
NL, Nederlands
Gebruiksaanwijzing
HUSQVARNA AUTOMOWER
®
435X AWD NERA
Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en gebruik de
machine niet voordat u de instructies goed hebt begrepen.

Inhoud
1 Veiligheid
1.1 Veiligheidsdefinities
...............................................4
1.2 Algemene veiligheidsinstructies............................ 4
1.3 Veiligheidsinstructies voor installatie.....................5
1.4 Veiligheidsinstructies voor bediening.................... 5
1.5 Veiligheidsinstructies voor onderhoud.................. 6
1.6 Veiligheid bij accu's............................................... 6
1.7 Product optillen en verplaatsen.............................6
2 Inleiding
2.1 Steun.....................................................................8
2.2 Productbeschrijving...............................................8
2.3 Productoverzicht .................................................. 9
2.4 Symbolen op het product.................................... 10
2.5 Led-statusindicator..............................................11
2.6 Symbolen op de accu..........................................11
2.7 Symbolen op het display..................................... 11
2.8 Overzicht menustructuur in Automower
®
Access.......................................................................12
2.9 Symbolen in de app............................................ 13
2.10 Algemene gebruiksinstructies........................... 13
2.11 Schade aan het product.................................... 13
3 Installatie met EPOS
™
-technologie
3.1 Inleiding - installatie.............................................14
3.2 Systeemoverzicht voor EPOS
™
-installatie..........14
3.3 Hoofdonderdelen voor de installatie....................15
3.4 Voorbereiden op installatie..................................15
3.5 Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst.......................................................15
3.6 Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst.......................................................15
3.7 Onderzoeken waar de voeding moet
worden geplaatst.......................................................16
3.8 Onderzoeken waar de virtuele grenzen
moeten worden geïnstalleerd....................................17
3.9 Montage van het product.................................... 19
4 Installatie met begrenzingsdraad
4.1 Inleiding - installatie.............................................25
4.2 Hoofdonderdelen voor de installatie....................25
4.3 Voorbereiden op installatie..................................25
4.4 Vóór de installatie van de draden........................25
4.5 Montage van het product.................................... 30
5 Instellingen
5.1 Schema............................................................... 34
5.2 Maaihoogte......................................................... 34
5.3 Patroon................................................................34
5.4 Werking
............................................................... 35
5.5 Installatie-instellingen..........................................35
5.6 Accessoires.........................................................37
5.7 Algemeen (alleen Bluetooth
®
).............................37
5.8 Veiligheid.............................................................37
5.9 Automower
®
Connect (alleen Bluetooth
®
).......... 38
5.10 Meldingen..........................................................38
5.11 Maaiprofielen.....................................................38
5.12 Firmware draadloos downloaden
(Firmware over the air FOTA)................................... 38
5.13 Automower
®
Intelligent Mapping (AIM) ............38
5.14 Het laadstation opnieuw installeren op de
kaart.......................................................................... 38
5.15 Het referentiestation opnieuw installeren
op de kaart................................................................ 39
6 Werking
6.1 Product op ON zetten..........................................40
6.2 Bedieningsmodus Start selecteren..................... 40
6.3 Bedieningsmodus - Parkeren..............................41
6.4 Product stoppen.................................................. 41
6.5 Het product in de OFF-stand zetten....................41
6.6 De accu opladen................................................. 41
7 Onderhoud
7.1 Introductie - onderhoud....................................... 43
7.2 Onderhoudsschema............................................43
7.3 Product reinigen.................................................. 44
7.4 De bladen vervangen.......................................... 45
7.5 Accu.................................................................... 46
7.6 Winterbeurt..........................................................46
8 Probleemoplossing
8.1 Introductie - problemen oplossen........................48
8.2 Foutpictogrammen op het Automower
®
Access-display.......................................................... 48
8.3 Meldingen............................................................50
8.4 Led-indicator van het laadstation........................ 58
8.5 Symptomen......................................................... 59
8.6 Breuken in de lusdraad opsporen....................... 61
9 Vervoer, opslag en verwerking
9.1 Transport.............................................................64
9.2 Opslag.................................................................64
9.3 Afvoeren..............................................................64
10 Technische gegevens
10.1 Technische gegevens....................................... 66
2 1404 - 017 -

10.2 Geregistreerde handelsmerken.........................68
11 Verklaring van overeenstemming
11.1 Originele EU-verklaring van
overeenstemming
......................................................69
11.2 Vertaalde EU-verklaring van
overeenstemming......................................................70
1404 - 017 - 3

1 Veiligheid
1.1 Veiligheidsdefinities
Waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en
opmerkingen worden gebruikt om te wijzen op
belangrijke delen van de handleiding.
WAARSCHUWING: Wordt gebruikt
om te wijzen op de kans op ernstig of
fataal letsel voor de gebruiker of omstanders
wanneer de instructies in de handleiding niet
worden gevolgd.
OPGELET: Wordt gebruikt indien er
een risico bestaat op schade aan het
product en andere eigendommen of aan
de omgeving wanneer de instructies in de
handleiding niet worden gevolgd.
Let op: Geven verdere informatie die nodig is in een
bepaalde situatie.
1.2 Algemene veiligheidsinstructies
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Lees de bedieningshandleiding zorgvuldig door en
zorg dat u de instructies hebt begrepen voordat u
het product gaat gebruiken. Bewaren om later te
kunnen raadplegen.
•
Het apparaat is niet bedoeld voor gebruik door
kinderen of personen met fysieke, zintuiglijke of
geestelijke beperkingen (die van invloed kunnen
zijn op het veilig bedienen van het product), of
een gebrek aan kennis en ervaring, tenzij ze
begeleiding bij of aanwijzingen voor het gebruik
van het apparaat hebben ontvangen van een
persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid.
Volgens EU-vereisten mag het apparaat echter
worden gebruikt door kinderen vanaf 8 jaar en
ouder en andere personen die ondanks hun
fysieke, sensorische of geestelijke handicap of
gebrek aan ervaring en kennis onder toezicht of
instructie van een verantwoordelijke persoon in
staat zijn veilig gebruik te maken van het apparaat
en op de hoogte zijn van alle gevaren. Kinderen
mogen niet spelen met het apparaat. Kinderen
mogen het apparaat niet zonder toezicht reinigen
of onderhouden.
• Het product mag uitsluitend worden gebruikt
in combinatie met apparatuur aanbevolen door
Husqvarna. Elk ander gebruik is onjuist.
• Om schade aan het product en ongelukken
met voertuigen en personen te voorkomen, mag
u geen werkgebieden en transportpaden over
openbare paden installeren.
•
Het product is geen speelgoed. De messen van
het product kunnen letsel veroorzaken bij mensen
en dieren.
• Houd kinderen jonger dan 8 jaar buiten het
werkgebied terwijl u het product gebruikt. Kinderen
en huisdieren moeten te allen tijde onder toezicht
staan.
• Alle personen moeten zich op een afstand van
minimaal 3 m/10 ft van het product bevinden
wanneer het in bedrijf is. Slaap of zonnebaad
bijvoorbeeld niet in het werkgebied wanneer het
product in bedrijf is.
• Er moeten waarschuwingsborden worden
geplaatst rondom het werkgebied van het product
als het in openbare gebieden wordt gebruikt.
De borden moeten de volgende tekst bevatten:
Waarschuwing! Automatische gazonmaaier! Blijf
uit de buurt van de machine! Houd toezicht op
kinderen!
• Gebruik het product niet wanneer u het handmatig
bedient met appDrive. Zorg ervoor dat u te allen
tijde een veilige en stabiele positie hebt. Zorg
ervoor dat er zich geen personen in de buurt
van het product bevinden wanneer het op steile
hellingen werkt. Draag altijd stevig schoeisel en
een lange broek als u het product gebruikt met
appDrive.
• Om het product uit te schakelen gaat u achter
het product staan en drukt u op de STOP-knop.
U kunt de app gebruiken om het product te
pauzeren als dit van toepassing is op uw product.
Wanneer het product is uitgeschakeld, moet u
minimaal 3seconden wachten voordat u het
product verplaatst.
• Zet het product op OFF voordat u een blokkade
verhelpt, onderhoud uitvoert of het product
onderzoekt, en als het product abnormaal begint
te trillen. Controleer het product op beschadiging
voordat u het opnieuw start. Gebruik het product
niet als het beschadigd is.
• Raak geen bewegende gevaarlijke onderdelen,
zoals de maaischijf, aan voordat de maaier volledig
tot stilstand is gekomen.
• Als zich een letsel of ongeval voordoet, dient u
medische hulp in te schakelen.
• Plaats de voedingskabel en de verlengkabel niet
in het werkgebied. Dit kan schade aan de kabels
veroorzaken.
• Sluit geen beschadigde kabel of stekker aan en
raak een beschadigde kabel niet aan voordat
de kabel is losgekoppeld van het stopcontact.
4 - Veiligheid 1404 - 017 -

Koppel de stekker los van het stopcontact
als de kabel beschadigd raakt tijdens het
gebruik. Een versleten of beschadigde kabel
verhoogt het risico op elektrische schokken. Een
beschadigde kabel moet worden vervangen door
onderhoudspersoneel.
•
Wanneer u de voedingskabel op het stopcontact
aansluit, moet u een aardlekschakelaar (RCD)
gebruiken met een afschakelstroom van maximaal
30 mA.
• Laad het product alleen op in het meegeleverde
laadstation. Voor veilig afvoeren van de accu
raadpleegt u
Afvoeren op pagina 64
. Onjuist
gebruik kan leiden tot elektrische schokken,
oververhitting of lekkage van corroderende
vloeistof uit de accu. Spoelen met water/
neutralisatiemiddel in geval van lekkage van
elektrolyt. Roep medische hulp in als er bijtende
vloeistof in uw ogen komt.
• Gebruik alleen originele accu's die worden
aanbevolen door Husqvarna. De veiligheid van
het product kan niet worden gegarandeerd met
niet-originele accu's. Gebruik geen niet-oplaadbare
accu's.
• Volg de installatie-instructies, inclusief de
instructies om het werkgebied te specificeren, zie
Inleiding - installatie op pagina 25
.
• Volg de instructies voor het starten en gebruiken
van het product, zie
Werking op pagina 40
.
• Als er kans op onweer is, raadt Husqvarna
aan om de voedingskabel en alle draden naar
het laadstation los te koppelen om het risico
op schade aan elektrische componenten te
verminderen. Sluit de voedingskabel en alle
draden weer aan als er geen onweer meer dreigt.
Het is belangrijk dat alle draden correct zijn
aangesloten.
• Volg de onderhoudsinstructies op en gebruik
indien nodig originele reserveonderdelen van
Husqvarna, zie
Onderhoud op pagina 43
.
• Voor technische gegevens zoals gewicht,
afmetingen en geluidsemissiewaarden raadpleegt
u
Technische gegevens op pagina 66
.
• De gebruiker is verantwoordelijk in geval van
ongelukken of gevaren met betrekking tot andere
personen of eigendommen.
• Het product mag uitsluitend worden bediend,
onderhouden en gerepareerd door personen die
volledig vertrouwd zijn met de speciale kenmerken
van en veiligheidsregels voor het product.
• Het is niet toegestaan om het originele ontwerp
van het product te wijzigen.
• Volg de nationale voorschriften voor elektrische
veiligheid.
• Husqvarna staat niet garant voor volledige
compatibiliteit tussen het product en andere typen
draadloze systemen, zoals afstandsbedieningen,
radiozenders of dergelijke.
• Het ingebouwde alarm maakt een zeer hard
geluid. Let op, in het bijzonder wanneer het
product in een gesloten ruimte wordt gehanteerd.
•
Het bedrijfs- en opslagtemperatuurbereik is 0-50
°C / 32-122 °F. Het temperatuurbereik voor
het opladen is 5-45 °C / 41-113 °F. Te hoge
temperaturen kunnen schade aan het product
veroorzaken.
1.3 Veiligheidsinstructies voor
installatie
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Installeer het laadstation niet in een gebied waar er
struikelgevaar bestaat.
•
Installeer het laadstation, inclusief accessoires,
niet op een plek die zich onder of binnen 60
cm / 24 inch van brandbaar materiaal bevindt. In
geval van een storing kunnen het laadstation en
de voeding heet worden en kan er brandgevaar
ontstaan.
• Zet de voeding niet op een hoogte waar er een
risico bestaat dat deze in het water komt te staan.
Zet de voeding niet op de grond.
• Kapsel de voeding niet in. Condenswater kan de
voeding beschadigen en het risico op elektrische
schokken vergroten.
• Installeer het laadstation niet op een plek waar
zich ongedierte bevindt, zoals mieren.
• Van toepassing voor USA/Canada. Als de
voedingseenheid buiten is opgesteld: Risico van
elektrische schok. Alleen aansluiten op een
afgedekt GFCI-stopcontact (RCD), klasse A, dat
voorzien is van een behuizing die waterdicht is,
ongeacht of de kap van de aansluitstekker is
geplaatst.
• Installeer het laadstation niet op een plek waar er
een risico bestaat op water vorming.
1.4 Veiligheidsinstructies voor
bediening
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Houd handen en voeten uit de buurt van roterende
messen. Plaats uw handen of voeten niet in de
buurt van of onder het product wanneer het op ON
staat.
•
Gebruik de functie Parkeren of zet het product op
OFF wanneer personen, vooral kinderen, of dieren
zich in het werkgebied bevinden. Zie
Het product
1404 - 017 - Veiligheid - 5

in de OFF-stand zetten op pagina 41
. Husqvarna
raadt aan om het product in te stellen op gebruik
wanneer er in het werkgebied geen activiteit is.
Het product kan 's nachts letsel bij dieren in het
werkgebied veroorzaken, bijvoorbeeld bij egels.
Zie
Het product in de OFF-stand zetten op pagina
41
.
• Controleer of er geen voorwerpen zoals stenen,
takken, gereedschappen of speelgoed op het
gazon aanwezig zijn. De messen kunnen
beschadigd raken als ze een voorwerp raken.
• Til het product niet op en verplaats het niet
wanneer het op ON is gezet.
• Laat het product niet in botsing komen met
personen of dieren. Als een persoon of dier in
de baan van het product komt, moet het product
onmiddellijk worden gestopt. Zie
Product stoppen
op pagina 41
.
• Zet geen objecten boven op het product of het
laadstation.
• Gebruik het product niet als de STOP-knop niet
werkt.
• Zet het product altijd op OFF wanneer u het niet
gebruikt. Het product kan alleen worden gestart als
u de juiste pincode invoert.
• Gebruik het product niet tegelijkertijd met een pop-
up-sproeier. Gebruik de functie
Schema
zodat het
product en de pop-up-sproeier niet tegelijkertijd
werken. Zie
Schema op pagina 34
.
• Gebruik dit product niet als er plassen water in
het werkgebied bevinden. Bijvoorbeeld als zware
regenval waterplassen veroorzaakt.
1.5 Veiligheidsinstructies voor
onderhoud
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u
onderhoud aan het product gaat uitvoeren.
• Zet het product op OFF voordat u onderhoud aan
het product uitvoert.
•
Reinig het product niet met een hogedrukspuit.
Gebruik geen oplosmiddelen om het product te
reinigen.
• Ontkoppel de stekker naar het laadstation voordat
u reinigings- of onderhoudswerkzaamheden
verricht aan het laadstation.
1.6 Veiligheid bij accu's
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
• Lithium-ionaccu's kunnen ontploffen of brand
veroorzaken, indien gedemonteerd, kortgesloten,
blootgesteld aan water, brand of hoge
temperaturen. Behandel de accu voorzichtig,
demonteer de accu niet, open de accu niet en
voorkom elektrisch/mechanisch misbruik. Zet een
accu niet in direct zonlicht.
1.7 Product optillen en verplaatsen
WAARSCHUWING: Het product
moet op OFF zijn gezet voordat u het optilt.
Het product staat op OFF wanneer de led-
indicator uitgaat.
OPGELET: Til het product niet op
als het in het laadstation is geparkeerd.
Hierdoor kan het laadstation en/of het
product worden beschadigd. Druk op de
STOP-knop en trek het product uit het
laadstation voordat u het optilt.
1. Druk op de STOP-knop om het product te stoppen.
2. Voer indien nodig de pincode in.
3.
Druk 3 seconden op het draaiwiel om het product
op de stand OFF te zetten.
4. Controleer of de groene led-statusindicator naar de
OFF-stand gaat.
5. Til het product op aan het handvat.
6 - Veiligheid 1404 - 017 -

1404 - 017 - Veiligheid - 7

2 Inleiding
Fabriekspincode: 1234
Serienummer:
Productnummer:
Het serienummer en het productnummer staan op het productplaatje en op de productverpakking.
•
Registreer uw product op www.husqvarna.com. Voer het serienummer van het product, het productnummer en
de aankoopdatum in om uw product te registreren.
2.1 Steun
Neem contact op met uw Husqvarna
-dealer voor
ondersteuning met betrekking tot het product.
2.2 Productbeschrijving
Let op: Husqvarna
werkt het uiterlijk en de werking
van producten regelmatig bij. Zie
Steun op pagina 8
.
Het product is een robotmaaier. Het product bevat een
accu en maait het gras automatisch. Hierbij wisselen
maaien en laden elkaar continu af. Het product werkt
totdat de laadstatus van de accu laag is of totdat het
werkgebied gemaaid is, en gaat vervolgens naar het
laadstation. Het bewegingspatroon van het product kan
worden ingesteld op onregelmatig of systematisch. Deze
regelmatige maaitechniek verbetert de kwaliteit van het
gras en vermindert het gebruik van meststoffen. Het
gras hoeft niet te worden verzameld.
De gebruiker selecteert de instellingen voor de werking
in Automower
®
Access op het product. Het display
toont de geselecteerde en mogelijke instellingen voor de
werking, en de bedrijfsmodus van het product.
2.2.1 Installatiemethode
U kunt het product installeren met een
begrenzingsdraad of zonder begrenzingsdraad met
EPOS
™
.
Voor het aanbrengen van de begrenzingsdraad, zie
Installatie met begrenzingsdraad op pagina 25
. Voor
installatie met EPOS
™
, zie
Installatie met EPOS
™
-
technologie op pagina 14
.
2.2.2 Automower
®
Access
Automower
®
Access is de gebruikersinterface van het
product en bevat het display, het draaiwiel, de START-
knop en de STOP-knop. In Automower
®
Access kunt
u de maaihoogte instellen en het product starten,
stoppen en parkeren. Zie
Overzicht menustructuur in
Automower
®
Access op pagina 12
.
2.2.3 Automower
®
Connect
Automower
®
Connect is een mobiele applicatie
waarmee de instellingen voor de werking op afstand
kunnen worden geselecteerd. Het product kan
verbinding maken met de app met Bluetooth
®
en
mobiele connectiviteit. Wanneer u zich in de buurt van
het product bevindt, kunt u uw mobiele apparaat en het
product verbinden met Bluetooth
®
. De verbinding met
Bluetooth
®
is noodzakelijk om bepaalde instellingen te
kunnen aanbrengen. Als het product verbonden is met
het mobiele netwerk kunt u het product vanaf elke plek
bedienen. U kunt ook de instellingen van het apparaat
aanbrengen. Zie
Installatie met begrenzingsdraad op
pagina 25
.
8 - Inleiding 1404 - 017 -

