt. Een instelling tussen 1 en 10
minuten is mogelijk.
4.9.3.3 STOP-knop ingedrukt
Indien het alarm
"STOP-knop ingedrukt"
is
ingeschakeld, gaat het alarm af als iemand de STOP-
24
- Instellingen 1576 - 007 - 28.11.2023

knop indrukt en niet binnen 30 seconden de pincode
invoert.
4.9.3.4 Weggedragen
Indien het alarm
opgetild
is ingeschakeld, detecteert het
product onverwachte bewegingen en gaat het alarm af.
4.9.4 GeoFence
GeoFence is een op GPS gebaseerde
diefstalbeveiliging die een virtuele omheining voor
het product maakt. Als het product zich meer dan
een ingestelde afstand van de middenpositie bevindt,
wordt het product uitgeschakeld en wordt een alarm
geactiveerd. De middenpositie wordt ingesteld op de
huidige positie van het product wanneer GeoFence
is ingeschakeld. De pincode is nodig om het alarm
te stoppen en het product opnieuw te starten. De
GeoFence wordt alleen ingeschakeld wanneer het
product op ON wordt gezet.
4.10 Automower
®
Connect (alleen
Bluetooth
®
)
In
Automower
®
Connect
kunt u de Automower
®
Connect-module in- of uitschakelen. U kunt ook
de signaalsterkte en verbindingsstatus bekijken, een
nieuwe koppeling tot stand brengen of het product uit
de gekoppelde accounts verwijderen.
4.11 Meldingen
In dit menu vindt u eerdere storings- en
informatiemeldingen. Voor een aantal foutmeldingen zijn
er tips en adviezen beschikbaar waarmee u de fout kunt
verhelpen.
Als het product op enigerlei wijze wordt verstoord,
bijvoorbeeld als het vast komt te zitten of als de accu
bijna leeg is, wordt er een bericht met de storing en het
tijdstip waarop deze plaatsvond opgeslagen.
Als dezelfde foutmelding meerdere keren wordt
herhaald, kan dit betekenen dat de installatie of het
product moet worden aangepast. Zie
Installatie op
pagina 11
.
4.12 Maaiprofielen
U kunt verschillende sets met instellingen in de
Maaiprofielen
opslaan. Gebruik deze functie als u een
product voor meer dan een locatie gebruikt of als
u verschillende instellingen op dezelfde locatie wilt
hebben. In
Maaiprofielen
worden de productinstellingen,
kaartobjecten en de instellingen ervan opgeslagen.
4.13 Firmware draadloos downloaden
(Firmware over the air FOTA)
Het product heeft een functie waarmee automatisch
nieuwe firmware wordt gedownload. Wanneer er
nieuwe firmware beschikbaar is, wordt er een melding
weergegeven in de app waarin u kunt selecteren de
nieuwe firmware te installeren. In de fabrieksinstelling is
deze functie ingeschakeld.
1576 - 007 - 28.11.2023 Instellingen - 25

5 Werking
5.1 Hoofdschakelaar
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product gebruikt.
• Zet de hoofdschakelaar in de stand
1
om het
product te starten.
• Zet de hoofdschakelaar in de stand
0
om het
product op OFF te zetten.
5.2 Product starten
1. Druk op de STOP-knop op het product.
2. Zet de hoofdschakelaar in stand
1
.
3. Open de Automower
®
Connect-app.
4. Voer de pincode in.
5. Selecteer een bedrijfsmodus in de app. Zie
Bedieningsmodus Start selecteren op pagina 26
.
6. Druk op de groene START-knop op het product.
7. Selecteer een bedrijfsmodus in de app.
5.3 Bedieningsmodus Start selecteren
1. Open de app op uw mobiele apparaat.
2. Selecteer
Start
en selecteer een
bedieningsmodus:
Schema hervatten
,
appDrive
of
Werkgebied selecteren
.
5.3.1 Schema hervatten
Het product blijft werken in het geplande werkgebied.
Het maait het gras en wordt automatisch opgeladen.
5.3.2 appDrive
Gebruik de appDrive om het product handmatig te
bedienen.
5.3.2.1 Het product gebruiken met appDrive
Gebruik de knoppen om het product te bedienen:
• Gebruik de knop omhoog (A) om het product naar
voren te verplaatsen.
• Gebruik de knop omlaag (A) om het product naar
achteren te verplaatsen.
• Gebruik de knop met de
pijl naar links (C) om het
product naar links te draaien.
• Gebruik de knop met de pijl naar rechts (D) het
product naar rechts te draaien.
• Gebruik de middelste knop (E) als joystick om het
product in een willekeurige richting te bewegen en
te draaien.
A
D
B
C
E
Let op: Loop 2-3 m / 6.5-9.8 ft. achter het product
wanneer u het product gebruikt met appDrive.
5.3.3 Werkgebied selecteren
Deze functie laat het product tijdelijk werken in een
geselecteerd werkgebied. Voor werkgebieden met een
onregelmatig patroon kunt u een tijdslimiet voor deze
functie selecteren. Na deze tijd blijft het product werken
zoals ingesteld in het schema. Voor werkgebieden
met een systematisch patroon maait het product totdat
het geselecteerde werkgebied is voltooid. Wanneer het
product het werkgebied heeft gemaaid, blijft het werken
zoals het is ingesteld in het schema.
5.3.3.1 Bijgebied
Om het product te laten werken in een bijgebied,
moet u het product handmatig naar en van het
bijgebied verplaatsen. Het product maait gedurende een
geselecteerde periode, of totdat de accu leeg is.
5.4 Bedieningsmodus - Parkeren
Wanneer u
Parkeren
selecteert in de app, kunt u de
volgende bewerkingen selecteren:
•
Parkeer tot nader order
•
Selecteer de duur
5.4.1 Parkeer tot nader order
De bedrijfsmodus
Parkeren
betekent dat het product
terugkeert naar het laadstation, waar het blijft staan
totdat er een nieuwe bedrijfsmodus wordt geselecteerd
en de START-knop wordt ingedrukt.
26
- Werking 1576 - 007 - 28.11.2023

5.4.2 Selecteer de duur
Het product keert terug naar het laadstation en blijft daar
gedurende de geselecteerde parkeerduur. Gebruik de
bedieningsmodus om tijdelijk een lopende maaicyclus te
stoppen en het product in het laadstation te laten blijven.
5.4.3 Bedieningsmodus - Pauzeren
Wanneer u
Pauzeren
in de Automower
®
Connect-app
selecteert, stopt het product de huidige activiteit en
wordt het gepauzeerd. Het product is gepauzeerd totdat
Parkeren
of
Starten
in de Automower
®
Connect-app is
geselecteerd.
5.5 Product stoppen
1. Druk op de knop STOP boven op het product.
Het product stopt en de maaimotor stopt.
Let op: Wanneer u opnieuw op de knop START
drukt, blijft het product in dezelfde bedieningsmodus als
voorheen werken.
5.6 Het product in de OFF-stand zetten
1. Druk op de knop STOP.
2. Verbind het product met Bluetooth
®
op kort bereik
in de app.
Let op:
Het product kan niet op OFF worden
gezet als het niet verbonden is met de app via
Bluetooth
®
.
3. Zet de hoofdschakelaar in de stand
0
.
5.7 De accu opladen
Wanneer het product nieuw is of na langdurige opslag
kan de accu leeg zijn. Laad de accu op voordat u het
product start.
1. Zet de
hoofdschakelaar in de stand
1
.
2. Plaats het product in het laadstation zodat de
laadplaatjes de contactplaatjes raken.
3. Controleer of het product laadt in de Automower
®
Connect-app.
1576 - 007 - 28.11.2023 Werking - 27

