Husqvarna AUTOMOWER 450X NERA MET DRAADLOZE TECHNOLOGIE robotmaaier

Product's Documents

Below are documents related to this product, you can read online or download:
User Manual
  • Owners Manual Automower 320/430X/450X NERA. 2025 - (English) Read Online | Download pdf
  • Owners Manual Automower 320/430X/450X NERA. 2024 - (English) Download
  • Owners Manual Automower 320/430X/450X NERA. 2023 - (English) Download
Other Documents
  • QG. Automower 320/430X/450X NERA. 2025 - (English) Download
  • QG. Automower 320/430X/450X NERA. 2024 - (English) Download
  • DOC. Automower 320, 430X, 450X NERA. 2023-09 - (English) Download

Owners Manual Automower 320/430X/450X NERA. 2025

This is the main product document for model AUTOMOWER 450X NERA MET DRAADLOZE TECHNOLOGIE. Additionally, the document applies to other Husqvarna models: 970535356

The file format is pdf, 64 pages, you can download this manual here .

background
NL, Nederlands
Gebruiksaanwijzing
HUSQVARNA AUTOMOWER
®
320/430X/450X NERA
Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en gebruik de
machine niet voordat u de instructies goed hebt begrepen.
background
Inhoud
1 Veiligheid
1.1 Veiligheidsdefinities...............................................3
1.2 Algemene veiligheidsinstructies............................ 3
1.3 Veiligheidsinstructies voor installatie.....................4
1.4 Veiligheidsinstructies voor bediening.................... 4
1.5 Veiligheidsinstructies voor onderhoud.................. 5
1.6 Veiligheid bij accu's............................................... 5
1.7 Product optillen en verplaatsen.............................5
2 Inleiding
2.1 Inleiding.................................................................6
2.2 Steun.....................................................................6
2.3 Productbeschrijving...............................................6
2.4 Productoverzicht Automower
®
320/430X/
450X NERA.................................................................7
2.5 Symbolen op het product...................................... 8
2.6 Symbolen op de accu............................................8
2.7 Symbolen op het display....................................... 9
2.8 Overzicht menustructuur in Automower
®
Access.......................................................................10
2.9 Schade aan het product...................................... 11
3 Installatie met virtuele grens
3.1 Inleiding - installatie.............................................12
3.2 Systeemoverzicht voor EPOS
-installatie..........13
3.3 Hoofdonderdelen voor de installatie....................13
3.4 Voorbereiden op installatie..................................13
3.5 Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst.......................................................14
3.6 Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst.......................................................14
3.7 Onderzoeken waar de voeding moet
worden geplaatst.......................................................15
3.8 Onderzoeken waar de virtuele grenzen
moeten worden geïnstalleerd....................................15
3.9 De functie EPOS
Support by wire gebruiken... 17
3.10 Montage van het product.................................. 18
4 Installatie met begrenzingsdraad
4.1 Inleiding - installatie.............................................24
4.2 Hoofdonderdelen voor de installatie....................24
4.3 Voorbereiden op installatie..................................24
4.4 Vóór de installatie van de draden........................24
4.5 Montage van het product.................................... 29
5 Instellingen
5.1 Schema............................................................... 33
5.2 Maaihoogte......................................................... 33
5.3 Patroon................................................................33
5.4 Werking............................................................... 34
5.5 Installatie-instellingen..........................................35
5.6 Accessoires.........................................................36
5.7 Algemeen............................................................ 36
5.8 Veiligheid.............................................................37
5.9 Automower
®
Connect ........................................ 37
5.10 Meldingen..........................................................37
5.11 Automower
®
Intelligent Mapping (AIM) ............38
5.12 Firmware draadloos downloaden FOTA
(Firmware over the air)..............................................38
5.13 Maaiprofielen.....................................................38
5.14 Het laadstation opnieuw installeren op de
kaart.......................................................................... 38
5.15 Het referentiestation opnieuw installeren
op de kaart................................................................ 38
6 Werking
6.1 Product op ON zetten..........................................39
6.2 Product starten....................................................39
6.3 Het product parkeren.......................................... 39
6.4 Product stoppen.................................................. 39
6.5 Het product uitschakelen.....................................40
6.6 De accu opladen................................................. 40
7 Onderhoud
7.1 Introductie - onderhoud....................................... 41
7.2 Onderhoudsschema............................................41
7.3 Product reinigen.................................................. 42
7.4 Accu.................................................................... 43
7.5 De bladen vervangen.......................................... 44
8 Probleemoplossing
8.1 Meldingen............................................................45
8.2 Led-indicatielampje van het laadstation
voor de installatie van begrenzingsdraad..................53
8.3 Symptomen......................................................... 54
8.4 Breuken in de lusdraad opsporen....................... 55
9 Vervoer, opslag en verwerking
9.1 Transport.............................................................58
9.2 De machine in opslag zetten...............................58
9.3 Het laadstation opbergen.................................... 58
9.4 Het laadstation na opslag installeren.................. 58
9.5 Afvoeren..............................................................59
10 Technische gegevens
10.1 Technische gegevens....................................... 60
2
2071 - 004 -
background
1 Veiligheid
1.1 Veiligheidsdefinities
Waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en
opmerkingen worden gebruikt om te wijzen op
belangrijke delen van de handleiding.
WAARSCHUWING: Wordt gebruikt
om te wijzen op de kans op ernstig of
fataal letsel voor de gebruiker of omstanders
wanneer de instructies in de handleiding niet
worden gevolgd.
OPGELET: Wordt gebruikt indien er
een risico bestaat op schade aan het
product en andere eigendommen of aan
de omgeving wanneer de instructies in de
handleiding niet worden gevolgd.
Let op: Geven verdere informatie die nodig is in een
bepaalde situatie.
1.2 Algemene veiligheidsinstructies
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
Lees de bedieningshandleiding zorgvuldig door en
zorg dat u de instructies hebt begrepen voordat u
het product gaat gebruiken. Bewaren om later te
kunnen raadplegen.
Het apparaat is niet bedoeld voor gebruik door
kinderen of personen met fysieke, zintuiglijke of
geestelijke beperkingen (die van invloed kunnen
zijn op het veilig bedienen van het product), of
een gebrek aan kennis en ervaring, tenzij ze
begeleiding bij of aanwijzingen voor het gebruik
van het apparaat hebben ontvangen van een
persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid.
Volgens EU-vereisten mag het apparaat echter
worden gebruikt door kinderen vanaf 8 jaar en
ouder en andere personen die ondanks hun
fysieke, sensorische of geestelijke handicap of
gebrek aan ervaring en kennis onder toezicht of
instructie van een verantwoordelijke persoon in
staat zijn veilig gebruik te maken van het apparaat
en op de hoogte zijn van alle gevaren. Kinderen
mogen niet spelen met het apparaat. Kinderen
mogen het apparaat niet zonder toezicht reinigen
of onderhouden.
Het product mag uitsluitend worden gebruikt
in combinatie met apparatuur aanbevolen door
Husqvarna. Elk ander gebruik is onjuist.
Om schade aan het product en ongelukken
met voertuigen en personen te voorkomen, mag
u geen werkgebieden en transportpaden over
openbare paden installeren.
Het product is geen speelgoed. De messen van
het product kunnen letsel veroorzaken bij mensen
en dieren.
Houd kinderen jonger dan 8 jaar buiten het
werkgebied terwijl u het product gebruikt. Kinderen
en huisdieren moeten te allen tijde onder toezicht
staan.
Alle personen moeten zich op een afstand van
minimaal 3 m/10 ft van het product bevinden
wanneer het in bedrijf is. Slaap of zonnebaad
bijvoorbeeld niet in het werkgebied wanneer het
product in bedrijf is.
Er moeten waarschuwingsborden worden
geplaatst rondom het werkgebied van het product
als het in openbare gebieden wordt gebruikt.
De borden moeten de volgende tekst bevatten:
Waarschuwing! Automatische gazonmaaier! Blijf
uit de buurt van de machine! Houd toezicht op
kinderen!
Gebruik het product niet wanneer u het handmatig
bedient met appDrive. Zorg ervoor dat u te allen
tijde een veilige en stabiele positie hebt. Zorg
ervoor dat er zich geen personen in de buurt
van het product bevinden wanneer het op steile
hellingen werkt. Draag altijd stevig schoeisel en
een lange broek als u het product gebruikt met
appDrive.
Om het product uit te schakelen gaat u achter
het product staan en drukt u op de STOP-knop.
U kunt de app gebruiken om het product te
pauzeren als dit van toepassing is op uw product.
Wanneer het product is uitgeschakeld, moet u
minimaal 3seconden wachten voordat u het
product verplaatst.
Zet het product op OFF voordat u een blokkade
verhelpt, onderhoud uitvoert of het product
onderzoekt, en als het product abnormaal begint
te trillen. Controleer het product op beschadiging
voordat u het opnieuw start. Gebruik het product
niet als het beschadigd is.
Raak geen bewegende gevaarlijke onderdelen,
zoals de maaischijf, aan voordat de maaier volledig
tot stilstand is gekomen.
Als zich een letsel of ongeval voordoet, dient u
medische hulp in te schakelen.
Plaats de voedingskabel en de verlengkabel niet
in het werkgebied. Dit kan schade aan de kabels
veroorzaken.
Sluit geen beschadigde kabel of stekker aan en
raak een beschadigde kabel niet aan voordat
de kabel is losgekoppeld van het stopcontact.
2071 - 004 -
Veiligheid - 3
background
Koppel de stekker los van het stopcontact
als de kabel beschadigd raakt tijdens het
gebruik. Een versleten of beschadigde kabel
verhoogt het risico op elektrische schokken. Een
beschadigde kabel moet worden vervangen door
onderhoudspersoneel.
Wanneer u de voedingskabel op het stopcontact
aansluit, moet u een aardlekschakelaar (RCD)
gebruiken met een afschakelstroom van maximaal
30 mA.
Laad het product alleen op in het meegeleverde
laadstation. Voor veilig afvoeren van de accu
raadpleegt u
Accu op pagina 43
. Onjuist gebruik
kan leiden tot elektrische schokken, oververhitting
of lekkage van corroderende vloeistof uit de accu.
Spoelen met water/neutralisatiemiddel in geval van
lekkage van elektrolyt. Roep medische hulp in als
er bijtende vloeistof in uw ogen komt.
Gebruik alleen originele accu's die worden
aanbevolen door Husqvarna. De veiligheid van
het product kan niet worden gegarandeerd met
niet-originele accu's. Gebruik geen niet-oplaadbare
accu's.
Volg de installatie-instructies, inclusief de
instructies om het werkgebied te specificeren, zie
Inleiding - installatie op pagina 12
.
Volg de instructies voor het starten en gebruiken
van het product, zie
Werking op pagina 39
.
Als er kans op onweer is, raadt Husqvarna
aan om de voedingskabel en alle draden naar
het laadstation los te koppelen om het risico
op schade aan elektrische componenten te
verminderen. Sluit de voedingskabel en alle
draden weer aan als er geen onweer meer dreigt.
Het is belangrijk dat alle draden correct zijn
aangesloten.
Volg de onderhoudsinstructies op en gebruik
indien nodig originele reserveonderdelen van
Husqvarna, zie
Onderhoud op pagina 41
.
Voor technische gegevens zoals gewicht,
afmetingen en geluidsemissiewaarden raadpleegt
u
Montage van het product op pagina 29
.
De gebruiker is verantwoordelijk in geval van
ongelukken of gevaren met betrekking tot andere
personen of eigendommen.
Het product mag uitsluitend worden bediend,
onderhouden en gerepareerd door personen die
volledig vertrouwd zijn met de speciale kenmerken
van en veiligheidsregels voor het product.
Het is niet toegestaan om het originele ontwerp
van het product te wijzigen.
Volg de nationale voorschriften voor elektrische
veiligheid.
Husqvarna staat niet garant voor volledige
compatibiliteit tussen het product en andere typen
draadloze systemen, zoals afstandsbedieningen,
radiozenders of dergelijke.
Het ingebouwde alarm maakt een zeer hard
geluid. Let op, in het bijzonder wanneer het
product in een gesloten ruimte wordt gehanteerd.
Het bedrijfs- en opslagtemperatuurbereik is 0-50
°C / 32-122 °F. Het temperatuurbereik voor
het opladen is 5-45 °C / 41-113 °F. Te hoge
temperaturen kunnen schade aan het product
veroorzaken.
1.3 Veiligheidsinstructies voor
installatie
WAARSCHUWING: Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
Installeer het laadstation, inclusief accessoires,
niet op een plek die zich onder of binnen 60
cm / 24 inch van brandbaar materiaal bevindt. In
geval van een storing kunnen het laadstation en
de voeding heet worden en kan er brandgevaar
ontstaan.
Zet de voeding niet op een hoogte waar er een
risico bestaat dat deze in het water komt te staan.
Zet de voeding niet op de grond.
Kapsel de voeding niet in. Condenswater kan de
voeding beschadigen en het risico op elektrische
schokken vergroten.
Installeer het laadstation niet op een plek waar
zich ongedierte bevindt, zoals mieren.
Van toepassing voor USA/Canada. Als de
voedingseenheid buiten is opgesteld: Risico van
elektrische schok. Alleen aansluiten op een
afgedekt GFCI-stopcontact (RCD), klasse A, dat
voorzien is van een behuizing die waterdicht is,
ongeacht of de kap van de aansluitstekker is
geplaatst.