2.3 Productoverzicht
3
5
7
15
13
16
11
10
4
9
17
2
14
1
6
20
18
19
24
23
25
27
28
21
22
38
39
36
35
40
37
34
32
30
33
31
26
29
12
8
1. Voorste behuizing
2.
Ultrasone sensoren
3. Voorste bovenkap
4. Handgreep
5. Achterste kap
6. EPOS
™
module
7. Laadplaatjes
8. Achterste bovenkap
9. Koplampen
10. Voorwielen
11. Achterwielen
12. Automower
®
Access
13. Display
14. Draaiwiel
15. Led-statusindicator
16. STOP-knop
17. START-knop
18. Accudeksel
19. Achterchassis met elektronica, accu en motoren
20. Glijplaat
1404 - 017 - Inleiding - 9

21. Typeplaatje (incl. productidentificatienummer)
22.
Voorchassis met elektronica en motoren
23. Messen
24. Maaischijf
25. Contactplaten
26. Led-indicator van het laadstation
27. Laadstation
28. Voeding
1
29. Laagspanningskabel
30. Lusdraad voor begrenzingsdraad en
geleidingsdraad
2
31. Connectoren voor lusdraad
3
32. Krammen
4
33. Stekker voor de lusdraad
5
34. Schroeven voor bevestiging van het laadstation
35. Meetlat voor het installeren van de
begrenzingsdraad (de meetlat moet van de doos
van het product worden verwijderd)
36. Bedieningshandleiding en beknopte handleiding
37. Kabelmarkers
38. Extra bladen
39. Alarmsticker
40. Referentiestation
2.4 Symbolen op het product
Deze symbolen staan op het product. Bestudeer ze
zorgvuldig.
WAARSCHUWING:
Lees de
gebruikersinstructies voordat
u het product gebruikt.
WAARSCHUWING:
Schakel
het product uit voordat u
werkzaamheden aan het pro-
duct uitvoert of het product
optilt.
WAARSCHUWING:
Bewaar
een veilige afstand tot het
product als dit in gebruik is.
Houd uw handen en voeten
uit de buurt van de roterende
messen.
WAARSCHUWING:
Ga niet
op het product zitten of staan.
Plaats uw handen of voeten
niet in de buurt van of onder
het product.
Gebruik geen hogedrukreini-
ger en zelfs geen stromend
water om het product te reini-
gen.
Gebruik een losse voeding
zoals aangegeven op het ty-
peplaatje naast het symbool.
Dit product voldoet aan de geldende EU-
richtlijnen.
Dit product voldoet aan de geldende UK-
richtlijnen.
Het is niet toegestaan om dit product als
normaal huishoudelijk afval af te voeren.
Zorg dat het product wordt gerecycled
volgens de lokale wettelijke voorschriften.
Het chassis bevat onderdelen die
gevoelig zijn voor elektrostatische
ontlading (ESD). Het chassis moet ook
op een professionele manier worden
afgedicht. Daarom mag het chassis
uitsluitend worden geopend door erkende
servicemonteurs. Een defecte afdichting
kan ertoe leiden dat de volledige garantie
of een deel ervan komt te vervallen.
De laagspanningskabel mag niet worden
ingekort, verlengd of gesplitst.
Gebruik geen trimmer in de buurt van de
laagspanningskabel. Wees voorzichtig bij
het knippen van randen waar de kabels
liggen.
1
Het uiterlijk kan verschillen voor verschillende markten.
2
Is een deel van de installatiekit die afzonderlijk is aangeschaft.
3
Zie opmerking 2
4
Zie opmerking 2
5
Zie opmerking 2
10 -
Inleiding 1404 - 017 -

2.5 Led-statusindicator
Led Status
Groen licht brandt cons-
tant
In bedrijf.
Groen lampje knippert Gepauzeerd.
Groen lampje knippert Laden
Rood licht brandt cons-
tant
Fout.
Geel licht brandt cons-
tant
Gestopt.
Geel lampje knippert Wachten op pincode.
Blauw licht brandt cons-
tant
Geparkeerd en bezig met
opladen.
Blauw lampje knippert Geparkeerd en bezig met
opladen.
Blauw lampje knippert Geparkeerd/Bluetooth
®
kop-
pelen is ingeschakeld.
Wit licht brandt constant Het product wordt uitge-
schakeld / Firmware wordt
gedownload.
Wit lampje knippert Firmware-installatie wordt
uitgevoerd.
2.6 Symbolen op de accu
WAARSCHUWING: Lithium-Ion accu's
kunnen ontploffen of brand veroorzaken
indien ze zijn gedemonteerd of
kortgesloten of indien er ruw mee wordt
omgegaan. Stel ze niet bloot aan water,
vuur of hoge temperaturen.
Lees de gebruikersinstructies goed door.
Dank de accu niet af door deze in een
vuur te gooien en stel de accu niet bloot
aan een warmtebron.
Dompel de accu niet onder in water.
2.7 Symbolen op het display
Het product is in bedrijf.
Het product is geparkeerd.
Het product is gepauzeerd.
Er is een fout opgetreden.
Maaihoogte van het product.
Sterkte van het mobiele signaal.
Wi-Fi signaalsterkte.
Bluetooth
®
verbinding is ingeschakeld.
1404 - 017 - Inleiding - 11

De accu wordt opgeladen. Accuniveau.
2.8 Overzicht menustructuur in Automower
®
Access
2.8.1 Symbolen in het hoofdmenu voor
Automower
®
Access
Maaihoogte
In het menu
Maaihoogte
kunt u de
maaihoogte instellen.
Parkeren
In het menu
Parkeren
kunt u het product
zo instellen dat het tot nader order of
volgens het ingestelde schema wordt
geparkeerd.
Maaien
In het menu
Maaien
kunt u instellen dat
het product maait volgens het ingestelde
schema of u kunt het product in de
bijgebied-modus zetten.
Verbinden
In het menu
Verbinden
kunt u Bluetooth
®
inschakelen en een koppelingsbewerking
met uw mobiele apparaat uitvoeren.
Taal
In het menu
Taal
kunt u een taal op het
display selecteren.
12 - Inleiding 1404 - 017 -

Uitschakelen
Uitschakelen
schakelt het product uit.
2.8.2 Symbolen in het submenu voor
Automower
®
Access
Terug
Als u
Terug
selecteert, keert u terug naar
het hoofdmenu.
Schema
In het submenu
Schema
kunt u
de
Schema
-instellingen selecteren. De
Schema
-instellingen worden ingesteld in
de Automower
®
Connect-app.
Geselecteerde bedieningsmodus
Als u slechts één werkgebied hebt, kunt u
ervoor kiezen om het schema te negeren
en door te gaan met maaien totdat u de
bedrijfsmodus wijzigt.
Als u meer dan één werkgebied
hebt, kunt u ervoor kiezen om het
schema te negeren en slechts één
van de werkgebieden te maaien. Voor
werkgebieden met onregelmatig maaien
zal het product dit gebied maaien
totdat u de bedrijfsmodus wijzigt. Voor
systematische werkgebieden zal het
product maaien totdat het gebied is
voltooid en vervolgens in het laadstation
worden geparkeerd.
Bijgebied
In het submenu
Bijgebied
kunt u de
bedrijfsmodus
Bijgebied
selecteren. Zie
Een bijgebied maken op pagina 29
.
Verbonden
Het product en het mobiele apparaat zijn
verbonden met
Bluetooth
®
.
Niet verbonden
Het product en het mobiele apparaat zijn
niet verbonden met
Bluetooth
®
.
2.9 Symbolen in de app
Toont de status van de correctiegegevens
die het product ontvangt.
De status is
EPOS
™
bevestigd
. Het
product heeft een nauwkeurige positie
en richting. Dit is nodig om het product
automatisch te laten werken en voor de
installatie van kaartobjecten.
De status is
EPOS
™
-actie is noodzakelijk
.
Het product heeft een nauwkeurige
positie, maar het is noodzakelijk om
het product handmatig of automatisch te
bedienen voor een nauwkeurige richting.
De status is
EPOS
™
zoeken
. Het
product heeft geen nauwkeurige positie
en zoekt naar de satellietsignalen en de
correctiegegevens om een nauwkeurige
positie te verkrijgen.
2.10 Algemene gebruiksinstructies
Voor het gemak wordt het volgende systeem in de
bedieningshandleiding gebruikt:
•
Cursief
gedrukte tekst geeft teksten aan die
worden weergegeven op het display of is
een verwijzing naar een ander gedeelte in de
bedieningshandleiding.
• Vet gedrukte tekst geeft de knoppen op het
product aan.
2.11 Schade aan het product
We zijn niet verantwoordelijk voor schade aan ons
product als:
• het product niet goed is gerepareerd.
• het product is gerepareerd met onderdelen die niet
van de fabrikant afkomstig zijn, of onderdelen die
niet zijn goedgekeurd door de fabrikant.
• het product een accessoire bevat dat niet
afkomstig is van de fabrikant of niet is
goedgekeurd door de fabrikant.
• het product niet is gerepareerd door een erkend
servicepunt of door een erkende autoriteit.
1404 - 017 - Inleiding - 13

3 Installatie met EPOS
™
-technologie
3.1 Inleiding - installatie
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product monteert.
OPGELET: Gebruik originele
reserveonderdelen en origineel
installatiemateriaal.
Let op: Zie www.husqvarna.com voor meer
informatie over de installatie.
Voor installatie met EPOS
™
maakt het product gebruik
van satellieten en correctiegegevens om te navigeren.
De correctiegegevens kunnen worden ontvangen via
de Husqvarna
®
Cloud of een referentiestation. Het
referentiestation is een optionele accessoire dat u kunt
gebruiken als u geen verbinding kunt maken met de
Husqvarna
®
Cloud.
Let op: Alle landen ondersteunen geen
referentiestations of correctiegegevens via de
Husqvarna
®
Cloud. Neem voor informatie contact op uw
lokale Husqvarna
-vertegenwoordiger.
3.2 Systeemoverzicht voor EPOS
™
-installatie
6
3 4
1
2
9
9
2
5
10
13
7
8
11
12
12
1.
Satellieten
2.
Satellietsignalen
3.
Referentiestation
6
4. Husqvarna
®
Cloud
5. Correctiegegevens
14 - Installatie met EPOS
™
-technologie 1404 - 017 -
6
Niet inbegrepen.

6. Laadstation
7. Virtuele grens
8. Te vermijden zone
9. Werkgebied
10. Mobiel apparaat
7
11. Koppelpunt
12. Transportpad
13. Robotmaaier
3.3 Hoofdonderdelen voor de installatie
De installatie bevat de volgende onderdelen:
• Robotmaaier die het gazon automatisch maait.
• Oplaadstation, waarmee het product wordt
opgeladen.
• Voeding, die is aangesloten tussen het laadstation
en een stopcontact van 100-240 V.
• Referentiestation
8
, dat satellietsignalen ontvangt
en correctiegegevens naar de robotmaaier stuurt.
• Mobiel apparaat met de Automower
®
Connect-app
om de installatie van het product uit te voeren en
de instellingen te regelen.
3.4 Voorbereiden op installatie
OPGELET: Gaten met water in het
gazon kunnen schade aan het product
veroorzaken.
OPGELET: Lees het hoofdstuk over
installatie voordat u de installatie start.
• Als u EPOS
™
via Husqvarna
®
Cloud gebruikt, zorg
er dan voor dat het product mobiele dekking heeft
en correctiegegevens in het volledige werkgebied
kan ontvangen.
Let op: Als u het product niet kunt
verbinden met de Husqvarna
®
Cloud, kunt u een
referentiestation gebruiken om correctiegegevens
te ontvangen.
• Maak een blauwdruk van het werkgebied en neem
er alle obstakels in op. Dit maakt het eenvoudiger
om te onderzoeken waar het laadstation, de
virtuele grenzen en het referentiestation moeten
worden geplaatst.
• Maak een markering op de blauwdruk
waar het laadstation, het onderhoudspunt, de
transportpaden, de virtuele grenzen, de te
vermijden zones en het referentiestation moeten
worden geplaatst.
• Vul de gaten in het gazon in om het vlak te maken.
• Maai het gras voordat u het product installeert.
Zorg ervoor dat het gras maximaal
10 cm/4 inch
is.
Let op: De eerste weken na de installatie kan het
geluidsniveau bij het maaien van het gras hoger zijn dan
gewoonlijk. Het geluidsniveau wordt na verloop van tijd
lager.
3.5 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
Lees en begrijp de instructies over waar u
het referentiestation moet plaatsen. Raadpleeg de
bedieningshandleiding voor het referentiestation.
3.6 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
•
U kunt het laadstation in het werkgebied of buiten
het werkgebied plaatsen. Er is geen transportpad
nodig als het laadstation in het werkgebied wordt
geplaatst (A). Er is geen transportpad nodig als het
product zich volledig in het werkgebied bevindt als
het bij het koppelpunt van het laadstation is. Als
het laadstation en het koppelpunt (B) zich niet in
het werkgebied bevinden, moet u een transportpad
(C) installeren.
A
B
C
• U kunt het laadstation in een Automower
®
-huis
plaatsen.
• Plaats het laadstation (A) waar het koppelpunt
(B) onbelemmerd zicht op de hemel heeft. Het
koppelpunt (B) van het laadstation is waar
het product stopt na achteruitrijden van het
laadstation. De achteruitrijafstand kan worden
ingesteld op
100-300cm / 40-118inch. Husqvarna
raadt aan om te zorgen voor minimaal 6 m / 19.6 ft.
(C) vrije ruimte vóór het laadstation.
7
Niet inbegrepen.
8
Optionele accessoire dat afzonderlijk wordt aangeschaft.
1404 - 017 - Installatie met EPOS
™
-technologie - 15

B
C
A
AB
C
Let op: Een korte achteruitrijafstand vermindert
het risico op sporen. Een lange achteruitrijafstand
kan nodig zijn voor een goede ontvangst van
satellietsignalen bij het koppelpunt.
• Als het product niet mag werken in een deel van
het koppelgebied, moet u een beschermende muur
aanbrengen die minimaal
15 cm / 6 inch hoog is.
Het koppelstation (A) is een cirkelvormig gebied
rond het laadstation, met een straal van 3 m / 9.8
ft.
A
Let op: Het product gebruikt het signaal van
het laadstation om naar het laadstation te zoeken
wanneer het zich in het koppelgebied bevindt.
• Plaats het laadstation in de buurt van een
stopcontact.
•
Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond.
• De bodemplaat van het laadstation mag niet
gebogen zijn.
• Als het werkgebied twee delen heeft die zijn
gescheiden door een steile helling,Husqvarna
raden wij aan het laadstation op het laagste deel
te plaatsen.
OPGELET: Installeer het laadstation
niet op een plek waar zich metalen
objecten in de grond bevinden. Metalen
objecten kunnen interferentie met het
laadstationsignaal veroorzaken.
3.7 Onderzoeken waar de voeding
moet worden geplaatst
OPGELET: Zorg ervoor dat de messen
op het product niet de laagspanningskabel
doorsnijden.
16 - Installatie met EPOS
™
-technologie 1404 - 017 -

OPGELET: Plaats de
laagspanningskabel niet in een spoel of
onder de plaat van het laadstation. De
bobine veroorzaakt interferentie met het
signaal van het laadstation.
• Plaats de voeding in een gebied met een dak en
bescherming tegen de zon en de regen.
•
Plaats de voeding in een gebied met een goede
luchtstroom.
• Gebruik een aardlekschakelaar met een
afschakelstroom van maximaal 30 mA wanneer u
de voeding aansluit op het stopcontact.
Laagspanningskabels van verschillende lengtes zijn
verkrijgbaar als accessoires.
3.8 Onderzoeken waar de virtuele
grenzen moeten worden geïnstalleerd
OPGELET: Als het werkgebied aan
een waterpartij, helling, afgrond of openbare
weg grenst, moet er een beschermende
muur worden geplaatst. De muur moet
minimaal 15
cm/6 inch hoog zijn.
OPGELET: Laat het product niet
werken op grind.
• Voor een zorgvuldige werking zonder geluid
isoleert u alle obstakels zoals bomen, wortels en
stenen.
•
Maak een blauwdruk van het werkgebied voordat u
de virtuele grenzen installeert.
3.8.1 Kaartobjecten installeren bij
gebouwen en bomen
• Zorg dat het 90° gedeelte van de hemel
onbelemmerd is waar het product werkt.
90°
Let op: Het product kan geen signalen van
navigatiesatellieten ontvangen als de hemel wordt
belemmerd.
• Maak een te vermijden zone (B) rond bomen
en boomgroepen met een bladerdak met een
diameter van meer dan
4m/ 13ft (A).
B
A
Let op: Bomen en boomgroepen met een
bladerdak met een diameter van meer dan
4m / 13ft (A) kunnen tijdelijke stops van het
product veroorzaken. Kleinere bomen veroorzaken
gewoonlijk geen verstoring van de werking van het
product.
• Installeer de virtuele grens op een minimale
afstand (C) van 1.5m /
5ft van L-vormige
gebouwen.
1404 - 017 - Installatie met EPOS
™
-technologie
- 17

C
• Als u virtuele grenzen wilt installeren in een gebied
met een U-vormig gebouw, moet de afstand (E)
minimaal
6m / 20ft bedragen. Als het gebouw
hoger is dan 3m / 10ft moet de afstand (E)
twee keer zo groot zijn als de hoogte van het
hoogste gebouw. Installeer de virtuele grens op
een minimale afstand (D) van 1.5m / 5ft van het
object.
D
D
D
D
E
• Zorg dat de gebieden tussen objecten een afstand
(F) van minimaal 4m / 13.1ft hebben.
F
Let op: Voor gebieden minder breed dan
4
m / 13.1 ft. kan een transportpad worden gemaakt
voor de robotmaaier om door te gaan zonder te
snijden.
3.8.2 De kaartobjecten op een helling
installeren
Het product kan gebruikt worden op hellingen van
70%.
De hellingsgraad (%) wordt berekend als hoogte per m.
Voorbeeld: 10 cm/100 cm = 10%.
10 cm/ 4"
100 cm
/40"
10%
• Voor hellingen steiler dan 70% binnen het
werkgebied isoleert u de helling met een te
vermijden zone.
•
Voor hellingen grenzend aan een openbare weg
plaatst u een hek of een beschermende muur
langs de buitenrand van de helling.
• Husqvarna raadt aan om de richting van het
systematische patroon recht omhoog de helling op
in te stellen om slijtage van het gras te voorkomen.
• Installeer de virtuele grenzen op hellingen van
maximaal 50%.
3.8.3 Doorgangen
Een doorgang is een sectie met een virtuele grens aan
elke kant die twee delen van het werkgebied verbindt.
18 - Installatie met EPOS
™
-technologie 1404 - 017 -