6 Onderhoud
6.1 Introductie - onderhoud
WAARSCHUWING: Zet het product
op OFF voordat u onderhoud aan het
product uitvoert.
WAARSCHUWING: Draag
veiligheidshandschoenen.
Voor een betere werking en langere levensduur van het
product reinigt u het product regelmatig en vervangt u
versleten onderdelen.
Wanneer het product nieuw is, controleert u de
maaischijven en messen elke week. Bij geringe slijtage
kunt u het interval voor de volgende controle van
de maaischijven en messen verlengen. Inspecteer de
maaischijven en de bladen vaker als er veel slijtage is.
Het is belangrijk dat de maaischijf soepel draait en
dat de randen van de messen niet beschadigd zijn.
De gebruikelijke levensduur van de messen is 2 tot
5 weken. De volgende omstandigheden kunnen de
levensduur van de messen verlengen of verkorten:
• Bedrijfstijd en grootte van het werkgebied.
• Lengte en dikte van het gras.
• grond, zand en het gebruik van kunstmest.
• Voorwerpen zoals kegels, gereedschappen,
stenen en wortels in het werkgebied.
Let op: Het maairesultaat kan onbevredigend zijn als
de messen bot zijn. Zie
De bladen vervangen op pagina
30
voor het vervangen van de bladen.
6.2 Onderhoudsschema
Het onderhoudsschema laat zien hoe service en
onderhoud aan het product moeten worden uitgevoerd.
Volg het onderhoudsschema voor een beter bedrijf en
een langere levensduur van het product.
X = De instructies zijn opgenomen in deze
gebruikershandleiding.
O = De instructies zijn niet opgenomen in deze
gebruikershandleiding. Neem contact op met uw
erkende servicedealer.
Ter voorbereiding Wekelijks Elk jaar Elke drie
jaar
Reinig het product. Zie
Product reinigen op pagina 29
. X
Controleer het product op beschadiging en slijtage. X
Voer een update van de firmware uit. O
Controleer de servicemeldingen op aanbevolen upgrades. O
Onderhoud
Controleer de messen en vervang de messen en messchroeven indien nodig.
Zie
De bladen vervangen op pagina 30
.
X
Controleer en polijst de contactplaatjes op het laadstation. X
Controleer en polijst de laadplaatjes op het product. X
Laad de accu volledig op voordat het product wordt opgeslagen. Zie
De accu
opladen op pagina 27
.
X
Controleer de wielen op slijtage. O
Controleer en reinig de stootbuffers. Controleer het aanhaalmoment van de
stootbuffers voor en achter.
O
Controleer of het product correct koppelt en laadt. O
28 - Onderhoud 1576 - 007 - 28.11.2023

Ter voorbereiding Wekelijks Elk jaar Elke drie
jaar
Controleer de kabel en connector naar de laadplaatjes op de behuizing van het
product.
O
Controleer de rubberen doorvoertules op het chassis om er zeker van te zijn dat
dit goed is afgedicht.
O
Controleer de glijplaat en het glijplaatlager. O
Controleer de rubberen balgen in het systeem van de maaihoogte instelling. O
Controleer de rubberen balgen van de stootbuffers. O
Vervang de rubberen balgen van de stootbuffers. O
Controleer en reinig het luchtstroomfilter. O
Vervang het luchtstroomfilter. O
Controleer het aanhaalmoment van de chassisschroeven. O
Open het chassis en vervang alle afdichtstrips. O
Laatste stap
Gebruik een software-servicetool om een werkingstest van de functies van het
product uit te voeren.
O
6.3 Product reinigen
Husqvarna adviseert een speciale set voor reiniging
en onderhoud, verkrijgbaar als accessoire. Neem
voor meer informatie contact op met uw Husqvarna-
vertegenwoordiger.
OPGELET: Reinig het product en het
laadstation niet met een hogedrukspuit.
Gebruik geen oplosmiddelen voor reiniging.
6.3.1 Het chassis en de maaischijf reinigen
Inspecteer de maaischijf en de messen wekelijks.
1. Zet de hoofdschakelaar in de stand
0
.
2. Til het product op z'n kant.
3. Zorg ervoor dat de bladen onbeschadigd zijn en
dat de bladen en de maaischijf vrij kunnen draaien.
4. Reinig de maaischijf en het chassis met een
borstel.
6.3.2 Het chassis reinigen
• Reinig de onderkant van het chassis met een
borstel of een vochtige doek.
6.3.3 De wielen reinigen
Het product werkt niet naar behoren op hellingen als de
wielen door gras worden geblokkeerd.
• Gebruik een zachte borstel om de wielen schoon
te maken.
6.3.4 De behuizing van het product reinigen
• Gebruik een vochtige doek en een milde
zeepoplossing om de behuizing van het product te
reinigen.
6.3.5 Het laadstation reinigen
WAARSCHUWING: Ontkoppel de
voeding van het stopcontact voordat
u onderhoudswerkzaamheden verricht, of
wanneer u het laadstation of de voeding
reinigt.
OPGELET: Gebruik geen
hogedrukreiniger of stromend water om het
laadstation te reinigen.
1576 - 007 - 28.11.2023 Onderhoud - 29