Installeer het laadstation niet op een plek waar er
een risico bestaat op water vorming.
1.4 Veiligheidsinstructies voor
bediening
WAARSCHUWING:
Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
Houd handen en voeten uit de buurt van roterende
messen. Plaats uw handen of voeten niet in de
buurt van of onder het product wanneer het op ON
staat.
Gebruik de functie Parkeren of zet het product
op OFF wanneer personen, vooral kinderen, of
dieren zich in het werkgebied bevinden. Zie
Het
product uitschakelen op pagina 40
. Husqvarna
raadt aan om het product in te stellen op gebruik
4
- Veiligheid 2071 - 004 -
background
wanneer er in het werkgebied geen activiteit is.
Het product kan 's nachts letsel bij dieren in het
werkgebied veroorzaken, bijvoorbeeld bij egels.
Zie
Bedieningsmodi - Parkeren op pagina 39
.
Controleer of er geen voorwerpen zoals stenen,
takken, gereedschappen of speelgoed op het
gazon aanwezig zijn. De messen kunnen
beschadigd raken als ze een voorwerp raken.
Til het product niet op en verplaats het niet
wanneer het op ON is gezet.
Laat het product niet in botsing komen met
personen of dieren. Als een persoon of dier in
de baan van het product komt, moet het product
onmiddellijk worden gestopt. Zie
Product stoppen
op pagina 39
.
Zet geen objecten boven op het product of het
laadstation.
Gebruik het product niet als de STOP-knop niet
werkt.
Zet het product altijd op OFF wanneer u het niet
gebruikt. Het product kan alleen worden gestart als
u de juiste pincode invoert.
Gebruik het product niet tegelijkertijd met een pop-
up-sproeier. Gebruik de functie
Schema
zodat het
product en de pop-up-sproeier niet tegelijkertijd
werken. Zie
Schema op pagina 33
.
Gebruik dit product niet als er plassen water in
het werkgebied bevinden. Bijvoorbeeld als zware
regenval waterplassen veroorzaakt.
1.5 Veiligheidsinstructies voor
onderhoud
WAARSCHUWING:
Lees de
volgende waarschuwingen voordat u
onderhoud aan het product gaat uitvoeren.
Zet het product op OFF voordat u onderhoud aan
het product uitvoert.
Reinig het product niet met een hogedrukspuit.
Gebruik geen oplosmiddelen om het product te
reinigen.
Ontkoppel de stekker naar het laadstation voordat
u reinigings- of onderhoudswerkzaamheden
verricht aan het laadstation.
1.6 Veiligheid bij accu's
WAARSCHUWING:
Lees de
volgende waarschuwingen voordat u het
product gaat gebruiken.
Lithium-ionaccu's kunnen ontploffen of brand
veroorzaken, indien gedemonteerd, kortgesloten,
blootgesteld aan water, brand of hoge
temperaturen. Behandel de accu voorzichtig,
demonteer de accu niet, open de accu niet en
voorkom elektrisch/mechanisch misbruik. Zet een
accu niet in direct zonlicht.
Gebruik geen beschadigde accu. Verwijder de
accu als deze beschadigd is. Zie
Afvoeren op
pagina 59
.
1.7 Product optillen en verplaatsen
WAARSCHUWING: Het product
moet uitgeschakeld zijn voordat u het optilt.
Het product is uitgeschakeld wanneer het
indicatielampje op het draaiwiel uitgaat.
OPGELET: Til het product niet op
als het in het laadstation is geparkeerd.
Hierdoor kunnen het laadstation en/of het
product worden beschadigd. Druk op de
STOP-knop en trek het product uit het
laadstation voordat u het optilt.
Voor het veilig verplaatsen van het product uit of binnen
het werkgebied:
1. Druk op de STOP-knop om het product te stoppen.
2. Zet het product op OFF.
3. Draag het product aan de hendel, met de
maaischijf van uw lichaam af.
2071 - 004 - Veiligheid - 5
background
2 Inleiding
2.1 Inleiding
Fabriekspincode: 1234
Serienummer:
Productnummer:
Het serienummer en het productnummer staan op het productplaatje en op de productverpakking.
Registreer uw product op www.husqvarna.com. Voer het serienummer van het product, het productnummer en
de aankoopdatum in om uw product te registreren.
2.2 Steun
Neem contact op met uw Husqvarna-dealer voor
ondersteuning met betrekking tot het product.
2.3 Productbeschrijving
Let op: Husqvarna werkt het uiterlijk en de werking
van producten regelmatig bij. Zie
Steun op pagina 6
.
Het product is een robotmaaier. Het product bevat een
accu en werkt automatisch. Wanneer de laadstatus
van de accu laag is, gaat het product terug naar het
laadstation om op te laden. Het product begint weer te
werken wanneer de accu volledig is opgeladen.
Deze regelmatige maaitechniek verbetert de kwaliteit
van het gras en vermindert het gebruik van meststoffen.
Het gras hoeft niet te worden verzameld.
2.3.1 Installatiemethode
U kunt het product installeren met virtuele grenzen
met EPOS
-technologie of met fysieke grenzen met
grensdraad.
Voor installatie met EPOS
, zie
Installatie met virtuele
grens op pagina 12
. Voor het aanbrengen van de
begrenzingsdraad, zie
Installatie met begrenzingsdraad
op pagina 24
.
2.3.2 Automower
®
Connect
Automower
®
Connect is een mobiele applicatie
waarmee de instellingen op afstand kunnen worden
geselecteerd. Automower
®
320 NERA kan verbinding
maken met de app met Bluetooth
®
en Wi-Fi.
Automower
®
430X/450X NERA kan verbinding maken
met de app met Bluetooth
®
, Wi-Fi en mobiele
connectiviteit. Wanneer u zich in de buurt van het
product bevindt, kunt u uw mobiele apparaat en het
product verbinden met Bluetooth
®
. De verbinding met
Bluetooth
®
is noodzakelijk om bepaalde instellingen te
kunnen aanbrengen. Als het product verbonden is met
uw Wi-Fi-netwerk of het mobiele netwerk kunt u het
product vanaf elke plek bedienen.
2.3.3 Automower
®
Access
Automower
®
Access is de gebruikersinterface van het
product. Deze bestaat uit het display, het draaiwiel,
de START-knop en de STOP-knop. Zie
Overzicht
menustructuur in Automower
®
Access op pagina 10
.
6 - Inleiding 2071 - 004 -
background
2.4 Productoverzicht Automower
®
320/430X/450X NERA
Automower 320 NERA Automower 430X/450X NERA
16
17
28
22
29
24
25
27
26
23
35
30
33
31
32
4
2
7
3
5
18
34
19
20
8
11
10
9
12
13
14
15
1
6
21
14
1. Behuizing van het product
2. Kap
3. Voorwielen
4. Achterwielen
5. Radar
6. Koplampen
7. Accessoirehub
8. Display
9. START-knop
10. Draaiwiel
11. STOP-knop
12. Maaisysteem
13. Chassiskast met elektronica, accu en motoren
14. Handgreep
15. Productplaatje
1
16. Maaischijf
17. Glijplaat
18. Laadstation
19. Deksel
20. Led-indicator van het laadstation
21. Contactplaten
22. Kabelmarkers
23. Voeding
2
24. Schroeven voor bevestiging van het laadstation
25. Bedieningshandleiding en beknopte handleiding
26. Alarmsticker
27. Extra bladen
28. Meetlat voor het installeren van de
begrenzingsdraad (de meetlat moet van de doos
van het product worden verwijderd)
29. Laagspanningskabel
1
Bevindt zich onder de bovenklep.
2
Het uiterlijk kan verschillen voor verschillende markten.
2071 - 004 - Inleiding - 7
background
30. Krammen
3
31. Lusdraad voor begrenzingsdraad en
geleidingsdraad
4
32. Aansluitklemmen voor de lusdraad
5
33. Koppelingen voor de lusdraad
6
34. Referentiestation
7
35. Husqvarna
®
Automower
®
EPOS
Plug-in
8
2.5 Symbolen op het product
Deze symbolen staan op het product. Zorg ervoor dat u
deze begrijpt.
WAARSCHUWING: Lees de
gebruikersinstructies voordat
u het product gebruikt.
WAARSCHUWING: Schakel
het product uit voordat u on-
derhoud aan het product uit-
voert of het product optilt.
WAARSCHUWING: Bewaar
een veilige afstand tot het
product als dit in gebruik is.
Houd uw handen en voeten
uit de buurt van de roterende
messen van het product.
WAARSCHUWING: Ga niet
op het product zitten. Plaats
uw handen of voeten niet in
de buurt van of onder het pro-
duct.
Gebruik een losse voeding
met de specificaties die op
het typeplaatje naast het
symbool staan vermeld.
Dit product voldoet aan de geldende EU-
richtlijnen.
Dit product voldoet aan de geldende UK-
richtlijnen.
Het is niet toegestaan om het product als
normaal huishoudelijk afval af te voeren.
Houd u aan de nationale voorschriften en
gebruik het lokale recyclingsysteem.
Het chassis bevat onderdelen die gevoelig
zijn voor elektrostatische ontlading (ESD).
Het chassis mag uitsluitend worden
geopend en verzegeld door een erkende
onderhoudsmonteur. De garantie is niet
van toepassing als de afdichting is
gebroken.
Voer geen aanpassingen uit aan de
laagspanningskabel.
Gebruik geen heggenschaar of een
grastrimmer in de buurt van de
laagspanningskabel.
2.6 Symbolen op de accu
WAARSCHUWING: Lithium-Ion accu's
kunnen ontploffen of brand veroorzaken
indien ze zijn gedemonteerd of
kortgesloten of indien er ruw mee wordt
omgegaan. Stel ze niet bloot aan water,
vuur of hoge temperaturen.
Lees de gebruikersinstructies goed door.
Dank de accu niet af door deze in een
vuur te gooien en stel de accu niet bloot
aan een warmtebron.
Dompel de accu niet onder in water.
3
Afzonderlijk verkrijgbaar.
4
Afzonderlijk verkrijgbaar.
5
Afzonderlijk verkrijgbaar.
6
Afzonderlijk verkrijgbaar.
7
Afzonderlijk verkrijgbaar.
8
Afzonderlijk verkrijgbaar.
8 - Inleiding 2071 - 004 -
background
2.7 Symbolen op het display
Het product is in bedrijf.
Het product is geparkeerd.
Het product is gepauzeerd.
Er is een fout opgetreden.
Maaihoogte van het product.
Sterkte van het mobiele signaal.
Wi-Fi signaalsterkte.
Bluetooth
®
verbinding is ingeschakeld.
De accu wordt opgeladen.
Accuniveau.
2071 - 004 - Inleiding - 9
background
2.8 Overzicht menustructuur in Automower
®
Access
2.8.1 Symbolen in het hoofdmenu voor
Automower
®
Access
Maaihoogte
In het menu
Maaihoogte
kunt u de
maaihoogte instellen.
Parkeren
In het menu
Parkeren
kunt u het product
zo instellen dat het tot nader order of
volgens het ingestelde schema wordt
geparkeerd.
Maaien
In het menu
Maaien
kunt u instellen dat
het product maait volgens het ingestelde
schema of u kunt het product in de
bijgebied-modus zetten.
Verbinden
In het menu
Verbinden
kunt u Bluetooth
®
inschakelen en een koppelingsbewerking
met uw mobiele apparaat uitvoeren.
Taal
In het menu
Taal
kunt u een taal op het
display selecteren.
Uitschakelen
Uitschakelen
schakelt het product uit.
2.8.2 Symbolen in het submenu voor
Automower
®
Access
Maaihoogte
In het submenu
Maaihoogte
kunt u een
maaihoogte voor het product selecteren.
10 - Inleiding 2071 - 004 -
background
Terug
Als u
Terug
selecteert, keert u terug naar
het hoofdmenu.
Schema
In het submenu
Schema
kunt u
de
Schema
-instellingen selecteren. De
Schema
-instellingen worden ingesteld in
de Automower
®
Connect-app.
Geselecteerde bedieningsmodus
In dit submenu kunt u het product
selecteren om continu te werken in de
geselecteerde bedrijfsmodus. Het product
blijft in deze modus werken tot u een
nieuwe bedrijfsmodus selecteert.
Bijgebied
In het submenu
Bijgebied
kunt u de
bedrijfsmodus
Bijgebied
selecteren. Zie
Bijgebied op pagina 39
.
Verbonden
Het product en het mobiele apparaat zijn
verbonden met Bluetooth
®
.
Niet verbonden
Het product en het mobiele apparaat zijn
niet verbonden met Bluetooth
®
.
2.8.3 Symbolen in de app
Toont de status van de correctiegegevens
die het product ontvangt.
De status is
EPOS
bevestigd
. Het
product heeft een nauwkeurige positie
en richting. Dit is nodig om het product
automatisch te laten werken en voor de
installatie van kaartobjecten.
De status is
EPOS
-actie is noodzakelijk
.
Het product heeft een nauwkeurige
positie, maar het is noodzakelijk om
het product handmatig of automatisch te
bedienen voor een nauwkeurige richting.
De status is
EPOS
zoeken
. Het
product heeft geen nauwkeurige positie
en zoekt naar de satellietsignalen en de
correctiegegevens om een nauwkeurige
positie te verkrijgen.