De doorgangsbreedte moet minimaal 2m / 6.5ft zijn
voor een goed maairesultaat.
3.8.4 Onderzoeken waar te vermijden
zones moeten worden gemaakt
•
Maak te vermijden zones rond objecten die groter
zijn dan 2x2m.
• Zorg ervoor dat de te vermijden zone het volledige
gebied omvat waar het product niet mag werken
(B).
B
A
Let op: Maak geen te vermijden zone door
het werkgebied om te voorkomen dat het product
delen van het werkgebied (A) binnengaat.
• Zorg dat de te vermijden zone minimaal 30x30
cm / 1x1 ft is.
3.9 Montage van het product
3.9.1 Installatiegereedschappen
•
Inbussleutel, 8 mm. Meegeleverd in de doos.
3.9.2 Het laadstation installeren
Lees en begrijp de instructies over het laadstation.
Zie
Onderzoeken waar het laadstation moet worden
geplaatst op pagina 15
.
OPGELET: Het is niet toegestaan om
nieuwe gaten in de plaat van het laadstation
te maken.
OPGELET: Plaats uw voeten niet op de
bodemplaat van het laadstation.
WAARSCHUWING: Zorg ervoor
dat de pluggen van de laagspanningskabel
en de voedingseenheid schoon en droog
zijn voordat u ze aansluit.
Gebruik wanneer u de voeding aansluit altijd
een stopcontact dat is aangesloten op een
aardlekschakelaar (RCD).
3.9.2.1 Laadstation monteren
1.
Plaats het laadstation in het geselecteerde gebied.
2. Bevestig het laadstation aan de grond met behulp
van de bijgeleverde schroeven.
3. Sluit de laagspanningskabel aan op het
laadstation.
4. Zet de voeding op een minimale hoogte van 30
cm/ 12 inch. Zie
Onderzoeken waar de voeding
moet worden geplaatst op pagina 16
.
min 30 cm / 12”
5. Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van
100-240V.
6.
Plaats de laagspanningskabel buiten het
werkgebied in de aarde. Gebruik staken of begraaf
de kabel.
3.9.2.2 Het product opladen
1. Plaats het product in het laadstation.
Let op: Het product begint automatisch op te
laden wanneer het product zich in het laadstation
bevindt.
3.9.2.3 Visuele controle van het laadstation uitvoeren
1.
Controleer of de led-indicator op het laadstation
groen brandt.
2. Als de led-indicator niet groen is, controleert u
de installatie. Zie
Led-indicator van het laadstation
op pagina 58
en
Het laadstation installeren op
pagina 19
.
1404 - 017 - Installatie met EPOS
™
-technologie - 19

3.9.3 Om te koppelen met de Automower
®
Connect
-app
1. Download de Automower
®
Connect-app op uw
mobiele apparaat.
2. Meld u aan voor een Husqvarna-account in de
Automower
®
Connect-app en volg de instructies.
3. Voer de fabriekspincode 1234 op het product in.
4. Gebruik het draaiwiel op het product om het menu
Bluetooth
®
te selecteren om de koppelingsmodus
in te schakelen.
5. Selecteer
Mijn maaiers
in de Automower
®
Connect-app en voeg uw product toe.
6. Volg de instructies in de Automower
®
Connect-
app.
Let op: Husqvarna raadt u aan de fabriekspincode in
de app te wijzigen in een nieuwe pincode.
3.9.4 Het referentiestation installeren
Installeer het referentiestation volgens de instructies in
de gebruikershandleiding van het referentiestation.
3.9.5 Installatie van de kaartobjecten
Lees en begrijp de instructies over waar u de
kaartobjecten moet plaatsen. Zie
Objecten op de kaart
te plaatsen op pagina 21
.
Op de kaart kunt u de volgende objecten installeren in
de app:
•
Werkgebieden
(A)
•
Te vermijden zones
(B)
•
Transportpad
(C)
•
Laadstation
(D)
•
Onderhoudspunt
(E)
•
Werkgebied (bijgebied)
(F)
A
F
B
A
D
E
C
Voor een complete kaartinstallatie moet u een
werkgebied en een laadstation op de kaart installeren.
Een werkgebied wordt gespecificeerd door virtuele
grenzen. Er kunnen maximaal
20 werkgebieden en
bijgebieden op een kaart worden geïnstalleerd.
Er zijn twee soorten werkgebieden:
• Een werkgebied met daarin een laadstation of een
werkgebied dat verbonden is met een transportpad
waar het product automatisch werkt.
• Een bijgebied is een werkgebied zonder
laadstation en zonder transportpad. Het product
moet handmatig naar en van het werkgebied
worden verplaatst.
Een transportpad is een opgegeven pad tussen het
koppelpunt vóór het laadstation en een werkgebied. Het
product kan automatisch werken op dit pad, maar maait
geen gras. Een transportpad kan tijdelijk worden in- en
uitgeschakeld in de app.
Er kunnen te vermijden zones worden gemaakt als er
gebieden zijn waar het product niet mag werken. Een
te vermijden zone wordt gespecificeerd door virtuele
grenzen. Te vermijden zones kunnen tijdelijk worden in-
en uitgeschakeld in de app.
Een onderhoudspunt is een specifieke plaats waar het
product kan worden geparkeerd. Dit kan bijvoorbeeld
worden gebruikt als servicepunt waar onderhoud aan
20 - Installatie met EPOS
™
-technologie 1404 - 017 -

het product wordt uitgevoerd. Het onderhoudspunt is via
een pad verbonden met het koppelpunt.
Als u objecten op de kaart wilt plaatsen, bedient u het
product met de appDrive
-installatie om waypoints op
de kaart toe te voegen. Zie
Objecten op de kaart te
plaatsen op pagina 21
.
3.9.5.1 Objecten op de kaart te plaatsen
De waypoints (A) zijn posities die de virtuele grenzen
en paden (B) vormen. De lijnen zijn recht tussen
de waypoints. Wij raden aan om zo weinig mogelijk
waypoints te gebruiken. Voor elk werkgebied en de
bijbehorende te vermijden zones en transportpad is het
totale maximumaantal waypoints 800. Husqvarna raadt
aan om maximaal 1000 waypoints toe te voegen voor
de volledige installatie van de kaart. Gebruik meerdere
waypoints om vloeiende bochten te maken. Husqvarna
raadt u aan een minimale afstand van 30cm / 1ft aan
te houden tussen waypoints. U kunt de posities van de
waypoints aanpassen in de app, na de installatie van de
kaart.
B
A
OPGELET: Til het product niet op
en verplaats het niet tussen de waypoints
als u de kaartobjecten installeert. Gebruik
appDrive
voor een correcte installatie.
Let op: De positie van het waypoint wanneer u een
werkgebied of een te vermijden zone plaatst, bevindt
zich in de linker voorhoek van het product. De virtuele
grenzen specificeren het gebied waar het product mag
werken. Het product maait het gras dat zich naast de
virtuele grens bevindt niet vanwege de positie van de
maaischijf.
Let op: De positie van het waypoint bij de
installatie van een transportpad of een pad naar een
onderhoudspunt bevindt zich in het midden van het
product tussen de aandrijfwielen.
• Zorg ervoor dat u zich in de buurt van het product
bevindt en met het product verbonden bent via de
app door middel van
Bluetooth
®
.
• Zorg ervoor dat de status
EPOS
™
bevestigd is
in
de appDrive.
Let op: Een gamecontroller met
Bluetooth
®
kan
worden gebruikt metappDrive om het product te
bedienen.
• Controleer of de sterkte van het radiosignaal van
het referentiestation goed is. Het symbool voor de
sterkte van het radiosignaal moet volledig gevuld
zijn.
•
Selecteer het object dat u wilt plaatsen en gebruik
de knoppen in de appDrive-installatie om het
product te bedienen.
• Gebruik de knop omhoog (A) om het product naar
voren te verplaatsen.
• Gebruik de knop omlaag (B) om het product naar
achteren te verplaatsen.
• Gebruik de knop met de pijl naar links (C) om het
product naar links te draaien.
• Gebruik de knop met de pijl naar rechts (D) het
product naar rechts te draaien.
1404 - 017 - Installatie met EPOS
™
-technologie
- 21

• Gebruik de middelste knop (E) als joystick om het
product in een willekeurige richting te bewegen en
te draaien.
•
Gebruik de knop waypoint (F) om een waypoint toe
te voegen op de kaart.
A
D
F
B
C
E
Let op: Loop 2-3
m / 6.5-9.8 ft. achter het product
wanneer u het product gebruikt met appDrive.
Een werkgebied maken
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een werkgebied
te maken.
•
Bedien het product rechtsom rond de grens van
het werkgebied.
• Voeg een waypoint toe om het product het gras
aan de rand tussen het gazon en het tegelpad te
laten maaien. Zorg ervoor dat u de rand van het
gazon en het tegelpad exact volgt wanneer u een
waypoint toevoegt. Het product kan de rand exact
volgen als de hoogte van het tegelpad maximaal
1
cm / 0.4 inch is ten opzichte van het gazon.
max 1 cm / 0.4”
• Voeg het waypoint toe in de buitenste hoek om de
virtuele grens om een hoek te plaatsen.
• Stel geen waypoints in die een virtuele grens over
zichzelf laten lopen in hetzelfde werkgebied.
•
Sla het werkgebied op om het eerste en laatste
waypoint automatisch te verbinden met een
virtuele grens.
1
2
3
4
5
6
7
8
22 - Installatie met EPOS
™
-technologie 1404 - 017 -

Een te vermijden zone maken
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een te vermijden
zone te maken.
•
Bedien het product linksom rond de grens van de
te vermijden zone.
• Stel geen waypoints in die een virtuele grens over
zichzelf laten lopen in dezelfde te vermijden zone.
• Sla de te vermijden zone op om het eerste en
laatste waypoint automatisch te verbinden met een
virtuele grens.
Een transportpad maken
•
Gebruik het product en voeg waypoints toe op de
kaart om een transportpad aan te brengen. Begin
in een werkgebied op minimum 1 m / 3.3 ft. van de
virtuele grens.
• Installeer het transportpad loodrecht op de virtuele
grens van het werkgebied.
• Breng geen transportpad aan over een te
vermijden zone.
• Stel geen waypoints in die ervoor zorgen dat een
transportpad over hetzelfde transportpad loopt.
• Vermijd het maken van scherpe bochten wanneer
u het transportpad installeert.
135º
135º
<90º
• Gebruik het product en voeg waypoints toe om het
transportpad met het koppelpunt te verbinden.
•
Plaats het laatste waypoint op een transportpad
(A) in een hoek van +/-45graden ten opzichte van
het koppelpunt.
A
• Sla het transportpad op om het laatste waypoint
automatisch te verbinden met het koppelpunt.
•
Stel de doorrijbreedte (A) in voor het transportpad.
De doorrijbreedte kan worden ingesteld op 2-5 m /
6.6-16.4 ft.
B
A
Een onderhoudspunt maken
•
Gebruik het product en voeg waypoints toe op
de kaart. Begin met het toevoegen van waypoints
op de positie waar u het onderhoudspunt
wilt installeren. Het eerste waypoint geeft het
onderhoudspunt aan.
• Vermijd het maken van scherpe bochten wanneer
u een transportpad installeert.
135º
135º
<90º
• Gebruik het product en voeg waypoints toe om een
pad naar het laadstation te maken.
1404 - 017 - Installatie met EPOS
™
-technologie - 23

• Plaats het laatste waypoint op een transportpad
(A) in een hoek van +/-45graden ten opzichte van
het koppelpunt.
A
• Sla het onderhoudspunt op om het laatste
waypoint automatisch te verbinden met het
koppelpunt.
•
Stel de doorrijbreedte (A) in voor het
onderhoudspunt. De doorrijbreedte kan worden
ingesteld op 2-5 m / 6.6-16.4 ft.
A
24 - Installatie met EPOS
™
-technologie 1404 - 017 -

4 Installatie met begrenzingsdraad
4.1 Inleiding - installatie
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product monteert.
OPGELET: Gebruik originele
reserveonderdelen en origineel
installatiemateriaal.
Let op: Zie www.husqvarna.com
voor meer
informatie over de installatie.
4.2 Hoofdonderdelen voor de installatie
De installatie bestaat uit de volgende onderdelen:
•
Een robotmaaier die het gazon automatisch maait.
• Een laadstation met 3 functies:
• Controlesignalen door de begrenzingsdraad
verzenden.
• Controlesignalen langs de geleidingsdraad
sturen, zodat het product de geleidingsdraad
naar specifieke afgelegen gebieden in de
tuin kan volgen en terug kan keren naar het
laadstation.
• Het product opladen.
• Een voeding, die is aangesloten tussen het
laadstation en een stopcontact van 100-240 V.
• De lusdraad, die langs de randen van het
werkgebied wordt gelegd en ook rondom
voorwerpen en planten die de robotmaaier
niet mag raken. De lusdraad dient als
begrenzingsdraad en ook als geleidingsdraad.
4.3 Voorbereiden op installatie
OPGELET: Gaten met water in het
gazon kunnen schade aan het product
veroorzaken.
OPGELET: Lees het hoofdstuk over
installatie voordat u de installatie start.
• Maak een blauwdruk van het werkgebied en neem
er alle obstakels in op. Dit maakt het makkelijker
om te onderzoeken waar het laadstation, het
referentiestation en de virtuele grenzen moeten
worden geplaatst.
• Maak een markering op de blauwdruk waar
het laadstation, het referentiestation, het
onderhoudspunt, de transportpaden en de virtuele
grenzen voor de werkgebieden en de te vermijden
zones moeten worden geplaatst.
• Vul de gaten in het gazon in om het vlak te maken.
• Maai het gras voordat u het product installeert.
Zorg ervoor dat het gras maximaal 10 cm/4 inch
is.
Let op: De eerste weken na de installatie kan het
geluidsniveau bij het maaien van het gras hoger zijn dan
gewoonlijk. Het geluidsniveau wordt na verloop van tijd
lager.
4.4 Vóór de installatie van de draden
U kunt kiezen om de draden met staken te bevestigen
of om ze in te graven. U kunt de 2 procedures voor
hetzelfde werkgebied gebruiken.
OPGELET: Graaf de begrenzingsdraad
en de geleidingsdraad in indien u
een verticuteermachine gebruikt in het
werkgebied om te voorkomen dat ze
beschadigd raken.
4.4.1 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
•
Zorg voor minimaal 3m/10ft vrije ruimte vóór het
laadstation.
• Houd een minimum aan van 1.5 m/5 ft. vrije ruimte
rechts en links van het laadstation.
• Plaats het laadstation in de buurt van een
stopcontact.
• Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond.
• De bodemplaat van het laadstation mag niet
gebogen zijn.
max. 5 cm / 2"
max. 5 c
m / 2"
1404 - 017 - Installatie met begrenzingsdraad - 25

• Plaats het laadstation in het grootste open
gedeelte van het werkgebied.
•
Plaats het laadstation in een gebied zonder een
bewateringssysteem.
• Plaats het laadstation in een gebied met
bescherming tegen de zon.
• Als het laadstation op een eiland is geplaatst,
dient u ervoor te zorgen dat u de geleidingsdraad
met het eiland verbindt. Zie
Een eiland maken op
pagina 29
.
4.4.2 Onderzoeken waar de voeding moet
worden geplaatst
OPGELET: Zorg ervoor dat de messen
op het product niet de laagspanningskabel
doorsnijden.
• Plaats de voeding in een gebied met een dak en
bescherming tegen de zon en de regen.
•
Plaats de voeding in een gebied met een goede
luchtstroom.
• Gebruik een aardlekschakelaar met een
afschakelstroom van maximaal 30 mA wanneer u
de voeding aansluit op het stopcontact.
Laagspanningskabels van verschillende lengtes zijn
verkrijgbaar als accessoires.
4.4.3 Onderzoeken waar u de
begrenzingsdraad plaatst
OPGELET: Er dient een barrière
van minimaal
15 cm/6 inch hoog tussen
de begrenzingsdraad en waterpartijen,
hellingen, afgronden of openbare wegen te
staan. Dit voorkomt schade aan het product.
OPGELET: Laat het product niet
werken op grind.
OPGELET: Maak geen scherpe
bochten wanneer u de begrenzingsdraad
installeert.
OPGELET: Voor een zorgvuldige
werking zonder geluid isoleert u alle
obstakels zoals bomen, wortels en stenen.
De begrenzingsdraad moet als een lus om het
werkgebied worden geplaatst. De sensoren in
het product detecteren wanneer het product de
begrenzingsdraad nadert en het product een andere
richting selecteert. Alle delen van het werkgebied
moeten zich op maximaal
35 m/115 ft van de
begrenzingsdraad bevinden.
Om de verbinding tussen de geleidingsdraad en
de begrenzingsdraad eenvoudiger te maken, is het
raadzaam een oogje te maken op de plaats waar de
geleidingsdraad wordt aangesloten. Maak het oogje
circa 20 cm/8 inch van de begrenzingsdraad.
Let op: Maak een blauwdruk van het werkgebied
voordat u de begrenzingsdraad en de geleidingsdraad
installeert.
26 - Installatie met begrenzingsdraad 1404 - 017 -

A
B
C
E
D
F
• Plaats de begrenzingsdraad rond het volledige
werkgebied (A). Pas de afstand tussen de
begrenzingsdraad en de obstakels aan.
• Plaats de begrenzingsdraad 35 cm/14 inch (B) van
een obstakel dat hoger is dan 5 cm/2 inch.
35 cm /14"
> 5 cm / 2"
• Plaats de begrenzingsdraad 30 cm/12 inch (C) van
een obstakel dat 1-5
cm/0.4-2 inch hoog is.
1-5 cm / 0.4 - 2"
30 cm / 12"
• Plaats de begrenzingsdraad 10 cm/4 inch (D) van
een obstakel dat kleiner is dan
1 cm/0.4 inch.
10 cm / 4"
max 1 cm / 0.4"
• Als u een tegelpad op niveau van het gazon hebt,
plaatst u de begrenzingsdraad lager dan de tegels.
Let op: Indien het tegelpad breder is dan
30
cm/12 inch, gebruikt u de fabrieksinstelling voor de
functie
Rijd over draad
om al het gras naast het
tegelpad te maaien. Zie
Rijd over draad op pagina
36
.
• Als u een eiland maakt, plaatst u de
begrenzingsdraden die naar en van het eiland
lopen dicht bij elkaar (E). Plaats de kabels in
dezelfde kram. Zie
Een eiland maken op pagina
29
.
• Maak een oogje (F) op de plaats waar de
geleidingsdraad met de begrenzingsdraad moet
worden verbonden.
4.4.4 Om te beoordelen hoe de
begrenzingsdraad rond het laadstation
moet worden geplaatst
• Husqvarna adviseert om de begrenzingsdraad
rechtstreeks uit het laadstation (A) te plaatsen.
A
B
• Indien nodig kunt u de begrenzingsdraad onder het
laadstation in een hoek (B) plaatsen.
Let op: Plaats de begrenzingsdraad niet te ver onder
het laadstation. Het product kan moeite hebben met het
vinden en binnenrijden van het laadstation.
1404 - 017 - Installatie met begrenzingsdraad - 27