Let op: Het product kan niet in het laadstation
worden geplaatst als er zich voorwerpen in het
laadstation bevinden. Reinig het laadstation regelmatig.
• Verwijder gras, takjes en andere objecten van het
laadstation.
6.4 De bladen vervangen
WAARSCHUWING: Husqvarna kan
de veiligheid alleen garanderen als u
Husqvarna originele bladen met het H-logo
met het kroontje gebruikt.
WAARSCHUWING: U moet de
schroeven vervangen wanneer u de bladen
vervangt. De gebruikte schroeven kunnen
snel slijten en ervoor zorgen dat het blad
los komt te zitten. Dit kan ernstig letsel
veroorzaken.
Vervang versleten of beschadigde bladen voor een
veilig bedrijf. Vervang de bladen regelmatig voor een
bevredigend maairesultaat en laag energiegebruik. De 5
messen en de schroeven moeten allemaal op hetzelfde
moment worden vervangen zodat het maaisysteem
uitgebalanceerd blijft.
6.4.1 Messen vervangen
1. Druk op de STOP-knop.
2. Zet de hoofdschakelaar in de stand
0
.
3. Plaats het product met de maaischijf omhoog op
een zacht en schoon oppervlak.
4. Draai de glijplaat totdat de openingen op één lijn
liggen met de schroeven voor het mes.
5. Verwijder de 5 schroeven met een
schroevendraaier.
6. Verwijder de 5 messen.
7. Breng 5 nieuwe messen en schroeven aan.
8. Zorg ervoor dat de messen vrij kunnen draaien.
6.5 De wielborstels vervangen
De wielborstels op het product verwijderen gras van
de wielen van het product. Controleer regelmatig de
wielborstels en vervang ze als ze versleten zijn.
Husqvarna raadt aan de wielborstels elke 5-10 weken
te vervangen.
6.6 Accu
OPGELET:
Laad de accu volledig op
voordat het product wordt opgeslagen. Als
de accu niet volledig is opgeladen, kan dit
schade aan de accu veroorzaken.
Als de bedrijfstijd van het product tussen twee
laadbeurten korter dan is normaal, geeft dit aan dat de
accu het einde van de levensduur heeft bereikt. Vervang
de accu om de bedrijfstijd te verlengen.
Let op:
De levensduur van de accu hangt af van
de lengte van het seizoen en het aantal uren dat het
product dagelijks actief is. Een lang seizoen of veel
bedrijfsuren per dag betekent dat de accu vaker moet
worden vervangen.
30 - Onderhoud 1576 - 007 - 28.11.2023

6.7 Winterbeurt
Breng uw product voor een servicebeurt naar uw
Husqvarna Central Service Station voordat u het stalt
voor de winter. Regelmatig winteronderhoud houdt het
product in goede staat en zorgt ervoor dat dit het nieuwe
seizoen optimaal en storingvrij kan beginnen.
Een servicebeurt omvat gewoonlijk het volgende:
• Grondige reiniging van de behuizing, het chassis,
de maaischijf en alle andere bewegende delen.
• Testen van de functies en componenten van het
product.
• Controle en eventuele vervanging van aan slijtage
onderhevige onderdelen, zoals messen en lagers.
• Testen van de accucapaciteit van het product en
een aanbeveling voor vervanging van de accu
indien nodig.
• Als er nieuwe firmware beschikbaar is, wordt het
product bijgewerkt.
1576 - 007 - 28.11.2023 Onderhoud - 31

7 Probleemoplossing
7.1 Meldingen
De meldingen in de onderstaande tabel worden weergegeven in de app. Neem contact op met uw Husqvarna-
vertegenwoordiger als dezelfde melding vaak wordt weergegeven.
Melding Oorzaak Actie
Maaisysteem geblokkeerd
De maaischijf wordt geblokkeerd door
gras of andere voorwerpen.
Controleer de maaischijf en verwijder het
gras of ander materiaal.
De maaischijf bevindt zich in water. Verplaats het product en neem maatre-
gelen om het ophopen van water in het
werkgebied te voorkomen.
Het gras is hoog en dik. Pas de maaihoogte aan op de hoogte
van het gras.
Pas de schema-instellingen aan om de
bedrijfstijd te verlengen.
Vastgereden
Het product bevindt zich achter een aan-
tal obstakels in een klein gebied.
Controleer of er obstakels zijn in het ge-
bied die het voor het product moeilijk ma-
ken om weg te rijden van deze plek en
verwijder deze obstakels.
32 - Probleemoplossing 1576 - 007 - 28.11.2023

Melding Oorzaak Actie
Geen lussignaal
De voeding of de laagspanningskabel
voor het laadstation is niet aangesloten.
Als de led-indicator op het laadstation
niet brandt, betekent dit dat er geen
voeding is. Controleer de aansluiting op
het stopcontact en de aardlekschakelaar.
Controleer of de laagspanningskabel is
aangesloten op het laadstation.
De voeding of de laagspanningskabel
voor het laadstation is beschadigd.
Vervang de voeding of de laagspan-
ningskabel.
De
ECO-modus
is geactiveerd, en de
led-indicator op het laadstation knippert
groen. Het product is handmatig gestart
in het werkgebied, maar de STOP-knop
werd niet ingedrukt voordat het product
van het laadstation werd verwijderd. Het
signaal van het laadstation wordt uitge-
schakeld en het product kan niet in het
laadstation komen. Zie
ECO-modus op
pagina 23
.
Plaats het product in het laadstation.
Start het product. Zie
Product starten op
pagina 26
.
Het product vindt het lussignaal van het
laadstation niet.
Plaats het product in het laadstation en
maak een nieuw lussignaal. Zie
Nieuw
lussignaal op pagina 24
.
Het laadstation is niet correct geïnstal-
leerd.
Installeer het laadstation volgens de in-
structies. Zie
Laadstation monteren op
pagina 16
.
Interferentie door metalen voorwerpen
zoals hekwerk, wapeningsstaal of onder-
grondse kabels in de buurt van het laad-
station.
Wijzig de positie van het laadstation.
Buiten werkgebied
Het werkgebied is te steil voor de virtuele
grens.
Controleer of de virtuele grens correct is
aangebracht. Zie
Installatie van de kaar-
tobjecten op pagina 17
.
Het transportpad of het pad naar het on-
derhoudspunt loopt te veel af.
Controleer of het transportpad correct is
aangebracht. Zie
Een transportpad ma-
ken op pagina 20
.
Het product kan het juiste signaal laad-
station niet vinden vanwege interferentie
met een lussignaal van een andere pro-
ductinstallatie in de buurt.
Plaats het product in het laadstation en
maak een nieuw lussignaal. Zie
Nieuw
lussignaal op pagina 24
.
Interferentie door metalen voorwerpen
zoals hekwerk, wapeningsstaal of onder-
grondse kabels in de buurt van het laad-
station.
Wijzig de positie van het laadstation.
1576 - 007 - 28.11.2023 Probleemoplossing - 33