2.9 Schade aan het product
We zijn niet verantwoordelijk voor schade aan ons
product als:
het product niet goed is gerepareerd.
het product is gerepareerd met onderdelen die niet
van de fabrikant afkomstig zijn, of onderdelen die
niet zijn goedgekeurd door de fabrikant.
het product een accessoire bevat dat niet
afkomstig is van de fabrikant of niet is
goedgekeurd door de fabrikant.
het product niet is gerepareerd door een erkend
servicepunt of door een erkende autoriteit.
2071 - 004 - Inleiding - 11
background
3 Installatie met virtuele grens
3.1 Inleiding - installatie
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product monteert.
OPGELET: Gebruik originele
reserveonderdelen en origineel
installatiemateriaal.
Let op: Zie www.husqvarna.com voor meer
informatie over de installatie.
Voor installatie met virtuele grenzen met EPOS
, maakt
het product gebruik van satellieten en correctiegegevens
om te navigeren. De correctiegegevens kunnen
worden ontvangen via de Husqvarna
®
Cloud of een
referentiestation. Het referentiestation is een optionele
accessoire dat u kunt gebruiken als u geen verbinding
kunt maken met de Husqvarna
®
Cloud.
Let op: Alle landen ondersteunen geen
referentiestations of correctiegegevens via de
Husqvarna
®
Cloud. Neem voor informatie contact op uw
lokale Husqvarna-vertegenwoordiger.
Om een installatie uit te voeren, wordt het product
bediend met appDrive in de Automower
®
Connect-app.
Waypoints worden toegevoegd om een kaart te maken
in de app.
Werkgebieden zijn de gebieden waar het product werkt
en gras maait. U kunt ook te vermijden zones maken
waar het product niet mag komen.
Vóór het laadstation bevindt zich een koppelpunt.
Deze wordt gebruikt om het product naar en van het
laadstation te laten navigeren.
Transportpaden zijn nodig om te navigeren tussen het
koppelpunt en de werkgebieden. Het product maait
geen gras wanneer het langs een transportpad werkt.
Zie
Systeemoverzicht voor EPOS
-installatie op pagina
13
.
12 - Installatie met virtuele grens 2071 - 004 -
background
3.2 Systeemoverzicht voor EPOS
-installatie
6
3 4
1
2
9
9
2
5
10
7
8
11
12
12 13
1. Satellieten
2. Satellietsignalen
3. Referentiestation
9
4. Husqvarna
®
Cloud
5. Correctiegegevens
6. Laadstation
7. Virtuele grens
8. Te vermijden zone
9. Werkgebied
10. Mobiel apparaat
11. Koppelpunt
12. Transportpad
13. Robotmaaier
3.3 Hoofdonderdelen voor de installatie
De installatie bevat de volgende onderdelen:
Robotmaaier die het gazon automatisch maait.
Oplaadstation, waarmee het product wordt
opgeladen.
Voeding, die is aangesloten tussen het laadstation
en een stopcontact van 100-240 V.
Referentiestation
10
, dat satellietsignalen ontvangt
en correctiegegevens naar de robotmaaier stuurt.
Mobiel apparaat met de Automower
®
Connect-app
om de installatie van het product uit te voeren en
de instellingen te regelen.
3.4 Voorbereiden op installatie
OPGELET: Gaten met water in het
gazon kunnen schade aan het product
veroorzaken.
9
Optionele accessoire dat afzonderlijk wordt aangeschaft.
10
Optionele accessoire dat afzonderlijk wordt aangeschaft.
2071 - 004 - Installatie met virtuele grens - 13
background
OPGELET: Lees het hoofdstuk over
installatie voordat u de installatie start.
Als u EPOS
via Husqvarna
®
Cloud gebruikt, zorg
er dan voor dat het product correctiegegevens in
het volledige werkgebied kan ontvangen.
Let op: Mobiele dekking of Wi-Fi is nodig
om correctiegegevens voor het product via
Husqvarna
®
Cloud te ontvangen. Automower
®
430X/450X NERA moet mobiele dekking hebben
en Automower
®
320 NERA moet Wi-Fi-dekking
in het volledige werkgebied hebben. Als dit niet
mogelijk is, kunt u een lokaal referentiestation
gebruiken om correctiegegevens als alternatief te
ontvangen.
Maak een blauwdruk van het werkgebied en neem
er alle obstakels in op. Dit maakt het eenvoudiger
om te onderzoeken waar het laadstation, de
virtuele grenzen en het referentiestation moeten
worden geplaatst.
Maak een markering op de blauwdruk
waar het laadstation, het onderhoudspunt, de
transportpaden, de virtuele grenzen, de te
vermijden zones en het referentiestation moeten
worden geplaatst.
Vul de gaten in het gazon in om het vlak te maken.
Voor Automower
®
320 NERA moet u ervoor
zorgen dat u Wi-Fi-dekking in het laadstation hebt
om nieuwe firmware te downloaden. Zie
Firmware
draadloos downloaden FOTA (Firmware over the
air) op pagina 38
. Voor Automower
®
430X/450X
NERA wordt Wi-Fi of mobiele technologie gebruikt
voor FOTA.
Voor Automower
®
320 NERA, moet u ervoor
zorgen dat u Wi-Fi-dekking in het werkgebied
hebt als u de Automower
®
Connect-app op
afstand gebruikt. Zie
Om te koppelen met de
Automower
®
Connect-app op pagina 19
. Voor
Automower
®
430X/450X NERA wordt Wi-Fi of
mobiele technologie gebruikt voor Automower
®
Connect.
Maai het gras voordat u het product installeert.
Zorg ervoor dat het gras maximaal 10 cm/3.9 inch
is.
Let op:
De eerste weken na de installatie kan het
geluidsniveau bij het maaien van het gras hoger zijn dan
gewoonlijk. Het geluidsniveau wordt na verloop van tijd
lager.
3.5 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
Lees en begrijp de instructies over waar u
het referentiestation moet plaatsen. Raadpleeg de
bedieningshandleiding voor het referentiestation.
3.6 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
U kunt het laadstation in of buiten het werkgebied
plaatsen.
Als het koppelpunt zich buiten de werkgebieden
bevindt, installeer dan een transportpad van het
koppelpunt naar de werkgebieden.
Plaats het laadstation (A) in een open gebied.
Plaats het koppelpunt tussen 70-250 cm/28-98
inch vanaf het laadstation. Zorg ervoor dat het
koppelpunt (B) onbelemmerd zicht op de lucht
heeft.
Zorg voor voldoende vrije ruimte vóór het
laadstation.
Let op: Husqvarna adviseert om minimaal 6
m / 20 ft. (C) vrije ruimte voor het laadstation te
hebben.
De achteruitrijafstand kan worden ingesteld op
70-250 cm / 28-98 inch.
B
C
A
AB
C
Let op: Een korte achteruitrijafstand vermindert
het risico op sporen. Een lange achteruitrijafstand
kan nodig zijn voor een goede ontvangst van
satellietsignalen bij het koppelpunt.
Plaats het laadstation in de buurt van een
stopcontact.
14
- Installatie met virtuele grens 2071 - 004 -
background
Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond.
De bodemplaat van het laadstation mag niet
gebogen zijn.
Als het werkgebied twee delen heeft die zijn
gescheiden door een steile helling,Husqvarna
raden wij aan het laadstation op het laagste deel
te plaatsen.
OPGELET: Installeer het laadstation
niet op een plek waar zich metalen
objecten in de grond bevinden. Metalen
objecten kunnen interferentie met het
laadstationsignaal veroorzaken.
3.7 Onderzoeken waar de voeding
moet worden geplaatst
OPGELET: Zorg ervoor dat de messen
op het product niet de laagspanningskabel
doorsnijden.
OPGELET: Plaats de
laagspanningskabel niet in een spoel of
onder de plaat van het laadstation. De
bobine veroorzaakt interferentie met het
signaal van het laadstation.
Plaats de voeding in een gebied met een dak en
bescherming tegen de zon en de regen.
Plaats de voeding in een gebied met een goede
luchtstroom.
Gebruik een aardlekschakelaar met een
afschakelstroom van maximaal 30 mA wanneer u
de voeding aansluit op het stopcontact.
Laagspanningskabels van verschillende lengtes zijn
verkrijgbaar als accessoires.
3.8 Onderzoeken waar de virtuele
grenzen moeten worden geïnstalleerd
OPGELET:
Als het werkgebied aan
een waterpartij, helling, afgrond of openbare
weg grenst, moet er een beschermende
muur worden geplaatst. De muur moet
minimaal 15 cm/6 inch hoog zijn.
OPGELET: Laat het product niet
werken op grind.
Voor een voorzichtige werking zonder lawaai moet
u te vermijden zones rond alle obstakels zoals
bomen, wortels en stenen maken.
Maak een blauwdruk van het werkgebied voordat u
de virtuele grenzen installeert.
3.8.1 Kaartobjecten installeren bij
gebouwen en bomen
Zorg dat het 90° gedeelte van de hemel
onbelemmerd is waar het product werkt.
90°
Let op: Het product kan geen signalen van
navigatiesatellieten ontvangen als de hemel wordt
belemmerd.
Maak een te vermijden zone (B) rond bomen
en boomgroepen met een bladerdak met een
diameter van meer dan 4m/ 13ft (A).
B
A
2071 - 004 -
Installatie met virtuele grens - 15
background
Let op: Bomen en boomgroepen met een
bladerdak met een diameter van meer dan
4m / 13ft (A) kunnen tijdelijke stops van het
product veroorzaken. Kleinere bomen veroorzaken
gewoonlijk geen verstoring van de werking van het
product.
Installeer de virtuele grens op een minimale
afstand (C) van 1.5m / 5ft van L-vormige
gebouwen.
C
Als u virtuele grenzen wilt installeren in een gebied
met een U-vormig gebouw, moet de afstand (E)
minimaal 6m / 20ft bedragen. Als het gebouw
hoger is dan 3m / 10ft moet de afstand (E)
twee keer zo groot zijn als de hoogte van het
hoogste gebouw. Installeer de virtuele grens op
een minimale afstand (D) van 1.5m / 5ft van het
object.
D
D
D
D
E
Zorg dat de gebieden tussen objecten een afstand
(F) van minimaal 4m / 13ft hebben.
F
Let op: Voor gebieden minder breed dan 4 m /
13 ft. kan een transportpad worden gemaakt voor
de robotmaaier om door te gaan zonder te snijden.
3.8.2 De kaartobjecten op een helling
installeren
Het product kan werken op 50% hellingen in het
werkgebied. Bij de virtuele grenzen is de maximale
16
- Installatie met virtuele grens 2071 - 004 -
background
helling 20%. De hellingsgraad (%) wordt berekend als
hoogte per m. Voorbeeld: 10 cm/100 cm = 10%.
10 cm/ 4"
100 cm/ 40"
10%
Voor hellingen steiler dan 50% binnen het
werkgebied isoleert u de helling met een te
vermijden zone.
Voor hellingen grenzend aan een openbare weg
plaatst u een hek of een beschermende muur
langs de buitenrand van de helling.
Husqvarna raadt aan om de richting van het
systematische patroon recht omhoog de helling op
in te stellen om slijtage van het gras te voorkomen.
3.8.3 Doorgangen
Een doorgang is een sectie met een virtuele grens aan
elke kant die twee delen van het werkgebied verbindt.
De doorgangsbreedte moet minimaal 2m / 6.5ft zijn
voor een goed maairesultaat.
3.8.4 Onderzoeken waar te vermijden
zones moeten worden gemaakt
Maak te vermijden zones rond objecten die groter
zijn dan 2x2m.
Zorg dat de te vermijden zone minimaal 30x30
cm / 1x1 ft is.
Zorg ervoor dat de te vermijden zone het volledige
gebied (A) omvat waar het product niet mag
komen.
A
B
Let op:
Maak geen te vermijden zone (B) door
het werkgebied om te voorkomen dat het product
delen van het werkgebied binnengaat.
3.9 De functie
EPOS
Support by wire
gebruiken
De begrenzingsdraad kan worden geïnstalleerd voor
gebruik met het EPOS
-systeem. Installeer de
begrenzingsdraad als de satellietsignalen zwak zijn.
Deze mag worden geïnstalleerd in een deel van het
werkgebied of in een gebied waarin u een transportpad
hebt geïnstalleerd.
Let op: Gebruik de begrenzingsdraad niet om het
werkgebied te vergroten.
Plaats een deel van de begrenzingsdraad (A) op
ongeveer 2m / 6,6 ft afstand van het gebied waar
het satellietsignaal zwak is.
A
2071 - 004 -
Installatie met virtuele grens - 17
background
Schakel de functie
EPOS
Support by wire
in
wanneer de begrenzingsdraad geïnstalleerd is.
Selecteer
Accessoires
>
EPOS
Support by wire
>
Inschakelen
in de Automower
®
Connect-app.
Verleng de begrenzingsdraad in het werkgebied
als het product blijft stoppen in een gedeelte van
het werkgebied.
Verleng de begrenzingsdraad in het werkgebied
als het product het gebied niet met de
begrenzingsdraad kan verlaten.
3.10 Montage van het product
3.10.1 Installatiegereedschappen
Inbussleutel, 8 mm. Meegeleverd in de doos.
3.10.2 Het laadstation installeren
Lees en begrijp de instructies over het laadstation.
Zie
Onderzoeken waar het laadstation moet worden
geplaatst op pagina 14
.
OPGELET: Het is niet toegestaan om
nieuwe gaten in de plaat van het laadstation
te maken.
OPGELET: Plaats uw voeten niet op de
bodemplaat van het laadstation.