4.4.4.1 De begrenzingsdraad op een helling plaatsen
Het product kan gebruikt worden op hellingen van
70%. Hellingen die steiler zijn dan
70% moeten worden
geïsoleerd met de begrenzingsdraad. De hellingsgraad
(%) wordt berekend als hoogte per m. Voorbeeld: 10
cm/100 cm = 10%.
10 cm/ 4"
100 cm
/40"
10%
• Het product werkt normaal op hellingen die
maximaal 50%
in het werkgebied zijn. Houd een
afstand aan van 1.5 tussen de begrenzingsdraad
en obstakels, of tussen obstakels.
• Bij hellingen met een hellingspercentage tussen
50-70% dient u ervoor te zorgen dat er geen
obstakels op de helling aanwezig zijn. Er moet een
afstand zijn van 1.5 m / 5 ft tussen de onderkant
van de helling en de begrenzingsdraad.
> 1.5 m / 5 ft
> 1.5 m / 5 ft
0% - 50%
50% - 70%
> 1.5 m / 5 ft
• Zorg ervoor dat er een gebied is van 50 cm / 1.6 ft.
tussen vlakke ondergrond en steile hellingen.
70%
70%
0
%
0%
50cm / 1.6ft
35%
50cm / 1.6ft
35%
• Voor hellingen grenzend aan een openbare weg
plaatst u een obstakel van minimaal
15 cm /6 inch
langs de buitenrand van de helling. U kunt een
muur of hek als obstakel gebruiken.
4.4.4.2 Doorgangen
Een doorgang is een sectie met begrenzingsdraad aan
elke kant die 2 delen van het werkgebied verbindt. De
doorgang moet minimaal 2 m/6.5 ft breed zijn voor een
goed maairesultaat. Korte doorgangen mogen wel 60
cm/2 ft. smal zijn, als er een geleidingsdraad door de
doorgang is aangebracht. Een lange smalle doorgang
kan een negatieve invloed hebben op het maairesultaat.
Let op: Als een doorgang minder dan
2 m/6.5
ft breed is, installeert u een geleidingsdraad door de
doorgang.
Het product loopt altijd links van de geleidingsdraad,
gezien in de richting van het laadstation. Het wordt
aanbevolen dat de afstand tussen de geleidingsdraad
en de begrenzingsdraad aan de rechterkant van de
geleidingsdraad (A) een derde van de totale breedte van
de doorgang is en aan de linkerkant twee derde van de
totale breedte van de doorgang. De minimale afstand
tussen de geleidingsdraad en de begrenzingsdraad is
30 cm/12 inch.
>30 cm / 12"
>60 cm / 24"
Een doodlopend einde moet minimaal 2.5 m/ 8.5 ft.
breed zijn.
>2 m / 7 ft
>2.5
m / 8.5 ft
28 - Installatie met begrenzingsdraad 1404 - 017 -

4.4.4.3 Een eiland maken
OPGELET: Kruis geen gedeelte van
de begrenzingsdraad over een ander
gedeelte. De begrenzingsdraadgedeelten
moeten evenwijdig lopen.
OPGELET: Kruis de geleidingsdraad
niet over de begrenzingsdraad.
OPGELET: Isoleer of verwijder
obstakels die lager zijn dan
15 cm/6 inch.
Isoleer of verwijder obstakels met een lichte
helling, zoals stenen, bomen en wortels. Dit
voorkomt schade aan de messen van het
product.
Isoleer gebieden in het werkgebied met de
begrenzingsdraad om een eiland te maken. We raden
aan alle stabiele objecten in het werkgebied te isoleren.
Sommige obstakels kunnen tegen een botsing, zoals
bomen en struiken die hoger zijn dan
15 cm/6 inch.
Het product botst tegen het obstakel en selecteert
vervolgens een nieuwe richting.
• Plaats de begrenzingsdraad op en rond het
obstakel om een eiland te maken.
• Plaats de 2 stukken begrenzingsdraad die naar en
van het eiland lopen dicht bij elkaar. Hierdoor loopt
het product over de draad.
• Zet de 2 stukken begrenzingsdraad in dezelfde
staak vast.
• Zorg ervoor dat vóór een obstakel een lege ruimte
van minimaal 1.5 aanwezig is.
0 cm/ 0 "
1.5
m/ 5 ft 1.5 m/ 5 ft
4.4.4.4 Een bijgebied maken
Maak een bijgebied (B) als het werkgebied 2 gebieden
heeft die niet zijn verbonden met een doorgang. Het
werkgebied met het laadstation is het hoofdgebied (A).
B
A
Let op: Het product moet handmatig worden
verplaatst tussen het hoofdgebied en het secundaire
gebied.
• Plaats de begrenzingsdraad rond het bijgebied (B)
om een eiland te maken. Zie
Een eiland maken op
pagina 29
.
Let op: De begrenzingsdraad moet als 1 lus
rond het gehele werkgebied (A + B) worden
geplaatst.
Let op: Wanneer het product gras maait in
het bijgebied, moet de modus
Bijgebied
worden
geselecteerd. Zie
Bijgebied op pagina 41
.
4.4.5 Onderzoeken waar de
geleidingsdraad moet worden gelegd
Leg de geleidingsdraad van het laadstation door het
werkgebied en sluit deze aan op de begrenzingsdraad.
1404 - 017 - Installatie met begrenzingsdraad - 29

Dit product heeft 2 geleidingsdraden. Gebruik dezelfde
aanpak voor alle geleidingsdraden.
•
Plaats de geleidingsdraad in een lijn op minimaal 2
m/7 ft afstand vóór het laadstation.
• Zorg voor zo veel mogelijk vrije ruimte links van
de geleidingsdraad, gezien in de richting van het
laadstation.
• Plaats de geleidingsdraad minimaal 30 cm /12 inch
van de begrenzingsdraad.
• Maak geen scherpe bochten wanneer u de
geleidingsdraad plaatst.
135º
135º
90º
• Als het werkgebied een helling heeft, plaatst u
de geleidingsdraad in een rechte lijn vanaf de
onderkant van de helling tot aan de bovenkant
van de helling. Als het niet mogelijk is om een
rechte lijn te maken, plaatst u de geleidingsdraad
diagonaal over de helling.
OPGELET: Plaats de
geleidingsdraad niet parallel aan de
helling, zoals in de afbeelding wordt
weergegeven. Hierdoor kan het gras
sneller slijten.
4.4.6 Voorbeelden van werkgebieden
•
Als het laadstation in een klein gebied (A) wordt
geplaatst, zorgt u ervoor dat de afstand tot de
begrenzingsdraad minimaal 3 m/10 ft vóór het
laadstation bedraagt.
• Als het werkgebied een doorgang (B) zonder
geleidingsdraad heeft, is de aanbevolen minimale
afstand tussen de begrenzingsdraden 2 m / 6.5 ft.
Als er wel een geleidingsdraad is aangebracht in
de doorgang, is de aanbevolen minimale afstand
tussen de geleidingsdraden
60 cm / 24 inch.
• Als het werkgebied gebieden heeft die door
middel van een smalle doorgang (B) met elkaar
zijn verbonden, kunt u het product zodanig
instellen dat dit eerst de geleidingsdraad volgt
en deze dan na een bepaalde afstand (C)
verlaat. De instellingen kunnen worden gewijzigd
in
Tuindekking op pagina 36
.
• Gebruik de GPS-ondersteunde navigatie waarmee
het product de meest optimale werking kan kiezen.
Zie
Tuindekking op pagina 36
.
• Indien het werkgebied een bijgebied (D) omvat,
raadpleegt u
Een bijgebied maken op pagina 29
.
Zet het product in het bijgebied en selecteer
de
modus Bijgebied
.
B
D
C
A
4.5 Montage van het product
4.5.1 Installatiegereedschappen
•
Hamer/kunststof hamer: om het plaatsen van de
krammen te vereenvoudigen.
• Kantensnijder/rechte spade: om de
begrenzingsdraad te begraven.
• Combinatietang: voor het knippen van de
begrenzingsdraad en het samenknijpen van de
connectoren.
• Instelbare tang: voor het samenknijpen van de
koppelingen.
30 -
Installatie met begrenzingsdraad 1404 - 017 -

4.5.2 Laadstation monteren
OPGELET: Het is niet toegestaan om
nieuwe gaten in de plaat van het laadstation
te maken.
OPGELET: Plaats uw voeten niet op de
bodemplaat van het laadstation.
WAARSCHUWING: Zorg ervoor
dat de pluggen van de laagspanningskabel
en de voedingseenheid schoon en droog
zijn voordat u ze aansluit.
1. Plaats het laadstation in het geselecteerde gebied.
Let op: Bevestig het laadstation pas aan de
grond met de schroeven nadat de geleidingsdraad
is geïnstalleerd. Zie
De geleidingsdraad installeren
op pagina 31
.
2. Sluit de laagspanningskabel aan op het
laadstation.
3.
Zet de voeding op een minimale hoogte van 30
cm/12 inch.
min 30 cm / 12”
4. Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van
100-240V.
5.
Plaats de laagspanningskabel met staken in de
grond of graaf de kabel in. Zie
De draad of kabel
positioneren met krammen op pagina 32
of
De
draad of kabel ingraven op pagina 32
.
6. Bevestig het laadstation aan de grond
met de meegeleverde schroeven nadat de
geleidingsdraad is geïnstalleerd. Zie
De
geleidingsdraad installeren op pagina 31
.
4.5.3 Het product opladen
1. Plaats het product in het laadstation.
Let op: Het product begint automatisch op te
laden wanneer het product zich in het laadstation
bevindt.
4.5.4 De begrenzingsdraad installeren
OPGELET: Wikkel resterende draad
niet op tot een spoel. De spoel veroorzaakt
interferentie met het product.
1. Plaats de begrenzingsdraad rond het volledige
werkgebied. Start en voltooi de installatie achter
het laadstation.
2.
Open de connector en leg de begrenzingsdraad in
de connector.
3. Sluit de connector met een tang.
4. Snijd de begrenzingsdraad 1-2 cm/0.4-0.8 inch
boven elke connector.
5.
Plaats het rechter uiteinde van de
begrenzingsdraad in het kanaal met de markering
"AR".
6. Plaats het linker uiteinde van de begrenzingsdraad
in het kanaal met de markering "AL".
7. Druk de rechterconnector op de metalen pen van
het laadstation met de markering "AR".
8. Druk de linkerconnector op de metalen pen van
het laadstation met de markering "AL".
9. Plaats de kabelmarkering op de linker en rechter
begrenzingsdraad. Loop nooit op het laadstation.
4.5.5 De geleidingsdraad installeren
OPGELET: Een tweeaderige kabel
of een kroonsteentje geïsoleerd met
isolatietape levert geen adequate lassen op.
Het vocht in de grond zorgt ervoor dat de
draden gaan oxideren, waardoor het circuit
na een tijdje wordt onderbroken.
1. Open de connector en leg de draden in de
connector.
2.
Sluit de connector met een tang.
1404 - 017 - Installatie met begrenzingsdraad - 31

3. Knip de geleidingsdraden 1-2 cm/0.4-0.8 inch
boven elke connector af.
4.
Plaats de geleidingsdraden midden onder de plaat
van het laadstation en duw ze door de sleuf in de
toren van het laadstation.
5. Druk de connector op de metalen pen van het
laadstation met de markering "G1, G2" of "G3".
6. Ontkoppel het laadstation van het stopcontact.
7. Plaats de kabelmarkering op de geleidingsdraden.
8. Plaats het uiteinde van de geleidingsdraden in het
oogje op de begrenzingsdraad.
9. Knip de begrenzingsdraad door met een
draadtang.
10. Sluit de geleidingsdraden met behulp van een
koppeling op de begrenzingsdraad aan.
a) Plaats de twee uiteinden van de
begrenzingsdraad en het uiteinde van de
geleidingsdraden in de koppeling.
Let op: Zorg ervoor dat u het uiteinde
van de geleidingsdraden kunt zien via het
transparante gedeelte van de koppeling.
b) Duw met een waterpomptang op het dopje
van de koppeling om de draden in de
koppeling te bevestigen.
11. Bevestig de geleidingsdraden aan de grond
met behulp van haringen of begraaf de
geleidingsdraden in de grond. Zie
De draad of
kabel positioneren met krammen op pagina 32
of
De draad of kabel ingraven op pagina 32
.
12. Sluit het laadstation aan op het stopcontact.
4.5.6 De draad of kabel positioneren met
krammen
OPGELET: Zorg ervoor dat de
krammen de draad of de kabel tegen de
grond houden.
OPGELET: De draad- of kabelisolatie
kan beschadigd raken wanneer het gras
meteen na de installatie te kort wordt
gemaaid. Beschadigingen aan de isolatie
zorgen soms pas weken of maanden later
voor problemen.
1. Leg de draad of de kabel op de grond.
2. Zet de staken maximaal 75 cm/30 inch van elkaar.
3. Bevestig de staken in de grond met een (kunststof)
hamer.
Let op: De draad of de kabel is na enkele weken
overgroeid met gras en niet meer zichtbaar.
4.5.7 De draad of kabel ingraven
•
Snijd met een kantsnijder of een rechte schop een
groef in de grond.
• Plaats de draad of kabel 1-20 cm/0.4-8 inch in de
grond.
4.5.8 De begrenzingsdraad of
geleidingsdraad verlengen
Let op: Verleng de begrenzingsdraad of
geleidingsdraad als deze te kort is voor het werkgebied.
Gebruik originele reserveonderdelen, bijvoorbeeld
koppelingen.
1. Ontkoppel het laadstation van het stopcontact.
2.
Knip de begrenzingsdraad of geleidingsdraad
af met een draadtang op de plaats waar het
verlengstuk moet worden geplaatst.
3. Voeg draad toe aan de locatie waar het
verlengstuk moet worden geplaatst.
4. Plaats de begrenzingsdraad of de geleidingsdraad
in positie.
5. Plaats de draaduiteinden in een koppeling.
32 - Installatie met begrenzingsdraad 1404 - 017 -

Let op: Zorg ervoor dat u de uiteinden van de
begrenzingsdraad of de geleidingsdraad door het
transparante gedeelte van de koppeling heen kunt
zien.
6. Duw met een waterpomptang op het dopje van
de koppeling om de draden in de koppeling te
bevestigen.
7. Positioneer de begrenzingsdraad of de
geleidingsdraad met staken.
8.
Sluit het laadstation aan op het stopcontact.
4.5.9 Visuele controle van het laadstation
uitvoeren
1. Controleer of de led-indicator op het laadstation
groen brandt.
2. Als de led-indicator niet groen is, controleert u de
installatie. Zie
Led-indicator van het laadstation op
pagina 58
en
Laadstation monteren op pagina 31
.
4.5.10 Om te koppelen met de Automower
®
Connect-app
1. Download de Automower
®
Connect-app op uw
mobiele apparaat.
2. Meld u aan voor een Husqvarna-account in de
Automower
®
Connect-app en volg de instructies.
3. Voer de fabriekspincode 1234 op het product in.
4. Gebruik het draaiwiel op het product om het menu
Bluetooth
®
te selecteren om de koppelingsmodus
in te schakelen.
5. Selecteer
Mijn maaiers
in de Automower
®
Connect-app en voeg uw product toe.
6. Volg de instructies in de Automower
®
Connect-
app.
Let op: Husqvarna
raadt u aan de fabriekspincode in
de app te wijzigen in een nieuwe pincode.
1404 - 017 - Installatie met begrenzingsdraad - 33

5 Instellingen
Het product heeft fabrieksinstellingen, maar de
instellingen kunnen aan elk werkgebied worden
aangepast.
5.1 Schema
In
Schema
kunt u de schema-instellingen voor het
product wijzigen.
De
Schema-tool
past het schema aan de grootte van uw
werkgebied aan. De functie
Schema
regelt wanneer het
product werkt. Als het product niet in bedrijf is, staat het
geparkeerd in het laadstation. In het schema-overzicht
in de app kunt u zien welke uren en dagen het product
werkt.
5.1.1 Systematisch maaien gebruiken
• Stel het schema in om het product zo lang mogelijk
te laten werken.
Let op: Wanneer het product het werkgebied
heeft gemaaid, gaat het naar het laadstation. Het
product blijft in het laadstation tot het volgende
schema start. Als het werkgebied niet volledig is
gemaaid, blijft het product het werkgebied maaien
met het volgende schema.
• Als u een werkgebied 2 keer per dag wilt maaien,
kunt u 2 verschillende schema's instellen. Stel het
schema voor het product in zodat er voldoende tijd
is om het volledige werkgebied te maaien.
•
Met 2 of meer parallelle schema's begint het
product te maaien waar het product het langst niet
heeft gemaaid.
5.1.2 Onregelmatig maaien gebruiken
Het product werkt gedurende de volledige geplande tijd
met onregelmatig maaien.
• Verkort de geplande tijd of gebruik de functie
Weertimer
om slijtage van het gras te voorkomen.
Zie
Weertimer op pagina 35
.
• Als het resultaat niet bevredigend is, moet u de
geplande tijd verlengen. Zie
Schema op pagina 34
.
• Met 2 of meer parallelle schema's in verschillende
werkgebieden begint het product eerst 1
werkgebied te maaien. Na elke keer opladen
van het product begint het product een ander
werkgebied te maaien.
5.2 Maaihoogte
5.2.1 Maaihoogte-instelling
De maaihoogte wordt voor elk werkgebied afzonderlijk
ingesteld.
De maaihoogte kan worden ingesteld op
3-7 mm /
1.2-2.8 inch.
OPGELET: In de eerste weken na
een nieuwe installatie moet de maaihoogte
worden ingesteld op
7 cm / 2.8 inch om
schade aan de lusdraad te voorkomen.
De maaihoogte kan vervolgens elke week
worden verlaagd.
5.2.2 TargetHeight
Gebruik de TargetHeight
-functie om de maaihoogte
automatisch gedurende 10 dagen geleidelijk te verlagen
van maximaal naar de gespecificeerde maaihoogte. Als
u de maaihoogte gedurende deze tijd handmatig wijzigt,
wordt de functie TargetHeight uitgeschakeld.
5.3 Patroon
De patrooninstellingen kunnen voor elk werkgebied
worden ingesteld met een EPOS-installatie. U kunt de
volgende instellingen aanbrengen:
• Stel het patroon in voor de werking van het
product.
• Voor sommige patronen kunt u de richting van het
patroon instellen.
• Voor sommige patronen kunt u het type
Randen
maaien
instellen. Bij
Vast randen maaien
werkt het
product altijd op dezelfde paden om een scherpe
grens rond het werkgebied te houden. Bij
Variabel
randen maaien
werkt het product op verschillende
paden om het risico op sporen langs de virtuele
grens te verlagen.
Husqvarna raadt aan een systematisch patroon te
gebruiken op grote en open werkgebieden. Als
u een systematisch patroon voor een werkgebied
met obstakels gebruikt, moet u te vermijden zones
rondom obstakels maken en moet u een patroon met
34 - Instellingen 1404 - 017 -