Melding Oorzaak Actie
Lege accu
Het product kan het laadstation niet vin-
den.
Het product heeft geen nauwkeurige po-
sitie en kan het laadstation niet vinden.
Er is een obstakel waardoor het product
het laadstation niet kan vinden.
De accu is aan het einde van de levens-
cyclus.
Vervang de accu. Zie
Accu op pagina 30
.
De antenne van het laadstation is defect. Als de led-indicator op het laadstation
rood knippert is de antenne van het laad-
station defect. Neem contact op met uw
erkende servicedealer.
Geslipt
Het product heeft een obstakel geraakt
en is gestopt of de wielen hebben geen
grip op het natte gras.
Beweeg het product en verhelp de oor-
zaak van het probleem. Als nat gras
de oorzaak is, wacht dan tot het gazon
droog is voordat u het product opnieuw
gebruikt.
Het werkgebied bevat een steile helling. De maximaal gegarandeerde helling is
45%. Steilere hellingen moeten worden
geïsoleerd. Zie
De kaartobjecten op een
helling installeren op pagina 15
.
Wielmotor overbelast rechts,
links
Er zit gras of ander materiaal rond het
aandrijfwiel.
Controleer het aandrijfwiel en verwijder
gras of ander materiaal.
Laadstation geblokkeerd
Er is geen goede verbinding tussen de
laadplaatjes op het product en de con-
tactplaatjes op het laadstation. Het pro-
duct heeft een aantal pogingen gedaan
om op te laden.
Plaats het product in het laadstation en
controleer of de laadplaatjes en de con-
tactplaatjes contact maken.
Een voorwerp verhindert dat het product
het laadstation inrijdt.
Verwijder het voorwerp.
Het laadstation is gekanteld of verbogen. Zet de bodemplaat op een vlakke onder-
grond.
Vast in laadstation
Een voorwerp verhindert dat het product
het laadstation uitrijdt.
Verwijder het voorwerp.
De bodemplaat heeft een nat of vuil op-
pervlak dat verhindert dat het product uit
het laadstation beweegt.
Reinig de bodemplaat van het laadstati-
on.
Ondersteboven
Het product is gekanteld of is onderste-
boven.
Plaats het product in de juiste positie.
Maaier gekanteld
Het product is meer gekanteld dan de
maximale hoek.
Beweeg het product naar een gebied met
een effen oppervlak.
Opgetild
De tilsensor is geactiveerd omdat het
product is opgetild.
Beweeg het product. Indien het probleem
zich blijft voordoen, neem dan contact op
met uw erkende servicedealer.
34 - Probleemoplossing 1576 - 007 - 28.11.2023

Melding Oorzaak Actie
Botsing
De behuizing van het product kan niet vrij
bewegen rond het chassis.
Verwijder vuil of een voorwerp tussen het
chassis en de behuizing van het product.
Zorg ervoor dat de behuizing van het
product vrij rond het chassis kan bewe-
gen.
Het product kan niet voor- of achteruitrij-
den.
Verwijder het voorwerp dat verhindert dat
het product kan werken.
Wielmotor geblokkeerd,
rechts/links
Het wiel wordt geblokkeerd door gras of
andere voorwerpen.
Controleer het wiel en verwijder gras of
ander materiaal.
Alarm! Maaier gestopt
Het alarm is gestart omdat het product is
gestopt.
Pas de beveiligingsinstellingen aan in het
menu
Veiligheid
. Zie
Veiligheid op pagina
24
.
Alarm! Maaier buiten Geo-
Fence
Het alarm is geactiveerd omdat het pro-
duct uit het GeoFence-gebied is ver-
plaatst.
Alarm! Maaier is verplaatst
Het alarm is gestart omdat het product is
verplaatst.
Elektronisch probleem
Tijdelijk probleem met de elektronica of
firmware van het product.
Start het product opnieuw op. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan
contact op met uw erkende servicedea-
ler.
Probleem met lussensor
Kantelsensorprobleem
Tijdelijk probleem
Onjuiste subapparaatcombi-
natie
Tijdelijk accuprobleem
Verkeerde combinatie van
accu's
Probleem met botssensor
Tilsensorprobleem
Ultrasoon probleem
Probleem met GPS-navigatie
Probleem met laadsysteem
Er is corrosie of vuil op de laadplaten en
de contactplaten.
Start het product opnieuw op. Maak de
laadplaten op het product en de contact-
platen op het laadstation goed schoon.
Tijdelijk probleem met de elektronica of
firmware van het product.
Start het product opnieuw op. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan
contact op met uw erkende servicedea-
ler.
Accuprobleem
Tijdelijk probleem met de accu of firm-
ware van het product.
Start het product opnieuw op. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan
contact op met uw erkende servicedea-
ler.
Verkeerd type accu. Gebruik alleen originele accu's die door
de fabrikant worden aanbevolen.
1576 - 007 - 28.11.2023 Probleemoplossing - 35

Melding Oorzaak Actie
Accutemperatuur buiten de li-
mietwaarden
Het product kan niet starten omdat de
temperatuur in de accu te hoog of te laag
is.
Het product begint te werken wanneer
de temperatuur in de accu is gedaald.
Zorg er voor dat het laadstation in een
tegen zonlicht beschermde omgeving is
geplaatst.
Laadstroom te hoog
Onjuiste of defecte voeding. Controleer of de voedingseenheid en het
laadstation niet defect zijn. Zorg ervoor
dat u de correcte voedingseenheid en
het laadstation gebruikt. Start het product
opnieuw op. Indien het probleem zich
blijft voordoen, neem dan contact op met
uw erkende servicedealer.
Kaartprobleem
Er is geen gedefinieerd werkgebied. Maak een werkgebied in de Automower
®
Connect-app. Zie
Een werkgebied ma-
ken op pagina 19
.
Het kaartobjectbestand is onjuist. Controleer de kaart in de app. Pas de
kaart aan en sla deze op.
Verwijder de kaart en voer een nieuwe
installatie uit.
Werkgebied verknoeid
Tijdelijk elektronisch probleem of firmwa-
reprobleem.
Start het product opnieuw op. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan
contact op met uw erkende servicedea-
ler.
Het laadstation is verplaatst. Verplaats het laadstation naar de oor-
spronkelijke positie of installeer het laad-
station opnieuw in de app om de nieuwe
positie in te stellen.
Het referentiestation is verplaatst. Verplaats het referentiestation naar de
oorspronkelijke positie of installeer het
referentiestation opnieuw in de app om
de nieuwe positie in te stellen. Als het
referentiestation naar een nieuwe positie
wordt verplaatst, moet u de fabrieksin-
stellingen herstellen en de installatie met
alle kaarten opnieuw uitvoeren.
Aandrijfwielprobleem, rechts/
links
Het wiel wordt geblokkeerd door gras of
andere voorwerpen.
Controleer het aandrijfwiel en verwijder
gras of ander materiaal.
36 - Probleemoplossing 1576 - 007 - 28.11.2023