WAARSCHUWING: Zorg ervoor
dat de pluggen van de laagspanningskabel
en de voedingseenheid schoon en droog
zijn voordat u ze aansluit.
Gebruik wanneer u de voeding aansluit altijd
een stopcontact dat is aangesloten op een
aardlekschakelaar (RCD).
3.10.2.1 Laadstation monteren
OPGELET:
Het is niet toegestaan om
nieuwe gaten in de plaat van het laadstation
te maken.
OPGELET: Plaats uw voeten niet op de
bodemplaat van het laadstation.
WAARSCHUWING: Zorg ervoor
dat de pluggen van de laagspanningskabel
en de voedingseenheid schoon en droog
zijn voordat u ze aansluit.
Gebruik bij het aansluiten van de voeding altijd
een stopcontact dat is aangesloten op een
aardlekschakelaar (RCD).
1. Lees en begrijp de instructies over het laadstation.
Zie
Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst op pagina 14
.
2. Plaats het laadstation in het geselecteerde gebied.
3. Open de klep aan de voorkant van het laadstation.
4. Bevestig de bovenkant van het laadstation.
5. Kantel de bovenkant van het laadstation en til hem
op.
6. Breng de doorvoertule met de kabels aan.
7. Sluit de kabel op het laadstation aan.
8. Sluit de laagspanningskabel aan op het
laadstation.
9. Sluit de klep aan de voorkant van het laadstation.
10. Zet de voeding op een minimale hoogte van 30
cm/12 inch.
18
- Installatie met virtuele grens 2071 - 004 -
background
min 30 cm / 12”
11. Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van
100-240V.
12. Plaats de laagspanningskabel met staken in de
grond of graaf de kabel in.
13. Bevestig het laadstation aan de grond met behulp
van de bijgeleverde schroeven.
3.10.2.2 Visuele controle van het laadstation uitvoeren
1. Controleer of de led-indicator op het laadstation
groen brandt. Raadpleeg
Led-indicatielampje
van het laadstation voor de installatie van
begrenzingsdraad op pagina 53
voor informatie
over de led-indicator.
2. Als de led-indicator niet groen is, controleert
u de installatie. Zie
Led-indicatielampje van
het laadstation voor de installatie van
begrenzingsdraad op pagina 53
en
Het
laadstation installeren op pagina 18
.
3.10.3 Het product opladen
1. Plaats het product in het laadstation.
Let op:
Het product begint automatisch op te
laden wanneer het product zich in het laadstation
bevindt.
3.10.4 Om te koppelen met de Automower
®
Connect-app
1. Download de Automower
®
Connect-app op uw
mobiele apparaat.
2. Meld u aan voor een Husqvarna-account in de
Automower
®
Connect-app en volg de instructies.
3. Voer de fabriekspincode 1234 op het product in.
4. Gebruik het draaiwiel op het product om het menu
Bluetooth
®
te selecteren om de koppelingsmodus
in te schakelen.
5. Selecteer
Mijn maaiers
in de Automower
®
Connect-app en voeg uw product toe.
6. Volg de instructies in de Automower
®
Connect-
app.
Let op: Husqvarna raadt u aan de fabriekspincode in
de app te wijzigen in een nieuwe pincode.
3.10.5 De EPOS
Plug-in installeren
Volg de installatie-instructies in de
bedieningshandleiding voor Automower
®
EPOS
Plug-
in.
3.10.6 Om EPOS
in de Automower
®
Connect-app in te schakelen
Schakel EPOS
in de Automower
®
Connect-app in om
een installatie met virtuele grenzen te maken.
1. Selecteer
Instellingen
>
Accessoires
>
EPOS
Technologie
in de Automower
®
Connect-app.
3.10.7 Het referentiestation installeren
Installeer het referentiestation volgens de instructies in
de gebruikershandleiding van het referentiestation.
3.10.8 Installatie van de kaartobjecten
Lees en begrijp de instructies over waar u de
kaartobjecten moet plaatsen. Zie
Objecten op de kaart
te plaatsen op pagina 20
.
Op de kaart kunt u de volgende objecten installeren in
de app:
Werkgebieden
(A)
Te vermijden zones
(B)
Transportpad
(C)
Laadstation
(D)
Onderhoudspunt
(E)
Werkgebied (bijgebied)
(F)
2071 - 004 -
Installatie met virtuele grens - 19
background
A
F
B
A
D
E
C
Voor een complete kaartinstallatie moet u een
werkgebied en een laadstation op de kaart installeren.
Een werkgebied wordt gespecificeerd door virtuele
grenzen. Er kunnen maximaal 20 werkgebieden en
bijgebieden op een kaart worden geïnstalleerd.
Er zijn twee soorten werkgebieden:
Een werkgebied met daarin een laadstation of een
werkgebied dat verbonden is met een transportpad
waar het product automatisch werkt.
Een bijgebied is een werkgebied zonder
laadstation en zonder transportpad. Het product
moet handmatig naar en van het werkgebied
worden verplaatst.
Een transportpad is een opgegeven pad tussen het
koppelpunt vóór het laadstation en een werkgebied. Het
product kan automatisch werken op dit pad, maar maait
geen gras. Een transportpad kan tijdelijk worden in- en
uitgeschakeld in de app.
Er kunnen te vermijden zones worden gemaakt als er
gebieden zijn waar het product niet mag werken. Een
te vermijden zone wordt gespecificeerd door virtuele
grenzen. Te vermijden zones kunnen tijdelijk worden in-
en uitgeschakeld in de app.
Een onderhoudspunt is een specifieke plaats waar het
product kan worden geparkeerd. Dit kan bijvoorbeeld
worden gebruikt als servicepunt waar onderhoud aan
het product wordt uitgevoerd. Het onderhoudspunt is via
een pad verbonden met het koppelpunt.
Als u objecten op de kaart wilt plaatsen, bedient u het
product met de appDrive-installatie om waypoints op
de kaart toe te voegen. Zie
Objecten op de kaart te
plaatsen op pagina 20
.
3.10.8.1 Objecten op de kaart te plaatsen
De waypoints (A) zijn posities die de virtuele grenzen
en paden (B) vormen. De lijnen zijn recht tussen
de waypoints. Wij raden aan om zo weinig mogelijk
waypoints te gebruiken. Voor elk werkgebied en de
bijbehorende te vermijden zones en transportpad is het
totale maximumaantal waypoints 800. Husqvarna raadt
aan om maximaal 1000 waypoints toe te voegen voor
de volledige installatie van de kaart. Gebruik meerdere
waypoints om vloeiende bochten te maken. Husqvarna
raadt u aan een minimale afstand van 30cm / 1ft aan
te houden tussen waypoints. U kunt de posities van de
waypoints aanpassen in de app, na de installatie van de
kaart.
B
A
OPGELET: Til het product niet op
en verplaats het niet tussen de waypoints
als u de kaartobjecten installeert. Gebruik
appDrive voor een correcte installatie.
20 - Installatie met virtuele grens 2071 - 004 -
background
Let op: De positie van het waypoint wanneer u een
werkgebied of een te vermijden zone plaatst, bevindt
zich in de linker voorhoek van het product.
Let op: De positie van het waypoint bij de
installatie van een transportpad of een pad naar een
onderhoudspunt bevindt zich in het midden van het
product tussen de aandrijfwielen.
Zorg ervoor dat u zich in de buurt van het product
bevindt en met het product verbonden bent via de
app door middel van Bluetooth
®
.
Zorg ervoor dat de status
EPOS
bevestigd is
in
de appDrive.
Let op:
Een gamecontroller met Bluetooth
®
kan
worden gebruikt metappDrive om het product te
bedienen.
Selecteer het object dat u wilt plaatsen en gebruik
de knoppen in de appDrive-installatie om het
product te bedienen.
Gebruik de knop omhoog (A) om het product naar
voren te verplaatsen.
Gebruik de knop omlaag (B) om het product naar
achteren te verplaatsen.
Gebruik de knop met de pijl naar links (C) om het
product naar links te draaien.
Gebruik de knop met de
pijl naar rechts (D) het
product naar rechts te draaien.
Gebruik de middelste knop (E) als joystick om het
product in een willekeurige richting te bewegen en
te draaien.
Gebruik de knop waypoint (F) om een waypoint toe
te voegen op de kaart.
A
D
F
B
C
E
Let op: Loop 2-3 m / 6.5-9.8 ft. achter het product
wanneer u het product gebruikt met appDrive.
Een werkgebied maken
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een werkgebied
te maken.
Bedien het product rechtsom rond de grens van
het werkgebied en plaats waypoints.
Voeg het waypoint toe in de buitenste hoek om de
virtuele grens om een hoek te plaatsen.
2071 - 004 -
Installatie met virtuele grens - 21
background
Stel geen waypoints in die een virtuele grens over
zichzelf laten lopen in hetzelfde werkgebied.
Sla het werkgebied op om het eerste en laatste
waypoint automatisch te verbinden met een
virtuele grens.
1
2
3
4
5
6
7
8
Een te vermijden zone maken
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een te vermijden
zone te maken.
Bedien het product linksom rond de grens van de
te vermijden zone.
Stel geen waypoints in die een virtuele grens over
zichzelf laten lopen in dezelfde te vermijden zone.
Sla de te vermijden zone op om het eerste en
laatste waypoint automatisch te verbinden met een
virtuele grens.
Een transportpad maken
Gebruik het product en voeg waypoints toe op de
kaart om een transportpad aan te brengen. Begin
in een werkgebied op minimum 1 m / 3.3 ft. van de
virtuele grens.
Installeer het transportpad loodrecht op de virtuele
grens van het werkgebied.
Breng geen transportpad aan over een te
vermijden zone.
Stel geen waypoints in die ervoor zorgen dat een
transportpad over hetzelfde transportpad loopt.
Vermijd het maken van scherpe bochten wanneer
u het transportpad installeert. Husqvarna raadt u
aan meer waypoints toe te voegen om vloeiendere
bochten te maken.
135º
135º
90º
Gebruik het product en voeg waypoints toe om het
transportpad met het koppelpunt te verbinden.
Plaats het laatste waypoint op een transportpad
(A) in een hoek van +/-45graden ten opzichte van
het koppelpunt.
A
Sla het transportpad op om het laatste waypoint
automatisch te verbinden met het koppelpunt.
22
- Installatie met virtuele grens 2071 - 004 -
background
Stel de doorrijbreedte (A) in voor het transportpad.
De doorrijbreedte kan worden ingesteld op 2-5 m /
6.6-16.4 ft.
B
A
Een onderhoudspunt maken
Gebruik het product en voeg waypoints toe op
de kaart. Begin met het toevoegen van waypoints
op de positie waar u het onderhoudspunt
wilt installeren. Het eerste waypoint geeft het
onderhoudspunt aan.
Vermijd het maken van scherpe bochten wanneer
u een transportpad installeert. Husqvarna raadt u
aan meer waypoints toe te voegen om vloeiendere
bochten te maken.
135º
135º
90º
Gebruik het product en voeg waypoints toe om een
pad naar het laadstation te maken.
Plaats het laatste waypoint op een transportpad
(A) in een hoek van +/-45graden ten opzichte van
het koppelpunt.
A
Sla het onderhoudspunt op om het laatste
waypoint automatisch te verbinden met het
koppelpunt.
Stel de doorrijbreedte (A) in voor het
onderhoudspunt. De doorrijbreedte kan worden
ingesteld op 2-5 m / 6.6-16.4 ft.
A
2071 - 004 - Installatie met virtuele grens - 23
background
4 Installatie met begrenzingsdraad
4.1 Inleiding - installatie
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product monteert.
OPGELET: Gebruik originele
reserveonderdelen en origineel
installatiemateriaal.
Let op: Zie www.husqvarna.com voor meer
informatie over de installatie.
4.2 Hoofdonderdelen voor de installatie
De installatie bestaat uit de volgende onderdelen:
Een robotmaaier die het gazon automatisch maait.
Een laadstation met 3 functies:
Controlesignalen door de begrenzingsdraad
verzenden.
Controlesignalen langs de geleidingsdraad
sturen, zodat het product de geleidingsdraad
naar specifieke afgelegen gebieden in de
tuin kan volgen en terug kan keren naar het
laadstation.
Het product opladen.
Een voeding, die is aangesloten tussen het
laadstation en een stopcontact van 100-240 V.
De lusdraad, die langs de randen van het
werkgebied wordt gelegd en ook rondom
voorwerpen en planten die de robotmaaier
niet mag raken. De lusdraad dient als
begrenzingsdraad en ook als geleidingsdraad.
4.3 Voorbereiden op installatie
Lees het hoofdstuk over installatie voordat u de
installatie start. Bereid de installatie zorgvuldig voor,
zodat het product naar behoren werkt.
Maak een blauwdruk van het werkgebied en neem
er alle obstakels in op. Dit maakt het gemakkelijker
om te onderzoeken waar het laadstation, de
begrenzingsdraad en geleidingsdraad geplaatst
moeten worden.
Breng een markering aan op de blauwdruk
waar het laadstation, de begrenzingsdraad en de
geleidingsdraad moeten worden geplaatst.
Breng een markering op de blauwdruk
aan waar de geleidingsdraad aansluit op
de begrenzingsdraad. Zie
De geleidingsdraad
installeren op pagina 30
.
Vul de gaten in het gazon in om het vlak te maken.
OPGELET: Gaten met water in
het gazon kunnen schade aan het
product veroorzaken.