verschillende richtingen gebruiken voor het optimale
maairesultaat.
Husqvarna
raadt aan om een onregelmatig patroon
te gebruiken als het werkgebied complex is en veel
obstakels bevat.
5.4 Werking
Onder
Werking
kunt u de werkingsinstellingen van het
product wijzigen.
5.4.1 Objecten vermijden
De functie
Objecten vermijden
zorgt ervoor dat het
product de snelheid verlaagt als het in de buurt van een
obstakel komt om een botsing te vermijden.
Let op: Daardoor kan het zijn dat het gras rond het
obstakel niet wordt gemaaid. Deze functie kan ervoor
zorgen dat het product het gras niet hoog genoeg maait.
5.4.2 Weertimer
Weertimer
past automatisch de maaitijd aan de groei
van het gras aan.
Weertimer
past de maaitijd alleen
aan voor werkgebieden met een onregelmatig patroon.
Het product mag niet meer dan volgens de schema-
instellingen worden gebruikt.
Let op: Bij gebruik van
Weertimer
is het raadzaam
om zoveel mogelijk bedrijfstijd beschikbaar te maken
voor
Weertimer
. Beperk het schema niet meer dan
nodig is.
De eerste activiteit van de dag wordt ingesteld op
basis van de schema-instellingen. Het product voltooit
1 maaicyclus per gepland werkgebied, vervolgens
selecteert
Weertimer
of het product blijft werken.
Let op:
Weertimer
wordt gereset als het product
langer dan 50 uur stilstaat of als een
Reset van
alle gebruikersinstellingen
wordt uitgevoerd.
Weertimer
wordt niet gewijzigd als een
Reset van schema-
instellingen
wordt uitgevoerd.
5.4.3 ECO-modus
De
ECO-modus
schakelt het signaal in de
begrenzingsdraad, de geleidingsdraad en het
laadstation uit wanneer het product wordt geparkeerd
of wordt opgeladen. De led-indicator van het laadstation
knippert groen wanneer het lussignaal uitgeschakeld is.
Let op: Gebruik de
ECO-modus
om energie te
besparen en interferentie met andere apparatuur, zoals
ringleidingen of garagedeuren, te voorkomen.
Let op: Om het product handmatig in het werkgebied
te starten moet u eerst het lussignaal inschakelen.
5.4.3.1 Het lussignaal inschakelen
1.
Het product inschakelen met ON.
2. Plaats het product in het laadstation.
3. Druk op de STOP-knop.
4. Wacht 2 seconden en verwijder het product
vervolgens uit het laadstation.
5. Controleer of het led-indicatielampje van het
laadstation groen brandt.
6. Plaats het product op de plek waar het moet
beginnen met maaien.
5.5 Installatie-instellingen
In
Installatie
kunt u de instellingen voor een installatie
met begrenzingsdraad wijzigen.
5.5.1 Het laadstation vinden
Het product kan op drie verschillende manieren worden
ingesteld om het laadstation te zoeken:
•
Signaal laadstation
•
Begrenzingsdraad volgen
•
Geleidingsdraad volgen
In de fabrieksinstelling worden de drie zoekmethoden
tegelijkertijd gebruikt. Gebruik de fabrieksinstelling om
het laadstation zo snel mogelijk te vinden en het risico
op spoorvorming op het gazon tot een minimum te
beperken. Het product begint altijd met het zoeken van
het
Signaal van het laadstation
. Na een bepaalde tijd
gebruikt het ook
Geleidingsdraad
en
Begrenzingsdraad
volgen
.
Oorzaken waarom het product de draad niet kan volgen,
zijn:
• Obstakels in de buurt van de draad zijn niet
geïsoleerd.
• Het laadstation, de begrenzingsdraad of de
geleidingsdraad zijn niet geïnstalleerd volgens
de instructies in
Onderzoeken waar het
laadstation moet worden geplaatst op pagina
25
,
Onderzoeken waar u de begrenzingsdraad
plaatst op pagina 26
en
Onderzoeken waar de
geleidingsdraad moet worden gelegd op pagina
29
.
1404 - 017 - Instellingen - 35

5.5.1.1 Signaal laadstation
Bij sommige installaties moet het signaal van het
laadstation worden verlaagd. Bijvoorbeeld als een
laadstation in de buurt van een obstakel, zoals een
struik of een muur, wordt geplaatst. Het product vindt
het signaal van het laadstation aan de andere kant
van het obstakel en probeert om het laadstation te
vinden, maar het object voorkomt dat het product kan
terugkeren naar het laadstation. U kunt het signaal van
het laadstation instellen op
min
,
avg
of
max
.
Let op: Husqvarna
adviseert om het signaal van het
laadstation in te stellen op
max
. Het is meestal beter om
het laadstation te verplaatsen dan om het bereik van het
signaal van het laadstation te verkleinen.
5.5.1.2 Volg de geleidingsdraad en de
begrenzingsdraad
De tijdsinterval kan worden ingesteld voor als het
product de begrenzingsdraad en geleidingsdraad begint
te volgen om het laadstation te vinden.
5.5.2 Tuindekking
Het product heeft GPS-ondersteunde navigatie
waarmee het product de meest optimale werking kan
kiezen.
Gebruik de functie
Tuindekking
om handmatige
instellingen uit te voeren.
Let op: Als de GPS-ondersteunde navigatie is
ingeschakeld, zal deze functie worden gebruikt als er
een GPS-service beschikbaar is. Het product gebruikt
handmatige instellingen voor bedrijf als de GPS-service
niet beschikbaar is.
5.5.2.1 Functie Tuindekking instellen
Gebruik de functie
Tuindekking
om het product
afgelegen delen van het werkgebied te laten maaien.
Gebruik de functie
Tuindekking
als het werkgebied
afgelegen delen bevat die verbonden zijn met smalle
doorgangen, om een werkgebied met voldoende
maairesultaat te behouden. U kunt maximaal 5
afgelegen gebieden instellen waar het product begint te
maaien.
Het product volgt eerst de geleidingsdraad tot de
ingestelde gespecificeerde afstand en begint vervolgens
het werkgebied te maaien.
Gebied A, ongeveer 50%
Gebied B, ongeveer 30%
Gebied C, ongeveer 20%
A
C
B
Elk gebied kan worden in- en uitgeschakeld. Gebruik
de functie
Testen
om de afstand te meten van het
laadstation tot waar het product moet beginnen met
maaien.
Op basis van de standaardinstellingen kan het product
de geleidingsdraad volgen over een lengte van
300m/980 ft. in 20% van de gevallen dat het product
het laadstation verlaat. Als de geleidingsdraad in
werkelijkheid korter is dan 300 m/980 ft zal het product
deze volgen tot het punt waar de geleidingsdraad is
aangesloten op de begrenzingsdraad.
5.5.3 Rijd over draad
De voorzijde van het product beweegt zich altijd
over een bepaalde afstand langs de begrenzingsdraad
voordat het product weer naar het werkgebied beweegt.
De fabrieksinstelling voor de functie
Rijd over draad
is
31 cm / 13 inch. U kunt een afstand selecteren van
25-50 cm / 10-15 inch.
Let op: Met de fabrieksinstelling zal het product
11
cm / 4.3 inch over de draad maaien.
Let op: Als de afstand voor de functie
Rijd over
draad
wordt gewijzigd, verandert de afstand overal in
het werkgebied langs de begrenzingsdraad.
5.5.4 Start punt
Met de functie
Startpunt
bepaalt u hoe ver het product
vanaf het laadstation vooruitrijdt voordat het met maaien
begint. Gebruik deze functie als het laadstation in een
gebied met beperkte ruimte is geplaatst.
Let op: Het startpunt mag niet worden ingesteld
op een afstand die langer is dan de afstand waarover
de geleidingsdraad is aangebracht in een lijn vóór het
laadstation. Zie
Onderzoeken waar de geleidingsdraad
moet worden gelegd op pagina 29
.
36 - Instellingen 1404 - 017 -

5.6 Accessoires
Onder
Accessoires
kunt u de instellingen van de
productaccessoires wijzigen.
5.6.1 Koplampen
Er zijn vier verschillende koplampinstellingen die
bepalen wanneer de koplampen zijn ingeschakeld:
•
Altijd aan
•
Alleen 's avonds (19:00-00:00)
•
Avond en nacht (19:00-07:00)
•
Altijd uit
De standaardinstelling is
Altijd aan
. De koplampen
kunnen zodanig worden ingesteld, dat ze gaan
knipperen als er een fout optreedt.
5.6.2 Botsingen met het Automower
®
-huis
vermijden
Als deze optie is ingeschakeld, treedt er minder slijtage
van het product en het Automower
®
-huis op. Rondom
het laadstation kan er dan echter sprake zijn van meer
ongemaaid gras.
5.7 Algemeen (alleen Bluetooth
®
)
Deze functie wordt gebruikt voor het instellen van tijd en
datum of om de standaardinstellingen te herstellen.
5.7.1 Tijd & datum
De tijd en datum kunnen handmatig of met behulp van
de tijd en datum van het mobiele apparaat worden
gewijzigd.
5.7.2 Reset naar Fabrieksinstellingen
De gebruikersinstellingen kunnen worden teruggezet op
de fabrieksinstellingen.
Let op:
Pincode, lussignaal, berichten
en
Datum en
tijd
worden niet gereset.
5.8 Veiligheid
Met de beveiligingsinstellingen worden de pincode, de
GeoFence en andere beveiligingsfuncties beheerd. De
juiste pincode moet worden ingevoerd om toegang tot
het menu
Beveliging
te krijgen.
Dit menu is alleen beschikbaar als uw mobiele apparaat
is aangesloten op het apparaat met Bluetooth
®
.
5.8.1 Nieuw lussignaal
Het lussignaal wordt willekeurig geselecteerd om een
unieke koppeling tussen het product en het laadstation
te creëren. In zeldzame gevallen kan het nodig zijn om
een nieuw signaal te genereren, bijvoorbeeld als twee
aangrenzende installaties signalen gebruiken die erg op
elkaar lijken.
5.8.2 Wijzig pincode
U kunt de pincode wijzigen. Noteer de nieuwe pincode
in Memo. Zie
Inleiding op pagina 8
.
5.8.3 Bescherming tegen diefstal
In het menu
Bescherming tegen diefstal
is het mogelijk
om de duur van het alarm in te stellen en ook bij
welke gebeurtenissen het alarm in werking treedt. De
fabrieksinstelling is dat een pincode vereist is en de
alarmduur 1 minuut is.
5.8.3.1 Pincode vereist
Deze functie betekent dat het product niet kan worden
gebruikt of bediend nadat de STOP-knop is ingedrukt
zonder eerst de juiste pincode in te voeren. Wanneer
u vijf maal achter elkaar de verkeerde pincode
invoert, wordt het product enige tijd vergrendeld. De
vergrendeling wordt voor elke nieuwe onjuiste poging
verlengd.
5.8.3.2 Tijdsduur alarm
Er is een mogelijkheid om in te stellen hoe lang
het alarmsignaal duurt. Een instelling tussen 1 en 10
minuten is mogelijk.
5.8.3.3 STOP-knop ingedrukt
Indien het alarm
"STOP-knop ingedrukt"
is
ingeschakeld, gaat het alarm af als iemand de STOP-
knop indrukt en niet binnen 30 seconden de pincode
invoert.
5.8.3.4 Weggedragen
Indien het alarm
opgetild
is ingeschakeld, detecteert het
product onverwachte bewegingen en gaat het alarm af.
5.8.4 GeoFence
GeoFence is een op GPS gebaseerde
diefstalbeveiliging die een virtuele omheining voor
het product maakt. Als het product zich meer dan
een ingestelde afstand van de middenpositie bevindt,
wordt het product uitgeschakeld en wordt een alarm
geactiveerd. De middenpositie wordt ingesteld op de
huidige positie van het product wanneer GeoFence
is ingeschakeld. De pincode is nodig om het alarm
te stoppen en het product opnieuw te starten. De
1404 - 017 - Instellingen - 37

GeoFence wordt alleen ingeschakeld wanneer het
product op ON wordt gezet.
5.9 Automower
®
Connect (alleen
Bluetooth
®
)
In
Automower
®
Connect
kunt u de Automower
®
Connect-module in- of uitschakelen. U kunt ook
de signaalsterkte en verbindingsstatus bekijken, een
nieuwe koppeling tot stand brengen of het product uit
de gekoppelde accounts verwijderen.
5.10 Meldingen
In dit menu vindt u eerdere storings- en
informatiemeldingen. Voor een aantal foutmeldingen zijn
er tips en adviezen beschikbaar waarmee u de fout kunt
verhelpen.
Als het product op enigerlei wijze wordt verstoord,
bijvoorbeeld als het vast komt te zitten of als de accu
bijna leeg is, wordt er een bericht met de storing en het
tijdstip waarop deze plaatsvond opgeslagen.
Als dezelfde foutmelding meerdere keren wordt
herhaald, kan dit betekenen dat de installatie of het
product moet worden aangepast. Zie
Installatie met
begrenzingsdraad op pagina 25
.
5.11 Maaiprofielen
U kunt verschillende sets met instellingen in
de
Maaiprofielen
opslaan. Gebruik deze functie
als u een product voor meer dan een locatie
gebruikt of als u verschillende instellingen op
dezelfde locatie wilt hebben. U kunt bijvoorbeeld
een begrenzingskabelinstallatie gebruiken voor één
profiel en een EPOS
™
installatie voor een tweede
profiel. In
Maaiprofielen
worden de productinstellingen,
kaartobjecten en de instellingen ervan opgeslagen.
5.12 Firmware draadloos downloaden
(Firmware over the air FOTA)
Het product heeft een functie waarmee automatisch
nieuwe firmware wordt gedownload. Wanneer er
nieuwe firmware beschikbaar is, wordt er een melding
weergegeven in de app waarin u kunt selecteren de
nieuwe firmware te installeren. In de fabrieksinstelling
is deze functie ingeschakeld. Husqvarna raadt u aan
de firmware bij te werken wanneer er nieuwe firmware
beschikbaar is.
5.13 Automower
®
Intelligent Mapping
(AIM)
Automower
®
Intelligent Mapping (AIM) is beschikbaar
in de Automower
®
Connect-app. De technologie in
het product maakt gebruik van verschillende sensoren,
waaronder GPS. De nauwkeurigheid van de kaart is
ongeveer 1 m / 3.3 ft.
B
A
C
Sommige functies met AIMzijn:
•
Er wordt een kaart van het gazon in
deAutomower
®
Connect-app weergegeven met
laadstation, begrenzingsdraad, geleidingsdraad en
eilanden.
• U kunt werkgebieden (A) en (B) in de installatie
maken waar u een schema en maaihoogte voor elk
werkgebied kunt instellen.
• U kunt te vermijden zones (C) maken waarin het
product niet kan komen en geen gras kan maaien.
Let op: Met de AIM-functie kunt u werkgebieden en
te vermijden zones inrichten met een nauwkeurigheid
van ca. 1 m /
3.3 ft.
De gegevensverzameling voor de AIM kaart start
automatisch. Het product verzamelt gegevens tijdens
het bedrijf en de kaart is compleet in 1-2 weken.
Verwijder tijdelijke obstakels op het gazon als het
product in bedrijf is en gegevens verzamelt. Als u de
installatie van de draden of laadstation wijzigt, moet u
een nieuwe kaart maken. Lees meer over
AIM in de
Automower
®
Connect-app.
5.14 Het laadstation opnieuw
installeren op de kaart
Installeer het laadstation opnieuw op de kaart als u
het laadstation verplaatst of vervangt. U kunt deze ook
opnieuw installeren als het product niet kan koppelen of
geen verbinding kan maken met het laadstation.
1. Selecteer
Kaartobjecten > Laadstation
in de app.
38 - Instellingen 1404 - 017 -

2. Selecteer
Laadstation opnieuw installeren
en volg
de instructies.
Let op: Andere apparaten waarop
Bluetooth
®
is
ingeschakeld, kunnen storingen veroorzaken bij het
koppelen. Schakel Bluetooth
®
op de andere apparaten
uit als dit storingen veroorzaakt bij het koppelen.
5.15 Het referentiestation opnieuw
installeren op de kaart
Installeer het referentiestation opnieuw op de kaart als u
het referentiestation verplaatst of vervangt.
1.
Selecteer
Kaartobjecten > Referentiestation
in de
app.
2. Selecteer
Referentiestation opnieuw installeren
en
volg de instructies.
Let op: Als u het referentiestation verplaatst,
moet u de fabrieksinstellingen herstellen en alle
kaarten opnieuw installeren.
1404 - 017 - Instellingen - 39

6 Werking
6.1 Product op ON zetten
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product gebruikt.
1. Houd het draaiwiel 3 seconden ingedrukt.
3 sec
Let op: Controleer of de STOP-knop ingedrukt
is. Indien de STOP-knop niet ingedrukt is,
verschijnt een STOP-symbool op het display.
2. Gebruik het draaiwiel om de pincode in te voeren.
De juiste pincode moet worden ingevoerd om
toegang tot het menu te krijgen. Wanneer u
vijf maal achter elkaar de verkeerde pincode
invoert, wordt het product enige tijd vergrendeld.
De vergrendeling wordt voor elke nieuwe onjuiste
poging verlengd.
3.
Selecteer een bedrijfsmodus en druk op het
draaiwiel. Zie
Werking op pagina 40
.
4. Druk op de START-knop om het product te starten.
Het product kan het laadstation alleen verlaten
als de accu volledig is opgeladen en wanneer het
schema
zodanig is ingesteld dat het product mag
werken.
6.2 Bedieningsmodus Start selecteren
1. Open de app op uw mobiele apparaat.
2. Selecteer
Start
en selecteer een
bedieningsmodus:
Schema hervatten
,
appDrive
of
Werkgebied selecteren
.
6.2.1 Schema hervatten
Het product blijft werken in het geplande werkgebied.
Het maait het gras en wordt automatisch opgeladen.
6.2.2 appDrive
Gebruik de appDrive om het product handmatig te
bedienen.
6.2.2.1 Het product gebruiken met appDrive
Gebruik de knoppen om het product te bedienen:
• Gebruik de knop omhoog (A) om het product naar
voren te verplaatsen.
• Gebruik de knop omlaag (A) om het product naar
achteren te verplaatsen.
• Gebruik de knop met de pijl naar links (C) om het
product naar links te draaien.
• Gebruik de knop met de pijl naar rechts (D) het
product naar rechts te draaien.
• Gebruik de middelste knop (E) als joystick om het
product in een willekeurige richting te bewegen en
te draaien.
40 - Werking 1404 - 017 -

A
D
B
C
E
Let op: Loop 2-3
m / 6.5-9.8 ft. achter het product
wanneer u het product gebruikt met appDrive.
6.2.3 Werkgebied selecteren
Deze functie laat het product tijdelijk werken in een
geselecteerd werkgebied. Voor werkgebieden met een
onregelmatig patroon kunt u een tijdslimiet voor deze
functie selecteren. Na deze tijd blijft het product werken
zoals ingesteld in het schema. Voor werkgebieden
met een systematisch patroon maait het product totdat
het geselecteerde werkgebied is voltooid. Wanneer het
product het werkgebied heeft gemaaid, blijft het werken
zoals het is ingesteld in het schema.
6.2.3.1 Bijgebied
Om het product te laten werken in een bijgebied,
moet u het product handmatig naar en van het
bijgebied verplaatsen. Het product maait gedurende een
geselecteerde periode, of totdat de accu leeg is.
6.3 Bedieningsmodus - Parkeren
Wanneer u
Parkeren
selecteert in de app, kunt u de
volgende bewerkingen selecteren:
•
Parkeer tot nader order
•
Selecteer de duur
6.3.1 Parkeer tot nader order
De bedrijfsmodus
Parkeren
betekent dat het product
terugkeert naar het laadstation, waar het blijft staan
totdat er een nieuwe bedrijfsmodus wordt geselecteerd
en de START-knop wordt ingedrukt.
6.3.2 Selecteer de duur
Het product keert terug naar het laadstation en blijft daar
gedurende de geselecteerde parkeerduur. Gebruik de
bedieningsmodus om tijdelijk een lopende maaicyclus te
stoppen en het product in het laadstation te laten blijven.
6.3.3 Bedieningsmodus - Pauzeren
Wanneer u
Pauzeren
in de Automower
®
Connect-app
selecteert, stopt het product de huidige activiteit en
wordt het gepauzeerd. Het product is gepauzeerd totdat
Parkeren
of
Starten
in de Automower
®
Connect-app is
geselecteerd.
6.4 Product stoppen
1.
Druk op de knop STOP boven op het product.
Het product stopt en de maaimotor stopt.
6.5 Het product in de OFF-stand zetten
1.
Druk op de STOP-knop om het product te stoppen.
2. Voer indien nodig de pincode in.
3.
Houd het draaiwiel 3 seconden ingedrukt.
Controleer of de groene led-statusindicator uitgaat.
Let op: Als het led-indicatielampje brandt of
knippert. Zie
Led-statusindicator op pagina 11
.
Let op: Het product kan niet worden ingesteld
op OFF als het in het laadstation staat.
6.6 De accu opladen
Wanneer het product nieuw is of na langdurige opslag
kan de accu leeg zijn. Laad de accu op voordat u het
product start.
1.
Plaats het product in het laadstation.
1404 - 017 - Werking - 41