Melding Oorzaak Actie
Zoeken naar positie
Zwak satellietsignaal naar het referentie-
station.
Het satellietsignaal is tijdelijk zwak. Het
product begint te maaien wanneer de sa-
tellietsignalen goed zijn.
Onderzoek de installatie van het refe-
rentiestation. Raadpleeg de bedienings-
handleiding voor het referentiestation.
Zwak satellietsignaal naar het product. Het satellietsignaal is tijdelijk zwak. Het
product begint te maaien wanneer het
satellietsignaal goed is.
Controleer of er een object zit tussen
het product en de lucht dat interferentie
met het satellietsignaal kan veroorzaken.
Verwijder het object of voer een nieuwe
installatie uit om deze onderdelen niet op
te nemen in het werkgebied. Zie
Installa-
tie van de kaartobjecten op pagina 17
Geen nauwkeurige positie
van satellieten
Zwak satellietsignaal naar het referentie-
station.
Onderzoek de installatie van het refe-
rentiestation. Raadpleeg de bedienings-
handleiding voor het referentiestation.
Zwak satellietsignaal naar het product. Controleer of er een object zit tussen
het product en de lucht dat interferentie
met het satellietsignaal kan veroorzaken.
Verwijder het object of voer een nieuwe
installatie uit om deze onderdelen niet
op te nemen in het werkgebied. Zie
Een
werkgebied maken op pagina 19
Communicatieprobleem refe-
rentiestation
Het product is niet verbonden met het
referentiestation.
Koppel het product en het referentiestati-
on.
Het referentiestation is niet correct geïn-
stalleerd.
Onderzoek de installatie van het refe-
rentiestation. Raadpleeg de bedienings-
handleiding voor het referentiestation.
Het product ontvangt geen radiosignaal
van het referentiestation in alle gebieden
waar het product werkt.
Test of het product radiosignaal van het
referentiestation in alle delen van het
werkgebied heeft. Als dit niet het geval
is, voert u de installatie van het referen-
tiestation of de installatie van de kaart
opnieuw uit. Zie
Installatie van de kaar-
tobjecten op pagina 17
.
Stroomstoring. Zoek en verhelp de oorzaak van de
stroomstoring van het referentiestation.
Er is een fout opgetreden in het refe-
rentiestation en de led-indicator knippert
rood.
Koppel de voeding naar het referentie-
station los en sluit deze opnieuw aan om
het referentiestation opnieuw te starten.
Indien het probleem zich blijft voordoen,
neem dan contact op met uw erkende
servicedealer.
Er is een interferentie met een ander re-
ferentiestation of andere radiosystemen
in het gebied.
Start het product opnieuw op. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan
contact op met uw erkende servicedea-
ler.
1576 - 007 - 28.11.2023 Probleemoplossing - 37

Melding Oorzaak Actie
Onverwachte maaihoogte-
inst.
De maaihoogte-instelling kan niet bewe-
gen.
Controleer de maaihoogte-instelling en
verwijder gras of ander materiaal. Indien
het probleem zich blijft voordoen, neem
dan contact op met uw erkende service-
dealer.
Beperkt bereik maaihoogte
Probleem met maaihoogte
Maaihoogte geblokkeerd
Grote onbalans maaisysteem
Het product heeft trillingen in de maai-
schijf gedetecteerd.
Controleer de bladen en schroeven op
schade en slijtage. Zorg ervoor dat alle
bladen correct zijn aangebracht en dat er
slechts één blad op elke positie van de
maaischijf is bevestigd.
Onbalans maaisysteem
Te veel waypoints
Er zijn te veel waypoints in het huidige
werkgebied.
Voer een nieuwe installatie van het werk-
gebied, de te vermijden zone en de
transportpaden uit. Maak minder way-
points. Verdeel het huidige werkgebied in
meer werkgebieden.
Bestemming niet bereikbaar
Er is geen transportpad tussen het laad-
station en het werkgebied of het onder-
houdspunt.
Maak een transportpad tussen het laad-
station en het werkgebied of het onder-
houdspunt.
Het transportpad wordt geblokkeerd en
het product kan niet naar het werkge-
bied, het laadstation of het onderhouds-
punt gaan.
Zorg ervoor dat het transportpad niet ge-
blokkeerd is of verwijder het transportpad
en maak een nieuw transportpad.
Geen voeding in laadstation
Onjuiste of defecte voeding. Onderzoek de voeding. Vervang indien
nodig de voeding.
Stroomstoring. Zoek en verhelp de oorzaak van de
stroomstoring van het referentiestation.
Er is geen goede verbinding tussen de
laadplaatjes op het product en de con-
tactplaatjes op het laadstation.
Controleer of de laadplaten en de con-
tactplaten zijn aangesloten.
Meerdere referentiestations
Er is meer dan één referentiestation in de
buurt van het werkgebied. Dit kan interfe-
rentie voor het product veroorzaken van
een ander referentiestation.
Neem contact op met uw erkende ser-
vicedealer als hetzelfde probleem vaak
voorkomt.
Connectiviteitsprobleem
Probleem met de Automower
®
Connect-
module.
Start het product opnieuw op. Als het
connectiviteitsprobleem blijft bestaan,
moet u het product van Automower
®
Connect loskoppelen en een nieuwe kop-
peling uitvoeren. Neem contact op met
uw lokale Husqvarna-vertegenwoordiger
als het probleem blijft bestaan.
Verkeerde pincode
Er is een verkeerde pincode ingevoerd.
Er zijn 5 pogingen toegestaan, daarna
wordt het product gedurende enige tijd
vergrendeld.
Voer de juiste pincode in. Als de pincode
onjuist is, gebruikt u de koppeling in de
app om de pincode naar uw geregistreer-
de e-mailadres te verzenden. Neem con-
tact op met uw lokale Husqvarna-verte-
genwoordiger als u het e-mailadres niet
hebt geregistreerd.
38 - Probleemoplossing 1576 - 007 - 28.11.2023

7.2 LED-indicator op het laadstation
Voor een volledig werkende installatie moet het indicatielampje in het laadstation constant groen branden of groen
knipperen. Volg Problemen oplossen hieronder als het lampje een andere kleur heeft.
Op www.husqvarna.com vindt u nog meer hulp. Spreek met uw Husqvarna-vertegenwoordiger bij u in de buurt als u
nog steeds hulp nodig hebt.
Licht Status
Constant groen licht Goede signalen.
Groen knipperend licht De signalen zijn goed en de
ECO-modus
is geactiveerd. Zie
ECO-modus op pagina
23
.
Rood knipperend licht Onderbreking in de antenne van het laadstation. Neem contact op met uw plaatselij-
ke Husqvarna-vertegenwoordiger.
Constant rood licht Storing in de printplaat of onjuiste voeding in het laadstation. De storing moet wor-
den verholpen door een erkende servicemonteur. Neem contact op met uw plaatse-
lijke Husqvarna-vertegenwoordiger.
7.3 Led-indicator op het product
De led-indicator op het bedieningspaneel van het product toont de huidige productstatus:
Led-indicatielamp-
je
Productstatus
Constant groen Het product maait het gazon of rijdt uit het laadstation.
Knippert groen Het product bereidt zich voor om het bedrijf te starten.
Knippert groen Het product staat in de
pauzemodus
.
Knippert rood Het product is gestopt vanwege een fout.
Brandt geel De STOP-knop is ingedrukt.
Knippert geel Om het product te starten, moet de juiste pincode worden ingevoerd.
Brandt blauw Het product beweegt naar het laadstation of een onderhoudspunt.
Er is een app verbonden met het product met Bluetooth
®
, de led-indicator brandt 3 seconden
blauw.
Knippert blauw Het product wordt opgeladen in het laadstation.
Knippert blauw Het product is geparkeerd in het laadstation.
Het product kan op dit moment de Bluetooth
®
vinden en verbinding maken met Bluetooth
®
.
Brandt wit Het product staat in de appDrive-modus.
Knippert wit Het product gaat naar de OFF-stand.
Firmware-installatie wordt uitgevoerd.
Knippert wit Nieuwe firmware moet geïnstalleerd zijn.
Op www.husqvarna.com vindt u meer informatie. Neem voor meer informatie contact op met uw erkende
servicedealer.
1576 - 007 - 28.11.2023
Probleemoplossing - 39