Voor Automower
®
320 NERA moet u ervoor
zorgen dat u Wi-Fi-dekking in het laadstation hebt
om nieuwe firmware te downloaden. Zie
Firmware
draadloos downloaden FOTA (Firmware over the
air) op pagina 38
. Voor Automower
®
430X/450X
NERA wordt Wi-Fi of mobiele technologie gebruikt
voor FOTA.
Voor Automower
®
320 NERA, moet u ervoor
zorgen dat u Wi-Fi-dekking in het werkgebied hebt
als u de Automower
®
Connect-app op afstand
gebruikt. Zie
Automower
®
Connect op pagina 6
.
Voor Automower
®
430X/450X NERA wordt Wi-Fi
of mobiele technologie gebruikt voor Automower
®
Connect.
Let op: Wij adviseren dat u Wi-Fi-dekking in
het werkgebied hebt. Als u Wi-Fi-dekking hebt,
kunt u met de Automower
®
Connect-app het
product op afstand bedienen en instellingen voor
het product op afstand aanbrengen. Het product
maakt automatisch verbinding met Wi-Fi als het in
een gebied met Wi-Fi-dekking is.
Maai het gras en trim de randen voordat u
het product installeert. Zorg ervoor dat het gras
maximaal 10 cm/3.9 inch is.
Let op:
De eerste weken na de installatie kan het
geluidsniveau bij het maaien van het gras hoger zijn dan
gewoonlijk. Het geluidsniveau wordt na verloop van tijd
lager.
4.4 Vóór de installatie van de draden
U kunt kiezen om de draden met staken te bevestigen
of om ze in te graven. U kunt de 2 procedures voor
hetzelfde werkgebied gebruiken.
OPGELET:
Graaf de begrenzingsdraad
en de geleidingsdraad in indien u
een verticuteermachine gebruikt in het
werkgebied om te voorkomen dat ze
beschadigd raken.
4.4.1 Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst
Zorg voor minimaal 3m/10ft vrije ruimte
vóór het laadstation. Zie
Onderzoeken waar de
24
- Installatie met begrenzingsdraad 2071 - 004 -
background
geleidingsdraad moet worden gelegd op pagina
28
.
Houd een minimum aan van 150 cm / 60 inch
vrije ruimte rechts en links van het midden van het
laadstation.
Plaats het laadstation in de buurt van een
stopcontact.
Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond.
De bodemplaat van het laadstation mag niet
gebogen zijn.
max. 5 cm / 2"
max. 5 cm / 2"
Als het werkgebied twee delen heeft die zijn
gescheiden door een steile helling, raden wij aan
het laadstation op het laagste deel te plaatsen.
Plaats het laadstation in een gebied met
bescherming tegen de zon.
Als het laadstation op een eiland is geplaatst, dient
u ervoor te zorgen dat u de geleidingsdraad met
het eiland verbindt.
4.4.2 Onderzoeken waar de voeding moet
worden geplaatst
OPGELET: Zorg ervoor dat de messen
op het product niet de laagspanningskabel
doorsnijden.
OPGELET: Plaats de
laagspanningskabel niet in een spoel of
onder de plaat van het laadstation. De
bobine veroorzaakt interferentie met het
signaal van het laadstation.
Plaats de voeding in een gebied met een dak en
bescherming tegen de zon en de regen.
Plaats de voeding in een gebied met een goede
luchtstroom.
Gebruik een aardlekschakelaar met een
afschakelstroom van maximaal 30 mA wanneer u
de voeding aansluit op het stopcontact.
Laagspanningskabels van verschillende lengtes zijn
verkrijgbaar als accessoires.
4.4.3 Onderzoeken waar u de
begrenzingsdraad plaatst
OPGELET:
Er dient een barrière
van minimaal 15 cm/6 inch hoog tussen
de begrenzingsdraad en waterpartijen,
hellingen, afgronden of openbare wegen te
staan. Dit voorkomt schade aan het product.
OPGELET: Laat het product niet
werken op grind.
OPGELET: Maak geen scherpe
bochten wanneer u de begrenzingsdraad
installeert.
OPGELET: Voor een zorgvuldige
werking zonder geluid isoleert u alle
obstakels zoals bomen, wortels en stenen.
De begrenzingsdraad moet als een lus om het
werkgebied worden geplaatst. De sensoren in
het product detecteren wanneer het product de
2071 - 004 -
Installatie met begrenzingsdraad - 25
background
begrenzingsdraad nadert en het product een andere
richting selecteert. Alle delen van het werkgebied
moeten zich op maximaal 35 m/115 ft van de
begrenzingsdraad bevinden.
Om de verbinding tussen de geleidingsdraad en
de begrenzingsdraad eenvoudiger te maken, is het
raadzaam een oogje te maken op de plaats waar de
geleidingsdraad wordt aangesloten. Maak het oogje
circa 20 cm/8 inch van de begrenzingsdraad.
Let op: Maak een blauwdruk van het werkgebied
voordat u de begrenzingsdraad en de geleidingsdraad
installeert.
A
B
C
E
D
F
Plaats de begrenzingsdraad rond het volledige
werkgebied (A). Pas de afstand tussen de
begrenzingsdraad en de obstakels aan.
Plaats de begrenzingsdraad 35 cm/14 inch (B) van
een obstakel dat hoger is dan 5 cm/2 inch.
35 cm /14
"
> 5 cm / 2
"
Plaats de begrenzingsdraad 30 cm/12 inch (C) van
een obstakel dat 1-5 cm/0.4-2 inch hoog is.
1-5 cm / 0.4 - 2"
30 cm / 12"
Plaats de begrenzingsdraad 10 cm/4 inch (D) van
een obstakel dat kleiner is dan 1 cm/0.4 inch.
10 cm / 4"
max 1 cm / 0.4"
Als u een tegelpad op niveau van het gazon hebt,
plaatst u de begrenzingsdraad lager dan de tegels.
Let op:
Indien het tegelpad breder is dan 30
cm/12 inch, gebruikt u de fabrieksinstelling voor de
functie
Rijd over draad
om al het gras naast het
tegelpad te maaien. Zie
De functie Rijd over draad
op pagina 36
.
Als u een eiland maakt, plaatst u de
begrenzingsdraden die naar en van het eiland
lopen dicht bij elkaar (E). Plaats de kabels in
dezelfde kram. Zie
Een eiland maken op pagina
27
.
Maak een oogje (F) op de plaats waar de
geleidingsdraad met de begrenzingsdraad moet
worden verbonden.
26
- Installatie met begrenzingsdraad 2071 - 004 -
background
4.4.3.1 De begrenzingsdraad op een helling plaatsen
Hellingen die te steil zijn, moeten worden uitgesloten
met de begrenzingsdraad. De hellingshoek (%) wordt
berekend als verticale hoogte gedeeld door horizontale
afstand.
Voorbeeld:
10 cm/100 cm = 10%.
inch/ inch = 10%.
10 cm/ 4"
100 cm/ 40"
10%
Voor te steile hellingen binnen het werkgebied
isoleert u de helling met begrenzingsdraad.
Voor hellingen steiler dan 25% langs de buitenrand
van het gazon plaatst u de begrenzingsdraad 20
cm/8 inch (A) van de rand.
Voor hellingen grenzend aan een openbare weg
plaatst u een afzetting van minimaal 15 cm / 6 inch
langs de buitenrand van de helling. U kunt een
muur of hek als afzetting gebruiken.
4.4.3.2 Doorgangen
Een doorgang is een sectie met begrenzingsdraad aan
elke kant die 2 delen van het werkgebied verbindt. De
afstand tussen de begrenzingsdraad moet aan elke kant
van de doorgang minimaal 60 cm/24 inch bedragen.
Let op:
Als een doorgang minder dan 2 m/6.5
ft breed is, installeert u een geleidingsdraad door de
doorgang.
De aanbevolen minimumafstand tussen de
geleidingsdraad en de begrenzingsdraad is 30
cm/12 inch. Het product loopt altijd links van
de geleidingsdraad, gezien in de richting van het
laadstation. Het is raadzaam om te zorgen voor zo veel
mogelijk vrije ruimte links van de geleidingsdraad (A).
>2 m / 6.5 ft
A
>30 cm / 12"
>60 cm / 24"
4.4.3.3 Een eiland maken
OPGELET: Plaats de
begrenzingsdraden niet kruislings over
elkaar. De begrenzingsdraadgedeelten
moeten evenwijdig lopen.
OPGELET: Kruis de geleidingsdraad
niet over de begrenzingsdraad.
OPGELET: Isoleer of verwijder
obstakels die lager zijn dan 15 cm/5.9 inch.
Isoleer of verwijder obstakels met een lichte
helling, zoals stenen, bomen en wortels. Dit
voorkomt schade aan de messen van het
product.
2071 - 004 - Installatie met begrenzingsdraad - 27
background
Isoleer gebieden in het werkgebied met de
begrenzingsdraad om een eiland te maken. We raden
aan alle stabiele objecten in het werkgebied te isoleren.
Sommige obstakels kunnen tegen een botsing, zoals
bomen en struiken die hoger zijn dan 15 cm/5.9 inch.
Het product botst tegen het obstakel en selecteert
vervolgens een nieuwe richting.
Plaats de begrenzingsdraad op en rond het
obstakel om een eiland te maken.
Plaats de 2 stukken begrenzingsdraad die naar en
van het eiland lopen dicht bij elkaar. Hierdoor loopt
het product over de draad.
Zet de 2 stukken begrenzingsdraad in dezelfde
staak vast.
0 cm / 0
"
4.4.3.4 Een bijgebied maken
Maak een bijgebied (B) als het werkgebied 2 gebieden
heeft die niet zijn verbonden met een doorgang. Het
werkgebied met het laadstation is het hoofdgebied (A).
Let op:
Het product moet handmatig worden
verplaatst tussen het hoofdgebied en het secundaire
gebied.
B
A
Plaats de begrenzingsdraad rond het bijgebied (B)
om een eiland te maken. Zie
Een eiland maken op
pagina 27
.
Let op: De begrenzingsdraad moet als 1 lus
rond het gehele werkgebied (A + B) worden
geplaatst.
Let op: Wanneer het product gras maait in
het bijgebied, moet de modus
Bijgebied
worden
geselecteerd. Zie
Bijgebied op pagina 39
.
4.4.4 Onderzoeken waar de
geleidingsdraad moet worden gelegd
Plaats de geleidingsdraad in een lijn op minimaal 2
m/6.5 ft afstand vóór het laadstation.
Zorg voor zo veel mogelijk ruimte links van de
geleidingsdraad, gezien in de richting van het
laadstation. Zie
De geleidingsdraad installeren op
pagina 30
.
Plaats de geleidingsdraad minimaal 30 cm /12 inch
van de begrenzingsdraad.
Maak geen scherpe bochten wanneer u de
geleidingsdraad plaatst.
135º
135º
90º
Als het werkgebied een helling heeft, plaatst u de
geleidingsdraad diagonaal over de helling.
4.4.5 Voorbeelden van werkgebieden
Als het laadstation in een klein gebied (A) wordt
geplaatst, zorgt u ervoor dat de afstand tot de
28
- Installatie met begrenzingsdraad 2071 - 004 -
background
begrenzingsdraad minimaal 3 m/10 ft vóór het
laadstation bedraagt.
Als het werkgebied een doorgang (B) zonder
geleidingsdraad heeft, is de aanbevolen minimale
afstand tussen de begrenzingsdraden 2 m / 6.5 ft.
Als er wel een geleidingsdraad is aangebracht in
de doorgang, is de aanbevolen minimale afstand
tussen de geleidingsdraden 60 cm / 24 inch.
Als het werkgebied gebieden heeft die door middel
van een smalle doorgang (B) met elkaar zijn
verbonden, kunt u het product zodanig instellen
dat dit eerst de geleidingsdraad volgt en deze
dan na een bepaalde afstand (C) verlaat. De
instellingen kunnen worden gewijzigd in
GPS-
ondersteunde navigatie op pagina 35
.
Gebruik de GPS-ondersteunde navigatie waarmee
het product de meest optimale werking kan kiezen.
Zie
Tuindekking op pagina 35
.
Indien het werkgebied een bijgebied (D) omvat,
raadpleegt u
Een bijgebied maken op pagina 28
.
Zet het product in het bijgebied en selecteer
de
modus Bijgebied
.
B
D
C
A
4.5 Montage van het product
4.5.1 Installatiegereedschappen
Hamer/kunststof hamer: om het plaatsen van de
krammen te vereenvoudigen.
Kantensnijder/rechte spade: om de
begrenzingsdraad te begraven.
Combinatietang: voor het knippen van de
begrenzingsdraad en het samenknijpen van de
connectoren.
Instelbare tang: voor het samenknijpen van de
koppelingen.
4.5.2 Laadstation monteren
OPGELET: Het is niet toegestaan om
nieuwe gaten in de plaat van het laadstation
te maken.
OPGELET: Plaats uw voeten niet op de
bodemplaat van het laadstation.
WAARSCHUWING: Zorg ervoor
dat de pluggen van de laagspanningskabel
en de voedingseenheid schoon en droog
zijn voordat u ze aansluit.
Gebruik bij het aansluiten van de voeding altijd
een stopcontact dat is aangesloten op een
aardlekschakelaar (RCD).
1. Lees en begrijp de instructies over het laadstation.
Zie
Onderzoeken waar het laadstation moet
worden geplaatst op pagina 24
.