2. Plaats het product in het laadstation zodat de
laadplaatjes de contactplaatjes raken.
3.
Controleer of het product wordt geladen op het
display van het product.
Let op: Als de accu leeg is, moet het product
gedurende een langere periode worden opgeladen
voordat het product kan worden gestart.
42 - Werking 1404 - 017 -

7 Onderhoud
7.1 Introductie - onderhoud
WAARSCHUWING: Zet het product
op OFF voordat u onderhoud aan het
product uitvoert.
WAARSCHUWING: Draag
veiligheidshandschoenen.
Voor een betere werking en langere levensduur van het
product reinigt u het product regelmatig en vervangt u
versleten onderdelen.
Wanneer het product nieuw is, controleert u de
maaischijf en messen elke week. Bij geringe slijtage
kunt u het interval voor de volgende controle van
de maaischijf en messen verlengen. Inspecteer de
maaischijf en de bladen vaker als er veel slijtage is.
Het is belangrijk dat de maaischijf soepel draait en
dat de randen van de messen niet beschadigd zijn.
De gebruikelijke levensduur van de messen is 3 tot
6 weken. De volgende omstandigheden kunnen de
levensduur van de messen verlengen of verkorten:
• Bedrijfstijd en grootte van het werkgebied.
• Lengte en dikte van het gras.
• Grond, zand en het gebruik van kunstmest.
• Voorwerpen zoals kegels, gereedschappen,
stenen en wortels in het werkgebied.
Let op: Het maairesultaat kan onbevredigend zijn als
de messen bot zijn. Zie
De bladen vervangen op pagina
45
voor het vervangen van de blalden.
7.2 Onderhoudsschema
Het onderhoudsschema laat zien hoe service en
onderhoud aan het product moeten worden uitgevoerd.
Volg het onderhoudsschema voor een beter bedrijf en
een langere levensduur van het product.
X = De instructies zijn opgenomen in deze
gebruikershandleiding.
O = De instructies zijn niet opgenomen in deze
gebruikershandleiding. Neem contact op met uw
erkende servicedealer.
Ter voorbereiding Wekelijks Elk jaar Elke drie
jaar
Reinig het product. Zie
Product reinigen op pagina 44
. X
Controleer het product op beschadiging en slijtage. X
Voer een update van de firmware uit. O
Controleer de servicemeldingen op aanbevolen upgrades. O
Onderhoud
Controleer de messen en vervang de messen en messchroeven indien nodig.
Zie
De bladen vervangen op pagina 45
.
X
Controleer en polijst de contactplaatjes op het laadstation. X
Controleer en polijst de laadplaatjes op het product. X
Laad de accu volledig op voordat het product wordt opgeslagen. Zie
De accu
opladen op pagina 41
.
X
Controleer de wielen op slijtage. O
Controleer en reinig de stootbuffers. Controleer het aanhaalmoment van de
stootbuffers voor en achter.
O
Controleer of het product correct koppelt en laadt. O
1404 - 017 - Onderhoud - 43

Ter voorbereiding Wekelijks Elk jaar Elke drie
jaar
Controleer de kabel en connector naar de laadplaatjes op de behuizing van het
product.
O
Controleer de rubberen doorvoertules op het chassis om er zeker van te zijn dat
dit goed is afgedicht.
O
Controleer de glijplaat en het glijplaatlager. O
Controleer de rubberen balgen in het systeem van de maaihoogte instelling. O
Controleer de rubberen balgen van de stootbuffers. O
Vervang de rubberen balgen van de stootbuffers. O
Controleer en reinig het luchtstroomfilter. O
Vervang het luchtstroomfilter. O
Controleer het aanhaalmoment van de chassisschroeven. O
Open het chassis en vervang alle afdichtstrips. O
Controleer de wiellagers voor/achter en de lagers van de verbindingsarm. O
Laatste stap
Gebruik een software-servicetool om een werkingstest van de functies van het
product uit te voeren.
O
7.3 Product reinigen
OPGELET: Gebruik geen
hogedrukreiniger of stromend water om
het product te reinigen. Gebruik geen
oplosmiddelen voor reiniging.
Het product werkt niet naar behoren op hellingen als
de wielen door gras worden geblokkeerd. Gebruik een
zachte borstel om het product schoon te maken.
Husqvarna
adviseert een speciale set voor reiniging
en onderhoud, verkrijgbaar als accessoire. Neem
voor meer informatie contact op met uw Husqvarna-
vertegenwoordiger.
7.3.1 De maaischijf reinigen
Inspecteer de maaischijf en de messen wekelijks.
1. Zet het product op OFF. Zie
Het product in de
OFF-stand zetten op pagina 41
.
2. Plaats het product met de maaischijf omhoog op
een zacht en schoon oppervlak.
3. Reinig de maaischijf met een borstel.
44 - Onderhoud 1404 - 017 -

4. Zorg ervoor dat de maaischijf vrij kan draaien.
5.
Zorg ervoor dat de messen onbeschadigd zijn en
vrij kunnen draaien.
7.3.2 Het chassis reinigen
• Reinig de onderkant van het chassis met een
borstel of een vochtige doek.
7.3.3 De wielen reinigen
Het product werkt niet naar behoren op hellingen als de
wielen door gras worden geblokkeerd.
• Gebruik een zachte borstel om de wielen schoon
te maken.
7.3.4 De behuizing van het product reinigen
• Gebruik een vochtige doek en een milde
zeepoplossing om de behuizing van het product te
reinigen.
7.3.5 Het laadstation reinigen
WAARSCHUWING: Ontkoppel de
voeding van het stopcontact voordat
u onderhoudswerkzaamheden verricht, of
wanneer u het laadstation of de voeding
reinigt.
OPGELET: Gebruik geen
hogedrukreiniger of stromend water om het
laadstation te reinigen.
Let op: Het product kan niet in het laadstation
worden geplaatst als er zich voorwerpen in het
laadstation bevinden. Reinig het laadstation regelmatig.
• Verwijder gras, takjes en andere objecten van het
laadstation.
7.4 De bladen vervangen
WAARSCHUWING: Husqvarna
kan
de veiligheid alleen garanderen als u
Husqvarna originele bladen met het H-logo
met het kroontje gebruikt.
WAARSCHUWING: U moet de
schroeven vervangen wanneer u de bladen
vervangt. De gebruikte schroeven kunnen
snel slijten en ervoor zorgen dat het blad
los komt te zitten. Dit kan ernstig letsel
veroorzaken.
Vervang versleten of beschadigde bladen voor een
veilig bedrijf. Vervang de bladen regelmatig voor een
bevredigend maairesultaat en laag energiegebruik. De 3
messen en de schroeven moeten allemaal op hetzelfde
moment worden vervangen zodat het maaisysteem
uitgebalanceerd blijft.
7.4.1 Messen vervangen
1.
Zet het product op OFF. Zie
Het product in de
OFF-stand zetten op pagina 41
.
2. Draag veiligheidshandschoenen.
3. Plaats het product met de maaischijf omhoog op
een zacht en schoon oppervlak.
1404 - 017 - Onderhoud - 45

4. Draai de glijplaat totdat de openingen op één lijn
liggen met de schroeven voor het mes.
5. Verwijder de 3 schroeven.
6. Verwijder alle messen en schroeven.
7.
Breng nieuwe messen en schroeven aan.
8. Zorg ervoor dat de messen vrij kunnen draaien.
7.5 Accu
OPGELET: Laad de accu volledig op
voordat het product wordt opgeslagen. Als
de accu niet volledig is opgeladen, kan dit
schade aan de accu veroorzaken.
Als de bedrijfstijd van het product tussen twee
laadbeurten korter dan is normaal, geeft dit aan dat de
accu het einde van de levensduur heeft bereikt. Vervang
de accu om de bedrijfstijd te verlengen.
Let op: De levensduur van de accu hangt af van
de lengte van het seizoen en het aantal uren dat het
product dagelijks actief is. Een lang seizoen of veel
bedrijfsuren per dag betekent dat de accu vaker moet
worden vervangen.
7.6 Winterbeurt
Breng uw product voor een servicebeurt naar uw
Husqvarna
Central Service Station voordat u het stalt
voor de winter. Regelmatig winteronderhoud houdt het
product in goede staat en zorgt ervoor dat dit het nieuwe
seizoen optimaal en storingvrij kan beginnen.
Een servicebeurt omvat gewoonlijk het volgende:
• Grondige reiniging van de behuizing, het chassis,
de maaischijf en alle andere bewegende delen.
• Testen van de functies en componenten van het
product.
• Controle en eventuele vervanging van aan slijtage
onderhevige onderdelen, zoals messen en lagers.
46
- Onderhoud 1404 - 017 -

• Testen van de accucapaciteit van het product en
een aanbeveling voor vervanging van de accu
indien nodig.
•
Als er nieuwe firmware beschikbaar is, wordt het
product bijgewerkt.
1404 - 017 - Onderhoud - 47

8 Probleemoplossing
8.1 Introductie - problemen oplossen
In dit hoofdstuk vindt u berichten die bij een storing mogelijk worden weergegeven in
Automower
®
Connect
en Automower
®
Access. Bij elke melding staan de mogelijke oorzaak en de uit te voeren stappen vermeld. In
dit hoofdstuk worden ook een aantal symptomen besproken die u op weg kunnen helpen als het product niet
werkt zoals verwacht. Meer suggesties voor uit te voeren stappen bij storingen of symptomen zijn te vinden op
www.husqvarna.com.
8.2 Foutpictogrammen op het Automower
®
Access-display
Als er op het Automower
®
Access-display een foutpictogram wordt weergegeven, drukt u op de STOP-knop om terug
te keren naar het hoofdmenu. Meer informatie over de fout vindt u in Automower
®
Connect.
Foutpictogram Beschrijving Actie
Het product is gestopt. Achterhaal de oorzaak van het probleem. Bij-
voorbeeld wanneer het product zich niet in
het werkgebied bevindt of wanneer het pro-
duct zich bovenop een object bevindt.
Start het product.
Het product is gestopt vanwege gras of een
ander voorwerp rond de aandrijfwielen.
Controleer de aandrijfwielen en verwijder
gras of ander materiaal. Start het product.
Neem contact op met uw lokale
Husqvarna-
vertegenwoordiger als het probleem blijft be-
staan.
Het product is gestopt omdat dit het lussig-
naal niet kan vinden.
Zie de foutmelding
Geen lussignaal
in
Mel-
dingen op pagina 50
.
48 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

Foutpictogram Beschrijving Actie
Het product is gestopt totdat de accu bijna
leeg is.
Zie het foutbericht
Lege accu
in
Meldingen
op pagina 50
.
Het product is gestopt vanwege een verstop-
ping in het maaisysteem.
Controleer de maaischijf en het aangrenzen-
de gebied. Verwijder gras of andere voorwer-
pen die verstopping in het maaisysteem kun-
nen veroorzaken.
Het product is gestopt vanwege een tijdelijk
elektronisch probleem of firmwareprobleem.
Start het product opnieuw op. Neem contact
op met uw lokale Husqvarna
-vertegenwoor-
diger als het probleem blijft bestaan.
Het product is gestopt omdat het alarm is
gestart.
Start het product. U kunt de instellingen voor
het alarm wijzigen in het
menu Beveiliging
in
de Automower
®
Connect-app.
Het product is gestopt omdat er een onjuiste
pincode is ingevoerd.
Voer de juiste pincode in. Als u de pincode
bent vergeten, gebruikt u de app om de pin-
code naar uw geregistreerde e-mailadres te
verzenden. Neem contact op met uw loka-
le Husqvarna
-vertegenwoordiger als u uw e-
mailadres niet hebt geregistreerd.
1404 - 017 - Probleemoplossing - 49

8.3 Meldingen
De meldingen in de onderstaande tabel worden weergegeven in
Automower
®
Connect en Automower
®
Access.
Neem contact op met uw Husqvarna-vertegenwoordiger als dezelfde melding vaak wordt weergegeven.
Melding Oorzaak Actie
Geen lussignaal
De voeding of de laagspanningskabel is niet
aangesloten.
Controleer de status van de led op het laad-
station. Als de led niet brandt, betekent dit
dat er geen voeding is. Controleer de aan-
sluiting op het stopcontact en controleer te-
vens of er een aardlekschakelaar is geacti-
veerd. Controleer of de laagspanningskabel
is aangesloten op het laadstation.
De voeding of de laagspanningskabel is be-
schadigd.
Vervang de voeding of de laagspanningska-
bel.
De
ECO-modus
is geactiveerd en het pro-
duct heeft geprobeerd om buiten het laad-
station te starten.
Plaats het product in het laadstation. Start
het product.
Het product vindt het lussignaal van het
laadstation niet.
Plaats het product in het laadstation en gene-
reer een nieuw lussignaal. Zie
Nieuw lussig-
naal op pagina 37
.
Storingen door metalen voorwerpen (hek-
werk, wapeningsstaal) of ondergrondse ka-
bels.
Bij een draadinstallatie moet u de begren-
zingsdraad verplaatsen en/of meer eilanden
in het werkgebied maken om de signaalsterk-
te te verhogen.
Bij een EPOS
™
installatie wijzigt u de positie
van het laadstation.
Bij een draadinstallatie is de begrenzings-
draad niet aangesloten op het laadstation.
Controleer of de connectoren van de begren-
zingsdraad correct zijn aangesloten op het
laadstation. Vervang de connectoren indien
ze zijn beschadigd. Zie
De begrenzingsdraad
installeren op pagina 31
.
Bij een draadinstallatie is de begrenzings-
draad gekruist op het traject van en naar
een eiland.
Controleer of de begrenzingsdraad correct is
gemonteerd. Zie
De begrenzingsdraad instal-
leren op pagina 31
.
Bij een draadinstallatie is de begrenzings-
draad gebroken.
Controleer het signaal van de led op het
laadstation. Als de led een breuk in de be-
grenzingsdraad aangeeft, zoek dan waar de
breuk is. Vervang het beschadigde deel van
de lus met een nieuwe lusdraad en maak
een las met behulp van een originele koppe-
ling. Zie
Breuken in de lusdraad opsporen op
pagina 61
.
Bij een draadinstallatie bevindt het product
zich te ver van de begrenzingsdraad.
Verleg de begrenzingsdraad zodat alle on-
derdelen van het werkgebied zich minimaal
35m/115
ft. van de begrenzingsdraad bevin-
den.
50 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

Melding Oorzaak Actie
Wielmotor geblok-
keerd
Er zit gras of iets anders rond het aandrijf-
wiel.
Controleer het aandrijfwiel en verwijder het
gras of ander materiaal.
Probleem met wie-
laandrijving
Maaisysteem geblok-
keerd
Er zit gras of ander materiaal rond de maai-
schijf gewikkeld.
Controleer de maaischijf en verwijder het
gras of ander materiaal.
De maaischijf ligt in een plas water. Verplaats het product en neem maatregelen
om het ophopen van water in het werkgebied
te voorkomen.
Melding Oorzaak Actie
Vastgereden
Het product is in een kleine ruimte blijven
steken achter een aantal obstakels.
Controleer of er obstakels zijn die het voor
het product moeilijk maken om weg te rijden
van deze plek.
Verkeerde pincode
Er is een verkeerde pincode ingevoerd. Na
vijf mislukte pogingen wordt het product ge-
durende een periode geblokkeerd.
Voer de juiste pincode in. Als de pincode
onjuist is, gebruikt u de koppeling in de
app om de pincode naar uw geregistreer-
de e-mailadres te verzenden. Neem contact
op met uw plaatselijke Husqvarna-vertegen-
woordiger als u het e-mailadres niet hebt ge-
registreerd.
Lege accu
Bij een installatie met begrenzingsdraad:
Het product kan het laadstation niet vinden.
Verander de positie van de geleidingsdraad.
Zie
De geleidingsdraad installeren op pagina
31
.
Controleer de installatie-instellingen voor het
vinden van het laadstation. Zie
Het laadstati-
on vinden op pagina 35
.
Voor een EPOS
™
installatie:
Het product kan het laadstation niet vinden.
Het product heeft geen nauwkeurige positie
en kan het laadstation niet vinden.
Er is een obstakel waardoor het product het
laadstation niet kan vinden.
De accu is versleten. Vervang de accu. Zie
Afvoeren op pagina
64
.
De antenne van het laadstation is defect. Controleer of het indicatielampje in het laad-
station rood knippert. Zie
Led-indicator van
het laadstation op pagina 58
.
1404 - 017 - Probleemoplossing - 51

Melding Oorzaak Actie
Geslipt
Het product is ergens in vastgeraakt en slipt. Maak het product los en neem de oorzaak
van het niet kunnen bewegen weg. Als nat
gras de oorzaak is, wacht dan tot het gazon
weer droog is voordat u het product opnieuw
gebruikt.
Het werkgebied bevat een steile helling. De maximaal gegarandeerde helling is 70%.
Steilere hellingen moeten worden geïsoleerd.
Zie
De begrenzingsdraad op een helling
plaatsen op pagina 28
.
Bij een installatie met begrenzingsdraad:
De geleidingsdraad is niet correct geïnstal-
leerd op een helling.
Zorg ervoor dat de geleidingsdraad diago-
naal over de helling is gelegd. Zie
De gelei-
dingsdraad installeren op pagina 31
.
Wielmotor overbelast
Het product is ergens in vastgelopen. Maak het product los en neem de oorzaak
van het niet kunnen bewegen weg. Als nat
gras de oorzaak is, wacht dan tot het gazon
weer droog is voordat u het product opnieuw
gebruikt.
Laadstation geblok-
keerd
Het contact tussen de laadplaatjes en de
contactplaten is mogelijk slecht en het pro-
duct heeft een aantal pogingen om te laden
gedaan.
Plaats het product in het laadstation en con-
troleer of de laadstrips en de contactstrips
goed contact maken. Reinig het contact en
de laadplaatjes.
Een obstakel veroorzaakt een blokkering en
het product kan niet in het laadstation ko-
men.
Verwijder het voorwerp.
De bodemplaat is gekanteld of verbogen.
Zorg ervoor dat de bodemplaat op een vlak-
ke ondergrond is geplaatst.
Vast in laadstation
Het product slipt op de bodemplaat. Reinig de bodemplaat.
Er is een obstakel dat ervoor zorgt dat het
product het laadstation niet kan verlaten.
Verwijder het voorwerp.
Ondersteboven
Het product helt te ver over of is onderstebo-
ven komen te liggen.
Draai het product in de juiste richting.
Maaier gekanteld
Het product is meer gekanteld dan de toege-
stane helling.
Verplaats het product naar een vlak gebied.
Opgetild
Een blokkering heeft de hefsensoren geacti-
veerd waardoor het product is gestopt.
Haal het product uit de blokkering. Als het
probleem zich blijft voordoen, dan is actie
door een bevoegde servicemonteur vereist.
Omhooggeheven in
koppelarm
Een blokkering heeft de hefsensor in de kop-
pelarm geactiveerd waardoor het product is
gestopt.
Haal het product uit de blokkering. Als het
probleem zich blijft voordoen, dan is actie
door een bevoegde servicemonteur vereist.
Helling te steil
Het product is gestopt omdat de helling te
steil is.
Verleg de begrenzingsdraad van het werkge-
bied om dit steile deel van het werkgebied
uit te sluiten. Zie
Onderzoeken waar u de
begrenzingsdraad plaatst op pagina 26
.
52 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