7.4 Symptomen
Als het product niet correct werkt, raadpleegt u de onderstaande symptomentabel.
Symptomen Oorzaak Actie
De hoofdschakelaar is inge-
steld op stand
0
, maar het
product staat niet op OFF.
De hoofdschakelaar is ingesteld op stand
0
, maar het product is niet erbonden met
de Automower
®
Connect-app met Blue-
tooth
®
. Het product is gedeactiveerd,
maar niet op OFF gezet.
Zet de hoofdschakelaar op stand
1
en
verbind het product met de Automower
®
Connect-app met Bluetooth
®
en zet de
hoofdschakelaar op stand
0
.
Het product kan niet in het
laadstation rijden.
Het laadstation is niet op een vlakke on-
dergrond geplaatst.
Plaats het laadstation op een vlakke
ondergrond. Zie
Onderzoeken waar het
laadstation moet worden geplaatst op pa-
gina 11
.
Het laadstation is te ver van het werkge-
bied geplaatst.
Maak een nieuw werkgebied of verplaats
het laadstation.
Het product maait op het ver-
keerde tijdstip.
De tijd en datum van het product moeten
worden ingesteld.
Stel de tijd en datum in. Zie
Tijd & datum
op pagina 24
.
De start- en stoptijd voor het maaien zijn
onjuist.
Wijzig de schema-instellingen. Zie
Sche-
ma op pagina 22
.
Het product trilt. Het maaisysteem is niet in balans van-
wege beschadigde messen.
Controleer de messen en schroeven en
vervang ze indien nodig. Zie
De bladen
vervangen op pagina 30
.
Het maaisysteem is niet in balans van-
wege te veel messen in dezelfde positie.
Controleer of er bij elke schroef slechts
één mes is gemonteerd.
Er zijn messen van verschillende dikte op
het product gemonteerd.
Controleer of de messen een verschillen-
de dikte hebben en vervang ze indien
nodig.
Het product werkt, maar de
maaischijf draait niet.
Het product rijdt in het laadstation. Normaal gebruik van het product. De
maaischijf draait niet als het product naar
het laadstation rijdt.
Het product werkt minder
lang dan gewoonlijk tussen
laadcycli.
De maaischijf is geblokkeerd door gras of
ander materiaal.
Verwijder en reinig de maaischijf. Zie
Het
chassis en de maaischijf reinigen op pa-
gina 29
.
De accu is aan het einde van de levens-
cyclus.
Vervang de accu. Zie
Accu op pagina 30
.
Het gras is hoog en dik. Verhoog de maaihoogte en verlaag deze
vervolgens wanneer het gras korter is.
De bedrijfstijd en de laadtijd
zijn korter dan normaal.
De accu is aan het einde van de levens-
cyclus.
Vervang de accu. Zie
Accu op pagina 30
.
40 - Probleemoplossing 1576 - 007 - 28.11.2023

Symptomen Oorzaak Actie
Het product staat urenlang
geparkeerd in het laadstation.
Het product is geparkeerd vanwege het
ingestelde
Schema
of omdat
Parkeren
tot nader order
is geselecteerd.
Wijzig de instellingen van het
Schema
of
start het product.
Het product werkt niet als de temperatuur
van de accu te hoog of te laag is.
Het product begint weer te werken wan-
neer de temperatuur tussen de ingestel-
de limietwaarden ligt en de schema-in-
stellingen het product laten werken. Zorg
er voor dat het laadstation in een te-
gen zonlicht beschermde omgeving is
geplaatst.
Het product beweegt in cir-
kels of spiralen.
Het product werkt regelmatig in
Spiraal-
vormig maaien
.
Pas de intensiteit van het
Spiraalvormig
maaien
aan of schakel uit indien nodig.
Zie
Spiraalvormig maaien op pagina 23
.
Het product werkt een aantal
minuten in een kleine ruimte.
Het product volgt de GPS-ondersteunde
navigatie.
Normaal gebruik van het product.
Het product kan geen verbin-
ding maken met het mobiele
apparaat.
Het product is verbonden met een ander
mobiel apparaat of een andere app.
Schakel de app in alle andere gekoppel-
de apparaten uit.
Het maairesultaat is niet be-
vredigend.
Het product werkt voor een korte perio-
de.
Verleng de maaitijd. Zie
Schema op pagi-
na 22
.
Verhoog het intensiteitsniveau in de
Weertimer
of schakel de
Weertimer
uit.
Het werkgebied is te groot. Probeer het werkgebied te verkleinen of
de bedrijfstijd te verlengen. Zie
Schema
op pagina 22
.
Botte messen. Vervang alle messen. Zie
De bladen ver-
vangen op pagina 30
.
Lang gras ten opzichte van de ingestelde
maaihoogte.
Verhoog de maaihoogte en verlaag deze
vervolgens wanneer het gras korter is.
Grasophoping bij de maaischijf of rond
de motoras.
Verwijder het opgehoopte gras en maak
het product schoon. Zie
Het chassis en
de maaischijf reinigen op pagina 29
.
Het patroon of de richting van het pa-
troon is onvoldoende voor het werkge-
bied.
Selecteer een andere richting van het pa-
troon of een ander patroon.
Versleten gras op hellingen. De helling is te steil. De maximaal gega-
randeerde helling is 45%.
Isoleer de helling met een te vermijden
zone.
Het patroon of de richting van het pa-
troon is onvoldoende voor de helling.
Selecteer een andere richting van het pa-
troon of een ander patroon. Voor een
systematisch patroon raadt Husqvarna
aan dat de richting van het systemati-
sche patroon recht boven de helling ligt
en niet parallel aan de helling.
1576 - 007 - 28.11.2023 Probleemoplossing - 41