2. Plaats het laadstation in het geselecteerde gebied.
Let op:
Bevestig het laadstation pas aan de
grond met de schroeven nadat de geleidingsdraad
is geïnstalleerd. Zie
De geleidingsdraad installeren
op pagina 30
.
3. Open de klep aan de voorkant van het laadstation.
4. Bevestig de bovenkant van het laadstation.
2071 - 004 -
Installatie met begrenzingsdraad - 29
background
5. Kantel de bovenkant van het laadstation en til hem
op.
6. Breng de doorvoertule met de kabels aan.
7. Sluit de kabel op het laadstation aan.
8. Sluit de laagspanningskabel aan op het
laadstation.
9. Sluit de klep aan de voorkant van het laadstation.
10. Zet de voeding op een minimale hoogte van 30
cm/12 inch.
min 30 cm / 12”
11. Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van
100-240V.
Let op:
Het product kan in het laadstation
worden geplaatst om op te laden terwijl u de
begrenzingsdraad installeert.
12. Plaats de laagspanningskabel met staken in de
grond of graaf de kabel in. Zie
De draad of
kabel positioneren met krammen op pagina 31
of
De draad of kabel positioneren met krammen op
pagina 31
.
13. Sluit de draden aan op het laadstation
nadat de installatie van de begrenzingsdraad
en de geleidingsdraad is voltooid. Zie
De
begrenzingsdraad installeren op pagina 30
en
De
geleidingsdraad installeren op pagina 30
.
14. Bevestig het laadstation aan de grond
met de meegeleverde schroeven nadat de
geleidingsdraad is geïnstalleerd. Zie
Product
optillen en verplaatsen op pagina 5
.
4.5.3 Het product opladen
1. Plaats het product in het laadstation.
Let op: Het product begint automatisch op te
laden wanneer het product zich in het laadstation
bevindt.
4.5.4 De begrenzingsdraad installeren
OPGELET: Wikkel resterende draad
niet op tot een spoel. De spoel veroorzaakt
interferentie met het product.
1. Plaats de begrenzingsdraad rond het volledige
werkgebied. Start en voltooi de installatie achter
het laadstation.
2. Open de connector en leg de begrenzingsdraad in
de connector.
3. Sluit de connector met een tang.
4. Snijd de begrenzingsdraad 1-2 cm/0.4-0.8 inch
boven elke connector.
5. Druk de rechterconnector op de metalen pen van
het laadstation met de markering "AR".
6. Druk de linkerconnector op de metalen pen van
het laadstation met de markering "AL".
4.5.5 De geleidingsdraad installeren
OPGELET:
Een tweeaderige kabel
of een kroonsteentje geïsoleerd met
isolatietape levert geen adequate lassen op.
Het vocht in de grond zorgt ervoor dat de
draden gaan oxideren, waardoor het circuit
na een tijdje wordt onderbroken.
1. Open de connector en leg de draad in de
connector.
30
- Installatie met begrenzingsdraad 2071 - 004 -
background
2. Sluit de connector met een tang.
3. Knip de geleidingsdraad 1-2cm/0.4-0.8inch boven
de connector af.
4. Druk de connector op de metalen pen van het
laadstation met de markering "G1/G2/G3".
Let op: Voor Automower
®
320 NERA
kunnen 2geleidingsdraden worden geïnstalleerd
en voor Automower
®
430X/450X NERA
3geleidingsdraden.
5. Ontkoppel het laadstation van het stopcontact.
6. Leg de geleidingsdraad van het laadstation naar
het punt waar u deze wilt aansluiten op de
begrenzingsdraad.
7. Bevestig de geleidingsdraad aan de grond met
behulp van staken of begraaf de geleidingsdraad
in de grond. Zie
De draad of kabel positioneren
met krammen op pagina 31
of
De draad of kabel
ingraven op pagina 31
.
8. Plaats het uiteinde van de geleidingsdraad in het
oogje op de begrenzingsdraad.
9. Knip de begrenzingsdraad door met een
draadtang.
10. Sluit de geleidingsdraad met behulp van een
koppeling op de begrenzingsdraad aan.
a) Plaats de 2 uiteinden van de
begrenzingsdraad en het uiteinde van de
geleidingsdraad in de koppeling.
Let op:
Zorg ervoor dat u de
draaduiteinden kunt zien door het
transparante gedeelte van de koppeling.
b) Duw met een waterpomptang op het dopje
van de koppeling om de draden in de
koppeling te bevestigen.
11. Sluit het laadstation aan op het stopcontact.
4.5.6 De draad of kabel positioneren met
krammen
OPGELET: Zorg ervoor dat de
krammen de draad of de kabel tegen de
grond houden.
OPGELET: De draad- of kabelisolatie
kan beschadigd raken wanneer het gras
meteen na de installatie te kort wordt
gemaaid. Beschadigingen aan de isolatie
zorgen soms pas weken of maanden later
voor problemen.
1. Leg de draad of de kabel op de grond.
2. Zet de staken maximaal 75 cm/30 inch van elkaar.
3. Bevestig de staken in de grond met een (kunststof)
hamer.
Let op:
De draad of de kabel is na enkele weken
overgroeid met gras en niet meer zichtbaar.
4.5.7 De draad of kabel ingraven
Snijd met een kantsnijder of een rechte schop een
groef in de grond.
Plaats de draad of kabel 1-20 cm/0.4-8 inch in de
grond.
4.5.8 Visuele controle van het laadstation
uitvoeren
1. Controleer of de led-indicator op het laadstation
groen brandt. Raadpleeg
Led-indicatielampje
van het laadstation voor de installatie van
begrenzingsdraad op pagina 53
voor informatie
over de led-indicator.
2071 - 004 -
Installatie met begrenzingsdraad - 31
background
2. Als de led-indicator niet groen is, controleert
u de installatie. Zie
Led-indicatielampje van
het laadstation voor de installatie van
begrenzingsdraad op pagina 53
en
Laadstation
monteren op pagina 29
.
4.5.9 Om te koppelen met de Automower
®
Connect-app
1. Download de Automower
®
Connect-app op uw
mobiele apparaat.
2. Meld u aan voor een Husqvarna-account in de
Automower
®
Connect-app en volg de instructies.
3. Voer de fabriekspincode 1234 op het product in.
4. Gebruik het draaiwiel op het product om het menu
Bluetooth
®
te selecteren om de koppelingsmodus
in te schakelen.
5. Selecteer
Mijn maaiers
in de Automower
®
Connect-app en voeg uw product toe.
6. Volg de instructies in de Automower
®
Connect-
app.
Let op:
Husqvarna raadt u aan de fabriekspincode in
de app te wijzigen in een nieuwe pincode.
32 - Installatie met begrenzingsdraad 2071 - 004 -
background
5 Instellingen
Dit hoofdstuk informeert over de instellingen voor
het product die u in de Automower
®
Connect-
app kunt aanbrengen. Alle instellingen voor het
product zijn beschikbaar in Automower
®
Connect.
Sommige instellingen kunnen worden aangebracht in
Automower
®
Access, zie
Overzicht menustructuur in
Automower
®
Access op pagina 10
. Het product heeft
fabrieksinstellingen, maar de instellingen kunnen aan elk
werkgebied worden aangepast.
5.1 Schema
In
Schema
kunt u de schema-instellingen voor het
product wijzigen.
De
Schema-tool
past het schema aan de grootte van uw
werkgebied aan. De functie
Schema
regelt wanneer het
product werkt. Als het product niet in bedrijf is, staat het
geparkeerd in het laadstation. In het schema-overzicht
in de app kunt u zien welke uren en dagen het product
werkt.
5.1.1 Het schema voor systematisch
maaien instellen
Stel het schema in om het product zo lang mogelijk
te laten werken.
Let op: Wanneer het product het werkgebied
heeft gemaaid, gaat het terug naar het laadstation.
Wanneer de volgende sessie begint, maait het
product het volledige werkgebied opnieuw.
Let op: Als het product niet het volledige
werkgebied heeft gemaaid voordat de sessie is
beëindigd, gaat het terug naar het laadstation.
Wanneer de volgende sessie begint, gaat het
product verder met maaien vanaf het punt waar het
is gestopt.
Als u een werkgebied 2 keer per dag wilt maaien,
kunt u 2 verschillende schema's instellen. Stel het
schema voor het product in zodat er voldoende tijd
is om het volledige werkgebied te maaien.
Met 2 of meer parallelle schema's begint het
product te maaien waar het product het langst niet
heeft gemaaid.
Zorg ervoor dat het product elk werkgebied
in minder dan 24 uur volledig maait. Als het
product langer dan 24 uur een werkgebied moet
maaien, verdeel het werkgebied dan in kleinere
werkgebieden.
5.1.2 Het schema voor onregelmatig
maaien instellen
Het product werkt gedurende de volledige geplande tijd
met onregelmatig maaien.
Verkort de geplande tijd om slijtage van het gras te
voorkomen.
Als het resultaat niet bevredigend is, moet u de
geplande tijd verlengen. Zie
Schema op pagina 33
.
Met 2 of meer parallelle schema's in verschillende
werkgebieden begint het product eerst 1
werkgebied te maaien. Na elke keer opladen
van het product begint het product een ander
werkgebied te maaien.
5.2 Maaihoogte
5.2.1 Maaihoogte aanpassen
De maaihoogte kan worden ingesteld van 2 cm / 0.8
inch tot 6 cm / 2.4 inch.
OPGELET: In de eerste weken na
een nieuwe installatie moet de maaihoogte
worden ingesteld op 6 cm / 2.4 inch om
schade aan de lusdraad te voorkomen.
De maaihoogte kan vervolgens elke week
worden verlaagd.
5.2.2 TargetHeight
Gebruik de TargetHeight-functie om de maaihoogte
automatisch gedurende 10 dagen geleidelijk te verlagen
van maximaal naar de gespecificeerde maaihoogte. Als
u de maaihoogte gedurende deze tijd handmatig wijzigt,
wordt de functie TargetHeight uitgeschakeld.
5.3 Patroon
De patrooninstellingen kunnen voor elk werkgebied
worden ingesteld met een EPOS-installatie. U kunt de
volgende instellingen aanbrengen:
Stel het patroon in voor de werking van het
product.
Voor sommige patronen kunt u de richting van het
patroon instellen.
2071 - 004 -
Instellingen - 33
background
Voor sommige patronen kunt u het type
Randen
maaien
instellen. Bij
Vast randen maaien
werkt het
product altijd op dezelfde paden om een scherpe
grens rond het werkgebied te houden. Bij
Variabel
randen maaien
werkt het product op verschillende
paden om het risico op sporen langs de virtuele
grens te verlagen.
Husqvarna raadt aan een systematisch patroon te
gebruiken op grote en open werkgebieden. Als
u een systematisch patroon voor een werkgebied
met obstakels gebruikt, moet u te vermijden zones
rondom obstakels maken en moet u een patroon met
verschillende richtingen gebruiken voor het optimale
maairesultaat.
Husqvarna raadt aan om een onregelmatig patroon
te gebruiken als het werkgebied complex is en veel
obstakels bevat.
5.4 Werking
Onder
Werking
kunt u de werkingsinstellingen van het
product wijzigen.
5.4.1 Spiraalvormig maaien
Spiraalvormig maaien is alleen van toepassing op
werkgebieden met een onregelmatig patroon. Als het
product in een gebied komt en detecteert dat het gras
langer dan gemiddeld is, kan hij het bewegingspatroon
wijzigen in
Spiraalvormig maaien
. Dit betekent dat het
product dan in een spiraalvormig patroon gaat maaien
om het gebied met het langere gras sneller te maaien.
Het is mogelijk om de intensiteit van
Spiraalvormig
maaien
in te stellen. Een gevoeligheid van
Zeer
laag/Laag
betekent dat
Spiraalvormig maaien
minder
vaak wordt toegepast. Een intensiteit van
Hoog/Zeer
hoog
betekent dat
Spiraalvormig maaien
vaker wordt
toegepast.
Let op:
Spiraalvormig maaien
kan niet worden gestart
niet op hellingen die steiler zijn dan 17%.
5.4.2 Objecten vermijden
Objecten vermijden
is alleen beschikbaar voor
Automower
®
430X/450X NERA.
Als de functie
Objecten vermijden
is ingeschakeld,
detecteert het product objecten op het gazon die hoger
zijn dan het gras. Als het product een object op het
gazon detecteert, keert het product om en gaat in een
andere richting door met maaien. U kunt de functie
Objecten vermijden
uitschakelen als dit niet gewenst is
voor uw werkgebied.
Let op:
Objecten vermijden
kan ervoor zorgen dat
het gras rond objecten niet wordt gemaaid. De sensoren
kunnen ook hoog gras of bloemen in het werkgebied als
objecten detecteren.
5.4.3 Weertimer
Weertimer
past automatisch de maaitijd aan de groei
van het gras aan.
Weertimer
past de maaitijd alleen
aan voor werkgebieden met een onregelmatig patroon.
Het product mag niet meer dan volgens de schema-
instellingen worden gebruikt.
Let op:
Bij gebruik van
Weertimer
is het raadzaam
om zoveel mogelijk bedrijfstijd beschikbaar te maken
voor
Weertimer
. Beperk het schema niet meer dan
nodig is.
De eerste activiteit van de dag wordt ingesteld op
basis van de schema-instellingen. Het product voltooit
1 maaicyclus per gepland werkgebied, vervolgens
selecteert
Weertimer
of het product blijft werken.