Melding Oorzaak Actie
Alarm! Maaier op
OFF gezet
Het alarm is geactiveerd omdat het product
op OFF is gezet.
Pas het beveiligingsniveau aan in het menu
Beveiliging
, zie
Veiligheid op pagina 37
.
Alarm! Maaier ge-
stopt
Het alarm is geactiveerd omdat het product
is gestopt.
Alarm! Maaier is ver-
plaatst
Het alarm is geactiveerd omdat het product
werd verplaatst.
Alarm! Buiten Geo-
Fence
Het alarm is geactiveerd, omdat de maaier
zich buiten de GeoFencebevond.
Activeer het gebied voor diefstalbeveiliging
(GeoFence) in het
Automower
®
Connect
me-
nu.
Elektronisch pro-
bleem
Tijdelijk probleem met de elektronica of firm-
ware.
Start het product opnieuw op. Als het pro-
bleem zich blijft voordoen, moet bij deze
melding een erkende servicemonteur worden
geraadpleegd.
Probleem met lus-
sensor
Kantelsensorpro-
bleem
Tijdelijk probleem
Probleem met STOP-
knop
Ultrasoon probleem
Probleem met GPS-
navigatie
Probleem met hoek-
sensor
Probleem met scha-
kelsnoer
Onjuiste subappa-
raatcombinatie
Ongeldige systeem-
configuratie
Tilsensorprobleem
Probleem met bots-
sensor
Veiligheidsfunctie de-
fect
Probleem met Flexi-
Fence
De accu van de FlexiFence-accessoire is bij-
na leeg. De FlexiFence-accessoire werkt niet
wanneer de accu leeg is. Het product kan
in de te vermijden zone maaien als u het
product start voordat u de FlexiFence-acces-
soire oplaadt.
Parkeer het product en laad de FlexiFence-
accessoire op voordat u het product start.
De temperatuur van de FlexiFence-accessoi-
re is hoger dan de maximumlimiet en staat
op off.
Plaats het product in een gebied met be-
scherming tegen de zon. Laat de tempe-
ratuur van de FlexiFence-accessoire dalen
voordat u het product start.
1404 - 017 - Probleemoplossing - 53

Melding Oorzaak Actie
Tijdelijk accupro-
bleem
Tijdelijk probleem met de accu of firmware. Start het product opnieuw op.
Als het probleem zich blijft voordoen, moet
bij deze melding een erkende servicemon-
teur worden geraadpleegd.
Accuprobleem
Probleem met laad-
systeem
Er is corrosie of vuil op de laadplaten en de
contactplaten.
Start het product opnieuw op. Maak de laad-
platen op het product en de contactplaten op
het laadstation goed schoon.
Tijdelijk probleem met de elektronica of firm-
ware van het product.
Start het product opnieuw op. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkende servicedealer.
Accutemperatuur bui-
ten de limietwaarden
Het product werkt niet als de temperatuur
van de accu te hoog of te laag is.
Het product begint weer te werken wanneer
de temperatuur tussen de ingestelde limiet-
waarden ligt en de schema-instellingen het
product laten werken. Zorg er voor dat het
laadstation in een tegen zonlicht beschermde
omgeving is geplaatst.
Laadstroom te hoog
Verkeerde of defecte voedingseenheid. Start het product opnieuw op.
Als het probleem zich blijft voordoen, moet
bij deze melding een erkende servicemon-
teur worden geraadpleegd.
Connectiviteitspro-
bleem
Probleem met de Automower
®
Connect-mo-
dule.
Start het product opnieuw op.
Als het probleem zich blijft voordoen, moet
bij deze melding een erkende servicemon-
teur worden geraadpleegd.
Buiten werkgebied
De aansluitingen van de begrenzingsdraad
op het laadstation zijn gekruist.
Controleer of de begrenzingsdraad correct is
aangesloten. Zie
Onderzoeken waar u de be-
grenzingsdraad plaatst op pagina 26
.
De begrenzingsdraad ligt te dicht bij de rand
van het werkgebied.
Controleer of de begrenzingsdraad is gelegd
volgens de instructies. Zie
De begrenzings-
draad installeren op pagina 31
.
De begrenzingsdraad, virtuele grens of vir-
tuele transportpaden zijn geïnstalleerd in een
gebied met een te steile helling.
De begrenzingsdraad is in de verkeerde rich-
ting om een eiland heen gelegd.
Storingen door metalen voorwerpen (hek-
werk, wapeningsstaal) of ondergrondse ka-
bels in de buurt.
Verplaats de begrenzingsdraad en/of maak
meer eilanden in het werkgebied om de sig-
naalsterkte te verhogen.
Het product kan moeilijk onderscheid maken
tussen het eigen signaal en het signaal van
een installatie van een ander product in de
buurt.
Plaats het product in het laadstation en ge-
nereer een nieuw lussignaal. Zie
Nieuw lus-
signaal op pagina 37
.
54 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

Melding Oorzaak Actie
Beperkte maaihoogte
De maaihoogte-instelling kan niet bewegen. Controleer de maaihoogteafstelling en verwij-
der gras en ander ongewenst materiaal. Als
het probleem zich blijft voordoen, moet bij
deze melding een erkende servicemonteur
worden geraadpleegd.
Onverwachte maai-
hoogte
Probleem met maai-
hoogte, aandrijving
Maaihoogte geblok-
keerd
Probleem met maai-
hoogte, richting
Geen voeding in
laadstation
Verkeerde of defecte voedingseenheid. Onderzoek de voeding. Vervang indien nodig
de voeding.
Stroomstoring. Zoek de oorzaak van de stroomstoring en
verhelp het probleem.
Geen contact tussen de contactplaatjes en
de laadplaatjes.
Controleer of de laadplaten en de contactpla-
ten zijn aangesloten.
Onbalans maaisys-
teem
Te weinig of te veel messen. Controleer de messen op de maaischijf.
Zwak GPS-signaal
De lucht wordt geblokkeerd in grote delen
van het werkgebied.
Verwijder indien mogelijk blokkerende voor-
werpen.
Schakel de GPS-navigatiefunctie uit en ge-
bruik in plaats daarvan de functie voor tuin-
dekking. Zie
Tuindekking op pagina 36
.
Probleem met bots-
sensor, voor/achter
Botsing
Door een blokkering is het product gestopt. Verwijder het product uit de blokkering en
onderzoek de oorzaak van het stoppen.
De behuizing van het product kan niet vrij
bewegen rond het chassis.
Verwijder vuil of ongewenste voorwerpen
tussen het chassis en de behuizing zodat de
behuizing van het product vrij rond het chas-
sis kan bewegen.
De behuizing van het product is niet goed in
de rubberdempers bevestigd.
Zorg ervoor dat de rubberdempers goed in
de behuizing en het chassis van het product
zijn bevestigd. Als het probleem zich blijft
voordoen, moet bij deze melding een erken-
de servicemonteur worden geraadpleegd.
Chassisbotsing
Het product heeft een botsing gedetecteerd
in de EPOS
™
-module.
Verwijder het object waarmee het product in
botsing komt. Als het verwijderen van het ob-
ject niet mogelijk is, maak dan een te vermij-
den zone. Bij de installatie van een begren-
zingsdraad maakt u een eiland rond het ob-
ject.
1404 - 017 - Probleemoplossing - 55

Melding Oorzaak Actie
Bestemming niet be-
reikbaar
Het product kan de bestemming niet berei-
ken omdat er een te vermijden zone is die de
weg naar het werkgebied blokkeert.
Bewerk of verwijder de te vermijden zone of
maak een nieuwe installatie in het werkge-
bied aan.
Bij EPOS
™
installatie is er geen transportpad
naar het werkgebied.
Bewerk of verwijder de te vermijden zone of
maak een nieuwe installatie in het werkge-
bied aan.
Bij EPOS
™
installatie wordt de weg terug
naar het laadstation geblokkeerd door een
obstakel.
Het obstakel verwijderen.
Bij EPOS
™
installatie wordt de weg naar
het onderhoudspunt geblokkeerd door een
obstakel.
Bestemming geblok-
keerd
De weg naar de bestemming wordt geblok-
keerd door een obstakel.
Verwijder het obstakel dat de weg naar de
bestemming blokkeert.
De weg naar de bestemming wordt geblok-
keerd door een te vermijden zone.
Bewerk of verwijder de te vermijden zone of
maak een nieuwe installatie in het werkge-
bied aan.
Bij EPOS
™
installatie is er geen transportpad
naar het werkgebied.
Maak een transportpad naar het werkgebied.
Accu moet worden
vervangen
De accu is bijna leeg. Vervang de accu. Neem contact op met een
erkende servicemonteur.
Accu bijna aan het
einde van levensduur
De accu is bijna helemaal leeg. Vervang de accu. Neem contact op met een
erkende servicemonteur.
Ongeldige firmware-
configuratie
De firmware in het product is ongeldig. Plaats het product in het laadstation en up-
date de firmware via FOTA. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkende servicemonteur.
Kaartprobleem
Het kaartobjectbestand is onjuist Controleer de kaart in de app. Pas de kaart
aan en sla deze op.
Verwijder de kaart en voer een nieuwe instal-
latie uit.
Geen correctiegege-
vens beschikbaar
Technische problemen met EPOS
™
via de
Husqvarna
®
Cloud.
Start het product opnieuw op. Als het pro-
bleem zich blijft voordoen, moet bij deze
melding een erkende servicemonteur worden
geraadpleegd.
Het product heeft geen mobiele verbinding
en kan geen correctiegegevens ontvangen.
Zorg ervoor dat u mobiele dekking hebt in
alle delen van het gebied waar het product
wordt gebruikt.
56 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

Melding Oorzaak Actie
Werkgebied ver-
knoeid
Het laadstation of het referentiestation is ver-
plaatst.
Voer een nieuwe installatie van de kaart uit.
Volg 1/2/3 niet ge-
vonden
De geleidingsdraad is niet aangesloten op
het laadstation.
Controleer of de connector van de begelei-
dingsdraad correct is aangesloten op het
laadstation. Zie
De geleidingsdraad installe-
ren op pagina 31
.
Breuk in de geleidingsdraad. Lokaliseer de plaats van de breuk. Vervang
het beschadigde deel van de geleidings-
draad door een nieuwe lusdraad en maak
een las met behulp van een originele koppe-
ling.
De geleidingsdraad is niet aangesloten op de
begrenzingslus.
Controleer of de geleidingsdraad correct is
aangesloten op de begrenzingslus. Zie
De
geleidingsdraad installeren op pagina 31
.
Zoeken naar positie
Zwak satellietsignaal naar het referentiestati-
on.
Het satellietsignaal is tijdelijk zwak. Het pro-
duct begint te maaien wanneer de satelliet-
signalen goed zijn.
Onderzoek de installatie van het referentie-
station.
Zwak satellietsignaal naar het product. Het satellietsignaal is tijdelijk zwak. Het pro-
duct begint te maaien wanneer het satelliet-
signaal goed is.
Controleer of er een object zit tussen het pro-
duct en de lucht dat interferentie met het sa-
tellietsignaal kan veroorzaken. Verwijder het
object of voer een nieuwe installatie uit om
deze onderdelen niet op te nemen in het
werkgebied. Zie
Installatie van de kaartobjec-
ten op pagina 20
.
Communicatiepro-
bleem referentiestati-
on
Het product is niet verbonden met het refe-
rentiestation.
Koppel het product en het referentiestation.
Het referentiestation is niet correct geïnstal-
leerd.
Onderzoek de installatie van het referentie-
station.
Het product ontvangt geen radiosignaal van
het referentiestation in alle gebieden waar
het product werkt.
Test of het product radiosignaal van het refe-
rentiestation in alle delen van het werkgebied
heeft. Als dit niet het geval is, voert u de in-
stallatie van het referentiestation of de instal-
latie van de kaart opnieuw uit. Zie
Objecten
op de kaart te plaatsen op pagina 21
.
Stroomstoring. Zoek en verhelp de oorzaak van de stroom-
storing van het referentiestation.
Er is een fout opgetreden in het referentie-
station en de led-indicator knippert rood.
Koppel de voeding naar het referentiestation
los en sluit deze opnieuw aan om het refe-
rentiestation opnieuw te starten. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan con-
tact op met uw erkende servicedealer.
Er is een interferentie met een ander referen-
tiestation of andere radiosystemen in het ge-
bied.
Start het product opnieuw op. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkende servicedealer.
1404 - 017 - Probleemoplossing - 57

Melding Oorzaak Actie
Verbinding veranderd
Nieuw lussignaal succesvol gewijzigd. Geen actie.
Verbinding NIET ver-
anderd
Kan het lussignaal niet wijzigen. Maak een nieuw lussignaal, probeer het
meerdere keren. Als het probleem zich blijft
voordoen, moet bij deze melding een er-
kende servicemonteur worden geraadpleegd.
Zie
Nieuw lussignaal op pagina 37
.
8.4 Led-indicator van het laadstation
De led-indicator van het laadstation is groen wanneer
de installatie correct is. Als de led-indicator van het
laadstation niet groen is, volgt u de onderstaande tabel
voor probleemoplossing.
Neem contact op met een Husqvarna
vertegenwoordiger bij u in de buurt of ga naar
www.husqvarna.com
voor meer informatie.
Led-indicator Oorzaak Actie
Constant groen De signalen van het laadstation zijn goed. Geen procedure vereist.
Knippert groen De signalen van het laadstation zijn goed en
de
ECO-modus
is ingeschakeld.
Geen procedure vereist.
Knippert blauw De begrenzingsdraad is niet aangesloten op
het laadstation.
Sluit de begrenzingsdraad aan op het laad-
station.
De begrenzingsdraad is beschadigd. Vervang het beschadigde gedeelte van de
begrenzingsdraad door een nieuwe begren-
zingsdraad.
Knippert rood Interferentie in de antenne van het laadstati-
on.
Neem contact op met uw plaatselijke Husq-
varna vertegenwoordiger.
Constant rood Storing in de printplaat of onjuiste voeding in
het laadstation.
De storing moet worden verholpen door
een erkende servicemonteur. Neem contact
op met uw plaatselijke Husqvarna
vertegen-
woordiger.
58 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

8.5 Symptomen
Als uw product niet naar verwachting werkt, volgt u de onderstaande symptoomgids.
Kijk op www.husqvarna.com
voor een FAQ (veelgestelde vragen) voor meer gedetailleerde antwoorden op een aantal
standaardvragen. Neem contact op met een Husqvarna-vertegenwoordiger bij u in de buurt als u de oorzaak van de
fout nog steeds niet kunt vinden.
Symptomen Oorzaak Actie
Het product heeft
moeite met koppelen.
De begrenzingsdraad is niet in een rechte
lijn gelegd en komt niet ver genoeg uit het
laadstation.
Controleer of het laadstation is geïnstalleerd
volgens de instructies. Zie
Laadstation mon-
teren op pagina 31
Het laadstation bevindt zich op een helling. Plaats het laadstation op een volledig vlakke
ondergrond. Zie
Onderzoeken waar het laad-
station moet worden geplaatst op pagina 15
.
Het product werkt op
het verkeerde tijdstip.
De klok moet worden ingesteld. Stel de klok in. Zie
Tijd & datum op pagina
37
.
De start- en stoptijden voor het maaien zijn
verkeerd.
Stel de starttijd opnieuw in en wijzig de
Sche-
ma
-instellingen. Zie
Schema op pagina 34
.
Het product trilt. Beschadigde messen leiden tot onbalans in
het maaisysteem.
Controleer de messen en schroeven en ver-
vang ze indien nodig. Zie
De bladen vervan-
gen op pagina 45
.
Te veel messen in dezelfde positie leiden tot
onbalans in het maaisysteem.
Controleer of er bij elke schroef slechts één
mes is gemonteerd.
Er worden verschillende (dikte) Husqvarna-
messen gebruikt.
Controleer of de messen van verschillende
uitvoeringen zijn.
Het product rijdt,
maar de maaischijf
draait niet.
Het product zoekt naar het laadstation. Geen actie. De maaischijf draait niet als het
product het laadstation zoekt.
De accu is leeg en u
plaatst het product in
het laadstation, maar
het wordt niet opgela-
den en kan niet wor-
den ingeschakeld.
Als de accu volledig ontladen is, duurt het
lang om de accu op te laden en voordat het
product kan worden ingeschakeld.
Laat het product 24 uur in het laadstation
staan en test of het product kan worden inge-
schakeld. Indien het probleem zich blijft voor-
doen, neem dan contact op met uw erkende
servicemonteur.
Het product maait
minder lang dan ge-
woonlijk tussen laad-
cycli.
Messchijf geblokkeerd door gras of ander
vreemd voorwerp.
Verwijder en reinig de maaischijf. Zie
De bla-
den vervangen op pagina 45
.
De accu is versleten. Vervang de accu. Zie
De accu verwijderen
op pagina 64
.
Zowel de maaitijd als
de laadtijd is korter
dan normaal.
De accu is versleten. Vervang de accu. Zie
De accu verwijderen
op pagina 64
.
Het product staat
urenlang geparkeerd
in het laadstation.
De STOP-knop is geactiveerd. Controleer of de START-knop ingedrukt is.
De parkeermodus is geactiveerd. Selecteer de bedieningsmodus in Automo-
wer
®
Access of
Automower
®
Connect.
Het product mag niet werken als de tempera-
tuur van de accu te hoog of te laag is.
Controleer of het laadstation in een tegen
zonlicht beschermd gebied is geplaatst.
1404 - 017 - Probleemoplossing - 59