8 Vervoer, opslag en verwerking
8.1 Transport
De meegeleverde Li-ion-accu's voldoen aan de
wettelijke vereisten voor gevaarlijke goederen.
• Neem alle van toepassing zijnde nationale
voorschriften in acht.
• Neem de bijzondere voorschriften op de
verpakking en labels voor commercieel transport
in acht. Dit geldt ook voor derden en expediteurs.
8.2 Opslag
• Laad het product volledig op. Zie
De accu opladen
op pagina 27
.
• Koppel het product los met de hoofdschakelaar.
Zie
Het product in de OFF-stand zetten op pagina
27
.
• Reinig het product. Zie
Product reinigen op pagina
29
.
• Bewaar het product in een droge, vorstvrije ruimte.
• Laat het product met alle wielen op een vlakke
ondergrond staan tijdens opslag, of gebruik een
wandhanger van Husqvarna.
• Als u het laadstation binnen zet, koppelt u de
voeding los van het laadstation en verwijdert u
deze.
Let op: Als u het laadstation buiten zet, koppelt u de
voeding en de connectoren niet los.
8.3 Afvoeren
• Neem de plaatselijk geldende wet- en regelgeving
voor recycling in acht.
• Raadpleeg
De accu's verwijderen op pagina 42
voor vragen over het verwijderen van de accu.
8.3.1 De accu's verwijderen
OPGELET:
Verwijder de accu’s alleen
wanneer u het product afdankt. Indien u
het garantiezegel verwijdert, is garantie van
Husqvarna niet langer geldig.
1. Koppel het product los met de hoofdschakelaar.
Zie
Het product in de OFF-stand zetten op pagina
27
.
2. Trek aan de doorvoer op de oplaadkabel aan
de voorkant van het product en verwijder de
connector voorzichtig.
3. Breng de afscherming omhoog, één hoek per keer.
4. Verwijder de 14 schroeven met een Torx 20.
5. Til de achterste rand van het bovenste deel van
het chassis op.
6. Trek de kabel los van de hoofdprintplaat.
7. Verwijder het bovenste deel van het chassis.
8. Verwijder de drie schroeven waarmee de accu is
bevestigd met een Torx 20.
9. Koppel de aansluiting van de accu's los van de
hoofdprintplaat.
42
- Vervoer, opslag en verwerking 1576 - 007 - 28.11.2023

9 Technische gegevens
9.1 Technische gegevens
Afmetingen Automower
®
520 EPOS Automower
®
550 EPOS
Lengte, cm/inch 72/28,3 72/28,3
Breedte, cm/inch 56/22,0 56/22,0
Hoogte, cm/inch 32/12,6 32/12,6
Gewicht, kg / lb 13,8 / 30,4 13,8 / 30,4
Elektrisch systeem Automower
®
520 EPOS Automower
®
550 EPOS
Accu, lithium-ion 18V, 5,0 Ah, art.nr. 593 11 84-01, 593 11 85-01, 593 11
84-03, 593 11 84-04, 593 11 84-05,
593 11 84-06
593 11 84-01, 593 11 85-01, 593 11
84-03, 593 11 84-04, 593 11 84-05,
593 11 84-06 (2 stuks) 5,0 Ah/accu
Voeding (28 V DC), V AC 100-240 100-240
Laagspanningskabel voor laadstation,
lengte m/ft.
10/33 10/33
Gemiddeld energieverbruik bij maxi-
maal gebruik, kWh/maand
14 23
Laadstroom, A DC 2,2 7
Type voedingseenheid voor laadstati-
on
6
ADP-60PR XX, FW7438/28/D/XX/Y FW7458/28/D/XX/Y, ADP-200MR
XX
Gemiddelde maaitijd, min 75 210
Gemiddelde laadtijd, min 85 60
Draadantenne laadstation Automower
®
520 EPOS Automower
®
550 EPOS
Bedrijfsfrequentieband, Hz 100-80.000 100-80.000
Maximaal magnetisch veld, dBuA/m 82 82
Max. radiofrequentievermogen
7
, mW
bij 60 m
<25 mW bij 60 m <25 mW bij 60 m
6
XX, YY kunnen willekeurige alfanumerieke tekens zijn of leeg zijn voor marketingdoeleinden, geen technische
verschillen.
7
Maximaal actief uitgangsvermogen naar antennes in de frequentieband waarop de radioapparatuur is inge-
steld.
1576 - 007 - 28.11.2023 Technische gegevens - 43

Geluidsemissie gemeten in de omge-
ving als geluidsvermogen
8
Automower
®
520 EPOS Automower
®
550 EPOS
Geluidsniveau (waargenomen), dB (A) 62 66
Gemeten geluidsvermogensniveau, dB
(A)
62 66
Onzekerheidsmarge geluidsemissies
K
WA
, dB (A)
1 2
Geluidsdrukniveau bij het oor van de
gebruiker, dB (A)
9
54 58
Maaien Automower
®
520 EPOS Automower
®
550 EPOS
Maaisysteem 5 scharnierende messen 5 scharnierende messen
Maximaal toerental maaimotor, tpm 2500 2500
Energieverbruik tijdens maaien, W +/-
20%
30 35
Maaihoogte, cm / inch 2-6 / 0,8-2,4 2-6 / 0,8-2,4
Maaibreedte, cm / inch 24/9,4 24/9,4
Smalst mogelijke doorgang, m / ft. 2/6,5 2/6,5
Maximale helling voor maaigebied, % 45 45
Maximale hellingsgraad voor virtuele
grens, %
15 15
Gebiedscapaciteit - Standaard 48 (on-
regelmatig patroon), m
2
/ acre(s)
2500 / 0,62 5000 / 1,25
Gebiedscapaciteit - Sport 24 (systema-
tisch patroon), m
2
/ acre(s)
2500 / 0,62 5000 / 1,25
Gebiedscapaciteit - Standaard 48 (sys-
tematisch patroon), m
2
/ acre(s)
5000 / 1,25 10000/2,5
Gebiedscapaciteit - Max 72 (systema-
tisch patroon), m
2
/ acre(s)
7500 / 1,85 15000 / 3,7
Gebied per uur, zonder opladen, m
2
/
ft
2
175 / 1900 300 / 3200
IP-code Automower
®
520 EPOS Automower
®
550 EPOS
Robotmaaier IPX4 IPX4
Laadstation IPX1 IPX1
Laadstation voeding IP44 IP44
8
Bepaald overeenkomstig richtlijn 2006/42/EG en norm EN 50636-2-107. Behalve Geluidsniveau (waargeno-
men), dit wordt gemeten volgens ISO 11094:1991.
9
Onzekerheidsmarge geluidsdrukniveau K
pA
2-4dB (A).
44 - Technische gegevens 1576 - 007 - 28.11.2023