Let op:
Weertimer
wordt gereset als het product
langer dan 50 uur stilstaat of als een
Reset van
alle gebruikersinstellingen
wordt uitgevoerd.
Weertimer
wordt niet gewijzigd als een
Reset van schema-
instellingen
wordt uitgevoerd.
34 - Instellingen 2071 - 004 -
background
5.4.4 ECO-modus
De
ECO-modus
schakelt het signaal in de
begrenzingsdraad, de geleidingsdraad en het
laadstation uit wanneer het product wordt geparkeerd
of wordt opgeladen. De led-indicator van het laadstation
knippert groen wanneer het lussignaal uitgeschakeld is.
Let op: Gebruik de
ECO-modus
om energie te
besparen en interferentie met andere apparatuur, zoals
ringleidingen of garagedeuren, te voorkomen.
Let op: Om het product handmatig in het werkgebied
te starten moet u eerst het lussignaal inschakelen.
5.4.4.1 Het lussignaal inschakelen
1. Het product inschakelen met ON.
2. Plaats het product in het laadstation.
3. Druk op de STOP-knop.
4. Wacht 2 seconden en verwijder het product
vervolgens uit het laadstation.
5. Controleer of het led-indicatielampje van het
laadstation groen brandt.
6. Plaats het product op de plek waar het moet
beginnen met maaien.
5.5 Installatie-instellingen
In
Installatie
kunt u de instellingen voor een installatie
met begrenzingsdraad wijzigen.
5.5.1 Het laadstation vinden
Het product kan op drie verschillende manieren worden
ingesteld om het laadstation te zoeken:
Signaal laadstation
Begrenzingsdraad volgen
Geleidingsdraad volgen
In de fabrieksinstelling worden de drie zoekmethoden
tegelijkertijd gebruikt. Gebruik de fabrieksinstelling om
het laadstation zo snel mogelijk te vinden en het risico
op spoorvorming op het gazon tot een minimum te
beperken. Het product begint altijd met het zoeken van
het
Signaal van het laadstation
. Na een bepaalde tijd
gebruikt het ook
Geleidingsdraad
en
Begrenzingsdraad
volgen
.
Oorzaken waarom het product de draad niet kan volgen,
zijn:
Obstakels in de buurt van de draad zijn niet
geïsoleerd.
Het laadstation, de begrenzingsdraad of de
geleidingsdraad zijn niet geïnstalleerd volgens de
instructies in
Laadstation monteren op pagina 29
,
De begrenzingsdraad installeren op pagina 30
en
De geleidingsdraad installeren op pagina 30
.
5.5.1.1 Signaal laadstation
Bij sommige installaties moet het signaal van het
laadstation worden verlaagd. Bijvoorbeeld als een
laadstation in de buurt van een obstakel, zoals een
struik of een muur, wordt geplaatst. Het product vindt
het signaal van het laadstation aan de andere kant
van het obstakel en probeert om het laadstation te
vinden, maar het object voorkomt dat het product kan
terugkeren naar het laadstation. U kunt het signaal van
het laadstation instellen op
min
,
avg
of
max
.
Let op: Husqvarna adviseert om het signaal van het
laadstation in te stellen op
max
. Het is meestal beter om
het laadstation te verplaatsen dan om het bereik van het
signaal van het laadstation te verkleinen.
5.5.1.2 Volg de geleidingsdraad en de
begrenzingsdraad
De tijdsinterval kan worden ingesteld voor als het
product de begrenzingsdraad en geleidingsdraad begint
te volgen om het laadstation te vinden.
5.5.2 Tuindekking
5.5.2.1 GPS-ondersteunde navigatie
Het product heeft
GPS-ondersteunde navigatie
waarmee het product de meest optimale werking kan
kiezen. De functie is af fabriek ingeschakeld. Als u
handmatige instellingen voor uw gazon wilt aanbrengen,
moet u de
GPS-ondersteunde navigatie
uitschakelen
en instellingen voor
Gebied 1-5
aanbrengen. Schakel
de
GPS-ondersteunde navigatie
uit als u de functie
Systematisch doorgangen maaien
wilt gebruiken en
instellingen voor
Gebied 1-5
wilt aanbrengen. Zie
Instellingen voor Gebied 1-5 op pagina 35
.
5.5.2.2 Instellingen voor Gebied 1-5
Gebruik deze functie als het werkgebied afgelegen
delen bevat die verbonden zijn met smalle doorgangen,
om een werkgebied met voldoende maairesultaat te
behouden. De functie
Tuindekking
wordt gebruikt om
afgelegen delen van het werkgebied te maaien. De
functie
Systematisch doorgangen maaien
wordt gebruikt
voor het maaien in smalle doorgangen. Er moet een
geleidingsdraad geïnstalleerd zijn om deze functies
te kunnen gebruiken. U kunt maximaal 5 afgelegen
gebieden instellen waar het product begint te maaien.
De functie
Systematisch doorgangen maaien
is van
toepassing op smalle doorgangen met een breedte van
60 cm - 1.5 m / 23 inch - 4.9 ft. Het product beweegt
in een patroon om de volledige doorgangsbreedte te
maaien. Het product start met
Systematisch doorgangen
maaien
op de ingestelde afstand van het laadstation.
Wanneer het product het einde van de smalle doorgang
2071 - 004 -
Instellingen - 35
background
bereikt, gaat het product door met het werkgebied op de
normale wijze te maaien.
U kunt het product instellen om de geleidingsdraad te
volgen naar de ingestelde afstand voordat het begin te
maaien.
Gebied A, ongeveer 50%
Gebied B, ongeveer 30%
Gebied C, ongeveer 20%
A
C
B
Elk gebied kan worden in- en uitgeschakeld. Gebruik
de functie
Testen
om de afstand te meten van het
laadstation tot waar het product moet beginnen met
maaien. Zie
De afstand van het laadstation meten op
pagina 36
.
Op basis van de standaardinstellingen kan het product
de geleidingsdraad volgen over een lengte van
300m/980 ft. in 20% van de gevallen dat het product
het laadstation verlaat. Als de geleidingsdraad in
werkelijkheid korter is dan 300 m/980 ft zal het product
deze volgen tot het punt waar de geleidingsdraad is
aangesloten op de begrenzingsdraad.
5.5.2.3 De afstand van het laadstation meten
Het product volgt de geleidingsdraad om de afstand tot
het laadstation te meten.
1. Plaats het product in het laadstation.
2. Selecteer
Testen: Instelling Gebied 1
of
Testen:
Instelling Gebied 2
om de afstand te meten.
3. Druk op de STOP-knop om de afstand in de app
weer te geven.
5.5.3 Doorrijbreedte
De begrenzingsdraadcorridor is het gebied naast de
begrenzingsdraad. Het product gebruikt de corridors
om het laadstation te vinden. De doorrijbreedte van de
corridor wordt automatisch aangepast. Als het nodig
is om de doorrijbreedte handmatig aan te passen om
het product naar behoren te laten werken, kunt u de
doorrijbreedte instellen tussen 1-9.
5.5.4 Achteruitrijafstand
De achteruitrijafstand zorgt ervoor dat het product
over ingestelde afstand achteruit beweegt voordat het
product het gazon gaat maaien.
5.5.5 De functie Rijd over draad
De voorkant van het product beweegt altijd op
een bepaalde afstand langs de begrenzingsdraad.
Vervolgens beweegt het product naar achteren en
verandert het van richting. De fabrieksinstelling is 32cm/
13inch. U kunt een afstand van 25-50cm/10-20inch
selecteren.
Let op: Als u de afstand voor
Rijd over draad
wijzigt,
verandert de afstand langs de begrenzingsdraad in alle
delen van het werkgebied.
5.6 Accessoires
Onder
Accessoires
kunt u de instellingen van de
productaccessoires wijzigen.
5.6.1 Koplampen
Koplampen is alleen beschikbaar voor Automower
®
430X/450X NERA.
Er zijn vier verschillende koplampinstellingen die
bepalen wanneer de koplampen zijn ingeschakeld:
Altijd aan
Alleen 's avonds (19:00-00:00)
Avond en nacht (19:00-07:00)
Altijd uit
De standaardinstelling is
Altijd aan
. De koplampen
kunnen zodanig worden ingesteld, dat ze gaan
knipperen als er een fout optreedt.
5.6.2 Botsingen met het Automower
®
-huis
vermijden
Als deze optie is ingeschakeld, treedt er minder slijtage
van het product en het Automower
®
-huis op. Rondom
het laadstation kan er dan echter sprake zijn van meer
ongemaaid gras.
5.7 Algemeen
In het menu
Algemeen
kunt u de tijd en datum instellen
of resetten naar fabrieksinstellingen.
36
- Instellingen 2071 - 004 -
background
Dit menu is alleen beschikbaar als uw mobiele apparaat
is aangesloten op het apparaat met Bluetooth
®
.
5.7.1 Tijd & datum
De tijd en datum kunnen handmatig of met behulp van
de tijd en datum van het mobiele apparaat worden
gewijzigd.
5.7.2 Reset naar Fabrieksinstellingen
De gebruikersinstellingen kunnen worden teruggezet op
de fabrieksinstellingen.
Let op:
Pincode, lussignaal, berichten
en
Datum en
tijd
worden niet gereset.
5.8 Veiligheid
Met de beveiligingsinstellingen worden de pincode, de
GeoFence en andere beveiligingsfuncties beheerd. De
juiste pincode moet worden ingevoerd om toegang tot
het menu
Beveliging
te krijgen.
Dit menu is alleen beschikbaar als uw mobiele apparaat
is aangesloten op het apparaat met Bluetooth
®
.
5.8.1 Nieuw lussignaal
Het lussignaal wordt willekeurig geselecteerd om een
unieke koppeling tussen het product en het laadstation
te creëren. In zeldzame gevallen kan het nodig zijn om
een nieuw signaal te genereren, bijvoorbeeld als twee
aangrenzende installaties signalen gebruiken die erg op
elkaar lijken.
5.8.2 Wijzig pincode
U kunt de pincode wijzigen. Noteer de nieuwe pincode
in Memo. Zie
Inleiding op pagina 6
.
5.8.3 Bescherming tegen diefstal
In het menu
Bescherming tegen diefstal
is het mogelijk
om de duur van het alarm in te stellen en ook bij
welke gebeurtenissen het alarm in werking treedt. De
fabrieksinstelling is dat een pincode vereist is en de
alarmduur 1 minuut is.
5.8.3.1 Pincode vereist
Deze functie betekent dat het product niet kan worden
gebruikt of bediend nadat de STOP-knop is ingedrukt
zonder eerst de juiste pincode in te voeren. Wanneer
u vijf maal achter elkaar de verkeerde pincode
invoert, wordt het product enige tijd vergrendeld. De
vergrendeling wordt voor elke nieuwe onjuiste poging
verlengd.
5.8.3.2 Tijdsduur alarm
Er is een mogelijkheid om in te stellen hoe lang
het alarmsignaal duurt. Een instelling tussen 1 en 10
minuten is mogelijk.
5.8.3.3 STOP-knop ingedrukt
Indien het alarm
"STOP-knop ingedrukt"
is
ingeschakeld, gaat het alarm af als iemand de STOP-
knop indrukt en niet binnen 30 seconden de pincode
invoert.
5.8.3.4 Weggedragen
Indien het alarm
opgetild
is ingeschakeld, detecteert het
product onverwachte bewegingen en gaat het alarm af.
5.8.4 GeoFence
GeoFence is een op GPS gebaseerde
diefstalbeveiliging die een virtuele omheining voor
het product maakt. Als het product zich meer dan
een ingestelde afstand van de middenpositie bevindt,
wordt het product uitgeschakeld en wordt een alarm
geactiveerd. De middenpositie wordt ingesteld op de
huidige positie van het product wanneer GeoFence
is ingeschakeld. De pincode is nodig om het alarm
te stoppen en het product opnieuw te starten. De
GeoFence wordt alleen ingeschakeld wanneer het
product op ON wordt gezet.
5.9 Automower
®
Connect
In
Automower
®
Connect
kunt u de Automower
®
Connect-functie in- of uitschakelen. U kunt het product
aansluiten op een Wi-Fi-netwerk. U kunt ook de
signaalsterkte en verbindingsstatus zien.
Dit menu is alleen beschikbaar als uw mobiele apparaat
is aangesloten op het apparaat met Bluetooth
®
.
5.10 Meldingen
In dit menu vindt u eerdere storings- en
informatiemeldingen. Voor een aantal foutmeldingen zijn
er tips en adviezen beschikbaar waarmee u de fout kunt
verhelpen.
Als het product op enigerlei wijze wordt verstoord,
bijvoorbeeld als het vast komt te zitten of als de accu
bijna leeg is, wordt er een bericht met de storing en het
tijdstip waarop deze plaatsvond opgeslagen.
Als dezelfde foutmelding meerdere keren wordt
herhaald, kan dit betekenen dat de installatie of
het product moet worden aangepast. Zie
Inleiding -
installatie op pagina 12
.
2071 - 004 -
Instellingen - 37
background
5.11 Automower
®
Intelligent Mapping
(AIM)
Automower
®
Intelligent Mapping (AIM) is beschikbaar
in de Automower
®
Connect-app. De technologie in
het product maakt gebruik van verschillende sensoren,
waaronder GPS. De nauwkeurigheid van de kaart is
ongeveer 1 m / 3.3 ft.
B
A
C
Sommige functies met AIMzijn:
Er wordt een kaart van het gazon in
deAutomower
®
Connect-app weergegeven met
laadstation, begrenzingsdraad, geleidingsdraad en
eilanden.