Symptomen Oorzaak Actie
Ongelijkmatige maai-
resultaten.
Het product werkt te weinig uren per dag. Verleng de maaitijd. Zie
Schema op pagina
34
.
De instellingen voor de functie
Tuindekking
zijn niet goed afgestemd op de indeling van
het werkgebied.
Controleer de instellingen voor de functie
Tuindekking
. Zie
Tuindekking op pagina 36
.
Vanwege de vorm van het werkgebied moet
Gebied 1-5
worden gebruikt, zodat het pro-
duct de weg naar alle afgelegen gebieden
vindt.
Gebruik
Gebied 1-5
om het product naar een
afgelegen gebied te sturen. Zie
Tuindekking
op pagina 36
.
Het werkgebied is te groot. Probeer het werkgebied te verkleinen of de
werktijd te verlengen. Zie
Schema op pagina
34
.
Botte messen. Vervang alle messen. Zie
De bladen vervan-
gen op pagina 45
.
Lang gras ten opzichte van de ingestelde
maaihoogte.
Verhoog de maaihoogte en stel hem later
weer lager in.
Grasophoping bij de maaischijf of rond de
motoras.
Controleer of de maaischijf vrij en soepel
draait. Als dat niet het geval is, schroeft u
de maaischijf los en verwijdert u alle gras
en vreemde voorwerpen. Zie
De maaischijf
reinigen op pagina 44
.
Het product is
niet gekoppeld aan
de Automower
®
Con-
nect
-app.
Het product is nog niet gekoppeld aan de
app en het product staat niet in de lijst
Mijn
maaiers
in de Automower
®
Connect app.
Koppel het product en het mobiele apparaat.
Om te koppelen met de Automower
®
Con-
nect-app op pagina 33
.
Het product heeft
slechts Bluetooth
®
(kort bereik) koppe-
ling met de
Automo-
wer
®
Connect app en
geen mobiele (lang
bereik) koppeling.
Het product heeft geen mobiele koppeling
met de Automower
®
Connect app.
Voer de Automower
®
Connect-app in op
uw mobiele apparaat. Selecteer Automower
®
Connect en voer een nieuwe koppelingspro-
cedure uit.
U kunt het product
niet koppelen aan
nog een mobiel ap-
paraat.
Er kan maar een mobiel apparaat tegelijker-
tijd worden gekoppeld met het product met
Bluetooth
®
.
Schakel de Automower
®
Connect
-app in al-
le andere gekoppelde apparaten uit. Als het
probleem aanhoudt, moet het gekoppelde
mobiele apparaat op OFF worden ingesteld
en moet u het opnieuw proberen. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neemt u con-
tact op met uw dealer.
60 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

Symptomen Oorzaak Actie
De mobiele koppe-
ling werkte voorheen,
maar nu niet meer.
Er is een probleem met de mobiele connecti-
viteit.
• Zorg ervoor dat u mobiele dekking in
het gebied hebt.
• Schakel Automower
®
Connect in de
app uit en weer in. Wacht 1 uur en pro-
beer het opnieuw.
• Start het product opnieuw op.
• Als nieuwe firmware beschikbaar is in
de app moet u deze installeren om er-
voor te zorgen dat u de nieuwste firm-
ware heeft.
• Zorg ervoor dat de nieuwste versie van
de Automower
®
Connect-app geïnstal-
leerd is.
• Indien het probleem zich blijft voordoen,
neemt u contact op met uw dealer.
8.6 Breuken in de lusdraad opsporen
Breuken in de lusdraad zijn meestal te wijten aan
onbedoelde fysieke beschadigingen van de draad,
bijvoorbeeld door het gebruik van een schop bij het
tuinieren. In landen met nachtvorst kan de draad
ook beschadigd raken door scherpe stenen die in de
grond bewegen. Breuken in de draad kunnen ook
worden veroorzaakt door overmatig strekken tijdens het
installeren.
De kabelisolatie kan worden beschadigd wanneer het
gras meteen na de installatie te kort wordt gemaaid.
Beschadigingen aan de isolatie zorgen soms pas weken
of maanden later voor problemen. Om dit te voorkomen,
moet u de eerste weken na het installeren altijd de
maximale maaihoogte selecteren en de maaihoogte
vervolgens elke tweede week een stap verlagen totdat
de gewenste maaihoogte is bereikt.
Een foutieve las in de lusdraad kan soms weken nadat
de las werd gemaakt voor problemen zorgen. Een
foutieve las kan onder meer worden veroorzaakt doordat
de koppeling niet stevig genoeg werd samengedrukt
met behulp van een tang of doordat een koppeling
van een mindere kwaliteit dan de originele koppeling
werd gebruikt. Controleer eerst alle bij u bekende lassen
voordat u verder gaat met de foutopsporing.
Een draadbreuk kan worden opgespoord door de
afstand van de lus waar de breuk kan zijn opgetreden
steeds te halveren, totdat er nog maar een kort stuk
draad over is.
De volgende methode werkt niet wanneer de
ECO-
modus
actief is. Zorg dat de
ECO-modus
eerst wordt
uitgeschakeld. Zie
ECO-modus op pagina 35
.
1. Controleer of het indicatielampje in het
laadstation blauw knippert, wat een breuk in de
begrenzingslus aangeeft. Zie
Led-indicator van het
laadstation op pagina 58
.
2. Controleer of de aansluitingen van de
begrenzingsdraad naar het laadstation correct zijn
aangesloten en niet zijn beschadigd. Controleer of
het indicatielampje in het laadstation nog steeds
blauw knippert.
VERMOGEN
G
1
AL
AR
3. Verwissel de aansluitingen van de geleidingsdraad
en de begrenzingsdraad in het laadstation.
Begin door aansluiting
AL en G1 te verwisselen.
Sommige modellen hebben extra geleidingsdraden
(G2, G3). Voor deze modellen kan dezelfde
procedure worden gevolgd.
Als het indicatielampje constant groen brandt,
bevindt de breuk zich ergens in de
begrenzingsdraad tussen AL en het punt
waar de geleidingsdraad is aangesloten op
de begrenzingsdraad (dikke zwarte lijn op de
afbeelding).
1404 - 017 - Probleemoplossing - 61

Guide
GUIDE
AL
Om de storing te verhelpen hebt u
begrenzingsdraad, connectoren en koppelingen
nodig:
a) Als de vermoedelijk defecte begrenzingsdraad
kort is, dan kunt u het gemakkelijkst de hele
begrenzingsdraad vervangen tussen AL en het
punt waar de geleidingsdraad is aangesloten op de
begrenzingsdraad (dikke zwarte lijn).
b) Als de vermoedelijk defecte begrenzingsdraad
lang is (dikke zwarte lijn), ga dan als volgt te
werk: Zet AL en G1 terug in hun oorspronkelijke
posities. Koppel daarna AR los. Sluit een nieuwe
lusdraad aan op AR. Sluit het andere uiteinde van
de nieuwe lusdraad aan op een punt in het midden
van het vermoedelijk defecte deel van de draad.
AR
Als het indicatielampje nu groen is, bevindt
de breuk zich ergens in de draad tussen
het losgekoppelde uiteinde en het punt waar
de nieuwe draad is aangesloten (dikke zwarte
lijn hieronder). Verplaats de aansluiting voor
de nieuwe draad in dat geval dichter bij het
losgekoppelde uiteinde (grofweg in het midden van
het verdachte draaddeel) en controleer opnieuw of
het indicatielampje groen is.
62 - Probleemoplossing 1404 - 017 -

Ga zo verder totdat er nog een heel kort stuk
draad over is, wat het verschil betekent tussen een
constant groen licht en een knipperend blauw licht.
Volg vervolgens de instructies in stap 5 hieronder.
4.
Als het indicatielampje in stap 3 hierboven blauw
blijft knipperen:Zet AL en G1 terug in hun
oorspronkelijke posities. Verwissel vervolgens AR
en G1. Als het indicatielampje nu continu groen
brandt koppel dan AL los en sluit een nieuwe
begrenzingsdraad aan op AL. Sluit het andere
uiteinde van de nieuwe draad aan op een punt in
het midden van het vermoedelijk defecte deel van
de draad. Volg dezelfde procedure als bij 3a) en 3
b) hierboven.
5. Wanneer de breuk is gevonden, moet het
beschadigde deel worden vervangen door een
nieuw stuk draad. Gebruik altijd originele
koppelingen.
1404 - 017 - Probleemoplossing - 63

9 Vervoer, opslag en verwerking
9.1 Transport
De meegeleverde Li-ion-accu's voldoen aan de
wettelijke vereisten voor gevaarlijke goederen.
•
Neem alle van toepassing zijnde nationale
voorschriften in acht.
• Neem de bijzondere voorschriften op de
verpakking en labels voor commercieel transport
in acht. Dit geldt ook voor derden en expediteurs.
9.2 Opslag
• Laad het product volledig op. Zie
De accu opladen
op pagina 41
.
• Zet het product op OFF. Zie
Het product in de
OFF-stand zetten op pagina 41
.
• Reinig het product. Zie
Product reinigen op pagina
44
.
• Bewaar het product in een droge, vorstvrije ruimte.
• Zet het product met alle wielen op een vlakke
ondergrond.
• Als u het laadstation binnen zet, koppelt
u de voeding en alle connectoren los van
het laadstation. Plaats het uiteinde van elke
connectordraad in de beschermingsdoos.
Let op: Als u het laadstation buiten zet, koppelt
u de voeding en de connectoren niet los.
• Neem contact op met uw Husqvarna-service voor
informatie over de beschikbare accessoires voor
opslag van uw product.
9.3 Afvoeren
•
Neem de plaatselijk geldende wet- en regelgeving
voor recycling in acht.
• Raadpleeg
De accu verwijderen op pagina 64
voor vragen over het verwijderen van de accu.
9.3.1 De accu verwijderen
OPGELET: Verwijder de accu alleen
wanneer u het product afdankt.
1. Zet het product op OFF. Zie
Het product in de
OFF-stand zetten op pagina 41
.
2. Plaats het product met de maaischijf omhoog op
een zacht en schoon oppervlak.
3. Verwijder de 6 schroeven en verwijder het
accudeksel.
4. Verwijder de 2 schroeven en de beugel.
64 - Vervoer, opslag en verwerking 1404 - 017 -

5. Verwijder de 2 kabels uit de accu en verwijder de
accu.
1404 - 017 - Vervoer, opslag en verwerking - 65

10 Technische gegevens
10.1 Technische gegevens
Afmetingen Automower
®
435X AWD NERA
Lengte, cm/inch 93/36,6
Breedte, cm/inch 55 / 21,7
Hoogte, cm/inch 33/13,1
Gewicht, kg / lb 18,1/39,9
Elektrisch systeem Automower
®
435X AWD NERA
Accu, lithium-ion 18,0 V/8,0 Ah art.nr. 534 19 93-01
Accu, lithium-ion 18,0 V/8,4 Ah art.nr. 534 19 93-02
Voeding (28 V DC), V AC 100-240
Lengte laagspanningskabel, m / ft 10/33
Gemiddeld energieverbruik bij maximaal gebruik 25 kWh/maand in een 3500m
2
Laadstroom, A DC 7
Type voedingseenheid
9
FW7458/28/D/XX/Y, ADP-200MR XX
Normale maaitijd, min 145
Normale laadtijd, min 45
Antenne begrenzingsdraad Automower
®
435X AWD NERA
Bedrijfsfrequentieband, Hz 100-80.000
Maximaal magnetisch veld, dBuA/m
10
82
Max. radiofrequentievermogen
11
, mW bij 60 m <25
Geluidsgegevens
12
Automower
®
435X AWD NERA
Geluidsniveau (waargenomen), dB (A) 60
Gemeten geluidsvermogensniveau, dB (A) 60
Gegarandeerd geluidsvermogensniveau, dB (A) 62
Onzekerheidsmarge geluidsemissies KWA, dB (A) 2
Geluidsdrukniveau bij het oor van de gebruiker
13
, dB (A) 49
9
XX, YY kunnen willekeurige alfanumerieke tekens zijn of leeg zijn voor marketingdoeleinden, geen technische
verschillen. De 'XX' geeft de landversie aan, zoals JP, en de 'Y' geeft de productrevisie aan, zoals V
10
Gemeten conform EN 303 447.
11
Maximaal actief uitgangsvermogen naar antennes in de frequentieband waarop de radioapparatuur is inge-
steld.
12
Bepaald overeenkomstig richtlijn 2006/42/EG en norm EN 50636-2-107. Behalve Geluidsniveau (waargeno-
men), dit wordt gemeten volgens ISO 11094:1991.
13
Onzekerheidsmarge geluidsdrukniveau K
pA
, 2-4dB (A)
66 - Technische gegevens 1404 - 017 -

Maaien Automower
®
435X AWD NERA
Maaisysteem 3 scharnierende messen
Maximaal toerental maaimotor, tpm 2475
Energieverbruik tijdens maaien, W +/- 20% 42
Maaihoogte, cm / inch 3-7 / 1,2-2,8
Maaibreedte, cm / inch 22/8,7
Smalst mogelijke doorgang voor draadinstallatie, cm / inch 60 / 24
Smalst mogelijke doorgang voor EPOS
™
installatie, cm / inch 200/80
Maximale helling voor werkgebied, % 70
Maximale helling voor begrenzingsdraad, % 50
Aantal geleidingdraden 3
Maximale lengte begrenzingsdraad, m / ft 800 / 2600
Maximale lengte geleidingslus
14
, m / ft 400/1300
Oppervlaktecapaciteit - onregelmatig, m
2
/acre 3500 / 0,9
Oppervlaktecapaciteit - systematisch met EPOS
™
, m
2
/acre 5000 / 1,25
IP-code Automower
®
435X AWD NERA
Robotmaaier IPX4
Laadstation IPX1
Voeding IP44
Ondersteuning frequentiebanden
Bluetooth
®
-frequentiebereik 2400,0-2483,5 MHz
Automower
®
Connect 2G GSM 850 MHz, E-GSM 900 MHz, DCS 1800 MHz, PCS 1900 MHz
Automower
®
Connect 4G Band 12 (700 MHz), Band 28 (700 MHz), Band 13 (700 MHz), Band 20 (800 MHz),
Band 26 (850 MHz), Band 5 (850 MHz), Band 19 (850 MHz), Band 8 (900 MHz),
Band 4 (1700 MHz), Band 3 (1800 MHz), Band 2 (1900 MHz), Band 25 (1900
MHz), Band 1 (2100 MHz), Band 18 (850 MHz), Band 66 (1700 MHz), Band 85
(700 MHz)
SRD868 (Europa) 863-870 MHz
SRD915 (Noord-Amerika) 902-928 MHz
SRD915 (Australië) 915-928 MHz
SRD915 (Nieuw-Zeeland) 915-928 MHz
14
De geleidingslus is de lus die wordt gevormd door de geleidingsdraad en het gedeelte van de begrenzings-
draad vanaf de aansluiting met de geleidingsdraad naar de rechter aansluiting op het laadstation.
1404 - 017 - Technische gegevens - 67

Vermogensklasse
Bluetooth
®
-uitgangsvermogen 8 dBm
Automower
®
Connect 2G Vermogensklasse 4 (GSM/E-GSM) 33 dBm
Vermogensklasse 1 (DCS/PCS) 30 dBm
Vermogensklasse E2 (GSM/E-GSM) 27 dBm
Vermogensklasse E2 (DCS/PCS) 26 dBm
Automower
®
Connect 3G Vermogensklasse 3 24 dBm
Automower
®
Connect 4G Vermogensklasse 3 23 dBm
SRD868 (Europa) 13 dBm
SRD915 (Noord-Amerika) 13 dBm
SRD915 (Australië) 13 dBm
SRD915 (Nieuw-Zeeland) 13 dBm
Afwijkingen van deze algemene technische gegevens zijn opgenomen in de landspecifieke hoofdstukken.
Husqvarna AB staat niet garant voor volledige compatibiliteit tussen het product en andere typen draadloze systemen,
zoals afstandsbedieningen, radiozenders, ringleidingen, ondergrondse elektrische afrasteringen of dergelijke.
De producten zijn geproduceerd in Engeland of Tsjechië. Zie de informatie op het productplaatje. Zie
Inleiding op
pagina 8
.
10.2 Geregistreerde handelsmerken
Het
Bluetooth
®
-woordmerk en de logo’s zijn geregistreerde handelsmerken die eigendom zijn van
Bluetooth SIG, inc.
en het gebruik van deze merken door Husqvarna vindt plaats onder licentie.
68 -
Technische gegevens 1404 - 017 -

11 Verklaring van overeenstemming
11.1 Originele EU-verklaring van overeenstemming
1404 - 017 - Verklaring van overeenstemming - 69

11.2 Vertaalde EU-verklaring van overeenstemming
Wij, Husqvarna AB, SE 561 82 Huskvarna,
SWEDEN, Tel. +46 36 146500
, verklaren onder onze
alleenverantwoordelijkheid dat het product:
Beschrijving Robotmaaier
Merk Husqvarna
Type/model HUSQVARNA AUTOMOWER
®
435X AWD NERA
Identificatie Serienummers vanaf 2024 week 40
volledig voldoet aan de volgende EU-richtlijnen en
-regelgeving:
Richtlijn/Verordening Beschrijving
2006/42/EC "Betreffende machines"
2014/53/EU "Betreffende radioapparatuur"
2011/65/EU "Beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen"
en dat de volgende geharmoniseerde normen en/of
technische specificaties zijn toegepast;
• IEC 60335-1:2010+A1:2013+A2:2016
(EN 60335-1:2012+AC:2014+A11:2014
+A13:2017+A15:2021)
• IEC 60335-2-107:2017+A1:2020+A2:202 1 (EN
50636-2-107:2015+A1:2018 +A2:2020+A3:2021)
• EN ISO 12100:2010
• EN IEC 63000:2018
• EN 61000-6-1:2007
• EN 61000-6-3:2007+A1:2011+AC:2012
• EN 55014-1:2017+A11:2020 and EN
55014-1:2021
• EN 55014-2:1997+A1:2001+A2:2008 +AC:1997
and EN 55014-2:2021
• ETSI EN 301 489-1 V1.9.2 and ETSI EN 301
489-1 V2.2.3
• ETSI EN 301 489-3 V2.3.2
• ETSI EN 301 489-17 V3.2.4
• ETSI EN 303 447 V1.3.1
• ETSI EN 300 328 V2.2.2
• ETSI EN 301 511 V.12.5.1
• ETSI EN 303 413 V1.2.1
en voor HUSQVARNA AUTOMOWER
®
uitgerust met
Automower
®
Connect:
• ETSI EN 301 489-52 V1.2.1
• ETSI EN 301 489-19 V2.2.1
• ETSI EN 301 908-1 V15.2.1
• ETSI EN 301 908-2 V13.1.1 (Automower
®
Connect 3G Version)
• ETSI EN 301 908-13 V13.2.1 (Automower
®
Connect 4G Version)
en voor HUSQVARNA AUTOMOWER
®
uitgerust met
EPOS
™
accessoire:
• ETSI EN 300 220-1 V3.1.1
• ETSI EN 300 220-2 V3.1.1 and ETSI EN 300
220-2 V3.2.1
Sara Gard
Huskvarna
Director Residential EPAC Robotics R&D Husqvarna
AB. Husqvarna Forest and Garden Division.
Verantwoordelijk voor technische documentatie.
70 - Verklaring van overeenstemming 1404 - 017 -

1404 - 017 - Verklaring van overeenstemming - 71

www.husqvarna.com
AUTOMOWER
®
is een handelsmerk van Husqvarna AB.
Copyright
©
2024 HUSQVARNA. All rights reserved.
Originele instructies
1144023-36
2024-10-15