Ondersteuning frequentiebanden
Bluetooth
®
-frequentiebereik 2400,0-2483,5 MHz
Automower
®
Connect 2G GSM 850 MHz, E-GSM 900 MHz, DCS 1800 MHz, PCS 1900 MHz
Automower
®
Connect 4G Band 12 (700 MHz), Band 17 (700 MHz), Band 28 (700 MHz), Band 13 (700 MHz),
Band 20 (800 MHz), Band 26 (850 MHz), Band 5 (850 MHz), Band 19 (850 MHz),
Band 8 (900 MHz), Band 4 (1700 MHz), Band 3 (1800 MHz), Band 2 (1900 MHz)
SRD868 (Europa) 863-870 MHz
SRD915 (Noord-Amerika) 902-928 MHz
SRD915 (Australië) 915-928 MHz
SRD915 (Nieuw-Zeeland) 915-928 MHz
Vermogensklasse
Bluetooth
®
-uitgangsvermogen 8 dBm
Automower
®
Connect 2G Vermogensklasse 4 (GSM/E-GSM) 33 dBm
Vermogensklasse 1 (DCS/PCS) 30 dBm
Vermogensklasse E2 (GSM/E-GSM) 27 dBm
Vermogensklasse E2 (DCS/PCS) 26 dBm
Automower
®
Connect 4G Vermogensklasse 3 23 dBm
SRD868 (Europa) 13 dBm
SRD915 (Noord-Amerika) 13 dBm
SRD915 (Australië) 13 dBm
SRD915 (Nieuw-Zeeland) 13 dBm
Afwijkingen van deze algemene technische gegevens zijn opgenomen in de landspecifieke hoofdstukken.
We kunnen niet garanderen dat het product volledig compatibel is met andere typen draadloze systemen, zoals
afstandsbedieningen, radiozenders, ringleidingen, verzonken elektrische afrasteringen en dergelijke.
De producten zijn geproduceerd in Engeland of Tsjechië. Zie de informatie op het productplaatje. Zie
Productoverzicht
op pagina 8
.
9.2 Geregistreerde handelsmerken
Het
Bluetooth
®
-woordmerk en de logo’s zijn geregistreerde handelsmerken die eigendom zijn van
Bluetooth SIG, inc.
en het gebruik van deze merken door Husqvarna vindt plaats onder licentie.
1576 - 007 - 28.11.2023
Technische gegevens - 45

10 Verklaring van overeenstemming
10.1 Originele EU-verklaring van overeenstemming
46 - Verklaring van overeenstemming 1576 - 007 - 28.11.2023

10.2 Vertaalde EU-verklaring van overeenstemming
Wij, Husqvarna AB, SE 561 82 Huskvarna,
SWEDEN, Tel. +46 36 146500, verklaren onder onze
alleenverantwoordelijkheid dat het product:
Beschrijving Robotmaaier
Merk Husqvarna
Type/model HUSQVARNA AUTOMOWER
®
550 EPOS
Identificatie Serienummers vanaf 2023 week 44
volledig voldoet aan de volgende EU-richtlijnen en
-regelgeving:
Richtlijn/Verordening Beschrijving
2006/42/EC "Betreffende machines"
2014/53/EU "Betreffende radioapparatuur"
2011/65/EU "Beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen"
en dat de volgende normen en/of technische
specificaties zijn toegepast;
• IEC 60335-1:2010+A1:2013+A2:2016 (EN
60335-1:2012+AC:2014+A11:2014+A13:2017+A1
5:2021)
• IEC 60335-2-107:2017+A1:2020+A2:2021 (EN
50636-2-107:2015+A1:2018+A2:2020+A3:2021)
• EN ISO 12100:2010
• EN IEC 63000:2018
• EN 61000-6-1:2007
• EN 61000-6-3:2007+A1:2011+AC:2012
• ETSI EN 301 489-1 V1.9.2
• ETSI EN 301 489-3 V2.3.2
• ETSI EN 301 489-17 V3.2.4
• ETSI EN 301 489-19 V2.2.1
• ETSI EN 301 489-52 V1.2.1
• ETSI EN 303 447 V1.3.1
• ETSI EN 300 328 V2.2.2
• ETSI EN 300 220-1 V3.1.1
• ETSI EN 300 220-2 V3.1.1
• ETSI EN 301 908-1 V15.1.1
• ETSI EN 301 908-13 V13.2.1
• ETSI EN 301 511 V.12.5.1
• ETSI EN 303 413 V1.2.1
De aangemelde instantie CETECOM GmbH, No. 0680,
heeft een typegoedkeuringscertificaat afgegeven met
nr. M22-1047-01-TEC betreffende Artikel 3.2 van
2014/53/EU.
Manne Alzén
Huskvarna
Directeur Pro Robotics R&D. Husqvarna AB, Husqvarna
Forest and Garden. Verantwoordelijk voor technische
documentatie.
1576 - 007 - 28.11.2023 Verklaring van
overeenstemming - 47

10.3 Originele EU-verklaring van overeenstemming
48 - Verklaring van overeenstemming 1576 - 007 - 28.11.2023

10.4 Vertaalde EU-verklaring van overeenstemming
Wij, Husqvarna AB, SE 561 82 Huskvarna,
SWEDEN, Tel. +46 36 146500, verklaren onder onze
alleenverantwoordelijkheid dat het product:
Beschrijving Robotmaaier
Merk Husqvarna
Type/model HUSQVARNA AUTOMOWER
®
520 EPOS
Identificatie Serienummers vanaf 2023 week 47
volledig voldoet aan de volgende EU-richtlijnen en
-regelgeving:
Richtlijn/Verordening Beschrijving
2006/42/EC "Betreffende machines"
2014/53/EU "Betreffende radioapparatuur"
2011/65/EU "Beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen"
en dat de volgende normen en/of technische
specificaties zijn toegepast;
• IEC 60335-1:2010+A1:2013+A2:2016 (EN
60335-1:2012+AC:2014+A11:2014+A13:2017+A1
5:2021)
• IEC 60335-2-107:2017+A1:2020+A2:2021 (EN
50636-2-107:2015+A1:2018+A2:2020+A3:2021)
• EN ISO 12100:2010
• EN IEC 63000:2018
• EN 61000-6-1:2007
• EN 61000-6-3:2007+A1:2011+AC:2012
• ETSI EN 301 489-1 V1.9.2
• ETSI EN 301 489-3 V2.3.2
• ETSI EN 301 489-17 V3.2.4
• ETSI EN 301 489-19 V2.2.1
• ETSI EN 301 489-52 V1.2.1
• ETSI EN 303 447 V1.3.1
• ETSI EN 300 328 V2.2.2
• ETSI EN 300 220-1 V3.1.1
• ETSI EN 300 220-2 V3.1.1
• ETSI EN 301 908-1 V15.1.1
• ETSI EN 301 908-13 V13.2.1
• ETSI EN 301 511 V.12.5.1
• ETSI EN 303 413 V1.2.1
De aangemelde instantie CETECOM GmbH, No. 0680,
heeft een typegoedkeuringscertificaat afgegeven met
nr. M22-1047-01-TEC betreffende Artikel 3.2 van
2014/53/EU.
Manne Alzén
Huskvarna
Directeur Pro Robotics R&D. Husqvarna AB, Husqvarna
Forest and Garden. Verantwoordelijk voor technische
documentatie.
1576 - 007 - 28.11.2023 Verklaring van
overeenstemming - 49

50 - Verklaring van overeenstemming 1576 - 007 - 28.11.2023

1576 - 007 - 28.11.2023 Verklaring van
overeenstemming - 51

www.husqvarna.com
AUTOMOWER
®
is een handelsmerk van Husqvarna AB.
Copyright
©
2023 HUSQVARNA. All rights reserved.
Originele instructies
1143610-36
2023-12-08