U kunt werkgebieden (A) en (B) in de installatie
maken waar u een schema en maaihoogte voor elk
werkgebied kunt instellen.
U kunt te vermijden zones (C) maken waarin het
product niet kan komen en geen gras kan maaien.
Let op:
Met de AIM-functie kunt u werkgebieden en
te vermijden zones inrichten met een nauwkeurigheid
van ca. 1 m / 3.3 ft.
De gegevensverzameling voor de AIM kaart start
automatisch. Het product verzamelt gegevens tijdens
het bedrijf en de kaart is compleet in 1-2 weken.
Verwijder tijdelijke obstakels op het gazon als het
product in bedrijf is en gegevens verzamelt. Als u de
installatie van de draden of laadstation wijzigt, moet u
een nieuwe kaart maken. Lees meer over AIM in de
Automower
®
Connect-app.
5.12 Firmware draadloos downloaden
FOTA (Firmware over the air)
Het product heeft een functie waarmee automatisch
nieuwe firmware wordt gedownload. Wanneer er
nieuwe firmware beschikbaar is, wordt er een
melding weergegeven in de app waarin u kunt
selecteren de nieuwe firmware te installeren. Het
led-indicatielampje van het product pulseert als de
firmware-update wordt uitgevoerd. Als het product
geen mobiele netwerkverbinding gebruikt, wordt de
firmware gedownload als het product in het laadstation
geparkeerd is. Het product moet wifi-dekking in het
laadstation hebben om nieuwe firmware te downloaden.
5.13 Maaiprofielen
U kunt verschillende sets met instellingen in de
Maaiprofielen
opslaan. Gebruik deze functie als u een
product voor meer dan een locatie gebruikt of als
u verschillende instellingen op dezelfde locatie wilt
hebben. In
Maaiprofielen
worden de productinstellingen,
kaartobjecten en de instellingen ervan opgeslagen.
5.14 Het laadstation opnieuw
installeren op de kaart
Installeer het laadstation opnieuw op de kaart als u
het laadstation verplaatst of vervangt. U kunt deze ook
opnieuw installeren als het product niet kan koppelen of
geen verbinding kan maken met het laadstation.
1. Selecteer
Kaartobjecten > Laadstation
in de app.
2. Selecteer
Laadstation opnieuw installeren
en volg
de instructies.
Let op: Andere apparaten waarop Bluetooth
®
is
ingeschakeld, kunnen storingen veroorzaken bij het
koppelen. Schakel Bluetooth
®
op de andere apparaten
uit als dit storingen veroorzaakt bij het koppelen.
5.15 Het referentiestation opnieuw
installeren op de kaart
Installeer het referentiestation opnieuw op de kaart als u
het referentiestation verplaatst of vervangt.
1. Selecteer
Kaartobjecten > Referentiestation
in de
app.
2. Selecteer
Referentiestation opnieuw installeren
en
volg de instructies.
Let op:
Als u het referentiestation verplaatst,
moet u de fabrieksinstellingen herstellen en alle
kaarten opnieuw installeren.
38 - Instellingen 2071 - 004 -
background
6 Werking
De meest gebruikte bedrijfsinstellingen zijn opgenomen
in de Automower
®
Access, zie
Automower
®
Access op
pagina 6
. Alle bedieningsmodi zijn beschikbaar in de
Automower
®
Connect-app.
6.1 Product op ON zetten
WAARSCHUWING: Zorg dat u het
hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en
begrepen voordat u het product gebruikt.
Houd het draaiwiel 3 seconden ingedrukt.
Gebruik het draaiwiel om de pincode in te voeren.
6.2 Product starten
1. Druk op de STOP-knop.
2. Gebruik het draaiwiel om de pincode in te voeren.
3. Gebruik het draaiwiel om de bedrijfsmodus te
selecteren. Zie
Bedieningsmodi - Start op pagina
39
.
4. Druk op de knop START.
Let op: De eerste weken na installatie kan het
waargenomen geluidsniveau bij het maaien van het
gras hoger zijn dan verwacht. Wanneer het product
het gras enige tijd heeft gemaaid, is het waargenomen
geluidsniveau veel lager.
6.2.1 Bedieningsmodi - Start
6.2.1.1 Hoofdgebied
Gebruik de bedieningsmodus
Hoofdgebied
om het
product automatisch te laten maaien en laden.
6.2.1.2 Bijgebied
Gebruik debedrijfsmodus
Secundair gebied
om
bijgebieden te maaien. U moet het product handmatig
verplaatsen tussen het hoofdgebied en het bijgebied.
Het product maait gedurende een geselecteerde
periode, of totdat de accu leeg is.
Let op:
U moet het product handmatig in het
laadstation plaatsen om het op te laden wanneer
het zich in een bijgebied bevindt. Het product rijdt
het laadstation uit en stopt wanneer de accu wordt
opgeladen. U moet een bedrijfsmodus selecteren om
het product te starten.
Let op: Als u het hoofdgebied wilt maaien nadat
de accu is opgeladen, zet u het product in de modus
Hoofdgebied
voordat u het product in het laadstation
plaatst.
6.2.1.3 Negeer schema
Gebruik de bedrijfsmodus
negeer schema
om van de
schema
-instellingen tijdelijk over te schakelen voor
24
uur
of
3 dagen
.
Let op: Het is niet mogelijk om langer te maaien dan
de maximale maaitijd per dag. Zie
Productbeschrijving
op pagina 6
.
6.3 Het product parkeren
1. Druk op de STOP-knop.
2. Gebruik het draaiwiel om de pincode in te voeren.
3. Gebruik het draaiwiel om de parkeermodus te
selecteren. Zie
Bedieningsmodi - Parkeren op
pagina 39
.
4. Druk op de knop START.
6.3.1 Bedieningsmodi - Parkeren
6.3.1.1 Parkeer tot nader order
Gebruik de bedrijfsmodus
Parkeer tot nader order
om
het product te laten terugkeren naar het laadstation.
Het product blijft in het laadstation totdat u een nieuwe
bedieningsmodus selecteert.
6.3.1.2 Starten bij volgende schema
Gebruik de bedieningsmodus
Start bij het volgende
schema
om het product te laten terugkeren naar het
laadstation. Het product blijft in het laadstation tot de
volgende
schema-instelling
.
6.3.1.3 Selecteer de duur
Het product keert terug naar het laadstation en blijft daar
gedurende de geselecteerde parkeerduur. Gebruik de
bedieningsmodus om tijdelijk een lopende maaicyclus te
stoppen en het product in het laadstation te laten blijven.
6.3.1.4 Parkeren bij onderhoudspunt (alleen EPOS
installatie)
U kunt het product parkeren bij het onderhoudspunt om
onderhoud aan het product uit te voeren. Het product
wordt geparkeerd bij het onderhoudspunt totdat u een
nieuwe bedrijfsmodus selecteert.
6.4 Product stoppen
1. Druk op de knop STOP om het product en de
maaimotor te stoppen.
2071 - 004 -
Werking - 39
background
6.5 Het product uitschakelen
1. Druk op de STOP-knop om het product te stoppen.
2. Voer indien nodig de pincode in.
3. Druk 3 seconden op het draaiwiel om het product
uit te schakelen. U kunt het draaiwiel ook
gebruiken om
Uitschakelen
in het menu op het
display te selecteren.
4. Controleer of het led-indicatielampje op het
draaiwiel uit is.
6.6 De accu opladen
Wanneer het product nieuw is of na langdurige opslag
kan de accu leeg zijn. Laad de accu op voordat u het
product start. In de
hoofdgebiedmodus
zal het product
automatisch maaien en opladen.
1. Het product inschakelen met ON.
2. Plaats het product in het laadstation zodat de
laadplaatjes de contactplaatjes raken.
3. Controleer of het product wordt geladen op het
display van het product of in de Automower
®
Connect-app.
40 - Werking 2071 - 004 -
background
7 Onderhoud
7.1 Introductie - onderhoud
WAARSCHUWING: Zet het product
op OFF voordat u onderhoud aan het
product uitvoert.
WAARSCHUWING: Draag
veiligheidshandschoenen.
Voor een betere werking en langere levensduur van het
product reinigt u het product regelmatig en vervangt u
versleten onderdelen.
Wanneer het product nieuw is, controleert u de
maaischijven en messen elke week. Bij geringe slijtage
kunt u het interval voor de volgende controle van
de maaischijven en messen verlengen. Inspecteer de
maaischijven en de bladen vaker als er veel slijtage is.
Het is belangrijk dat de maaischijf soepel draait en
dat de randen van de messen niet beschadigd zijn.
De gebruikelijke levensduur van de messen is 3 tot
6 weken. De volgende omstandigheden kunnen de
levensduur van de messen verlengen of verkorten:
Bedrijfstijd en grootte van het werkgebied.
Lengte en dikte van het gras.
grond, zand en het gebruik van kunstmest.
Voorwerpen zoals kegels, gereedschappen,
stenen en wortels in het werkgebied.
Let op: Het maairesultaat kan onbevredigend zijn als
de messen bot zijn. Zie
De bladen vervangen op pagina
44
voor het vervangen van de bladen.
7.2 Onderhoudsschema
Het onderhoudsschema laat zien hoe service en
onderhoud aan het product moeten worden uitgevoerd.
Volg het onderhoudsschema voor een beter bedrijf en
een langere levensduur van het product.
X = De instructies zijn opgenomen in deze
gebruikershandleiding.
O = De instructies zijn niet opgenomen in deze
gebruikershandleiding. Neem contact op met uw
erkende servicedealer.
Ter voorbereiding Wekelijks Elk jaar Elke drie
jaar
Reinig het product. Zie
Product reinigen op pagina 42
. X
Controleer het product op beschadiging en slijtage. X
Voer een update van de firmware uit. X
Controleer de servicemeldingen op aanbevolen upgrades. O
Onderhoud
Controleer de messen en vervang de messen en messchroeven indien nodig.
Zie
De bladen vervangen op pagina 44
.
X
Controleer en polijst de contactplaatjes op het laadstation. X
Controleer en polijst de laadplaatjes op het product. X
Laad de accu volledig op voordat het product wordt opgeslagen. Zie
De accu
opladen op pagina 40
.
X
Controleer de wielen op slijtage. O
Controleer en reinig de stootbuffers. Controleer het aanhaalmoment van de
stootbuffers voor en achter.
O
Controleer of het product correct koppelt en laadt. O
2071 - 004 - Onderhoud - 41
background
Ter voorbereiding Wekelijks Elk jaar Elke drie
jaar
Controleer de kabel en connector naar de laadplaatjes op de behuizing van het
product.
O
Controleer de glijplaat en het glijplaatlager. O
Controleer de rubberen balgen in het systeem van de maaihoogte instelling. O
Controleer de rubberen balgen van de stootbuffers. O
Vervang de rubberen balgen van de stootbuffers. O
Controleer en reinig het luchtstroomfilter. O
Vervang het luchtstroomfilter. O
Controleer het aanhaalmoment van de chassisschroeven. O
Open het chassis en vervang alle afdichtstrips. O
Laatste stap
Gebruik een software-servicetool om een werkingstest van de functies van het
product uit te voeren.
O
7.3 Product reinigen
OPGELET: Reinig het product niet
met een hogedrukspuit. Gebruik geen
oplosmiddelen voor reiniging.
Het product werkt niet naar behoren op hellingen als
de wielen door gras worden geblokkeerd. Reinig het
product met een borstel of stromend water uit een
waterslang.
Husqvarna adviseert dat u een speciale set voor
reiniging en onderhoud gebruikt. Neem voor meer
informatie contact op met uw Husqvarna servicedealer.
7.3.1 De behuizing, het chassis en de
maaischijf reinigen
Inspecteer de maaischijf en de messen wekelijks. Om
het product grondig te reinigen, kan de bovenkap en
de behuizing van het product worden verwijderd. Als
het product vuil is, gebruik indien nodig een milde
zeepoplossing. Gebruik een borstel of een waterslang
om het product te reinigen. Reinig het product niet met
een hogedrukspuit.
1. Zet het product op OFF.
2. Trek voorzichtig aan de achterkant, het midden en
de voorkant van de bovenkap.
3. Houd het chassis met een hand vast en verwijder
de behuizing door deze snel en kort omhoog en
naar de voorkant van het product te trekken.
42 - Onderhoud 2071 - 004 -
background
WAARSCHUWING: Als uw
handen tussen de behuizing van het
product en het chassis komen, is er
risico op letsel.
4. Plaats de behuizing van het product naast het
chassis van het product of kantel deze tegen een
wand.
5. Til het product op z'n kant.
6. Reinig de maaischijfbalgen voor maaischijf en
chassis met een borstel. Controleer tegelijkertijd of
de maaischijf vrij kan draaien. Zorg ervoor dat de
messen onbeschadigd zijn en vrij kunnen draaien.
7.3.2 De wielen reinigen
Het product werkt niet naar behoren op hellingen als de
wielen door gras worden geblokkeerd.
Gebruik een zachte borstel om de wielen schoon
te maken.
Verwijder indien nodig de wielkap met een platte
schroevendraaier.
7.3.3 Het laadstation reinigen
WAARSCHUWING: Ontkoppel de
voeding van het stopcontact voordat
u onderhoudswerkzaamheden verricht, of
wanneer u het laadstation of de voeding
reinigt.
Verwijder gras, takjes en andere objecten van het
laadstation.
Gebruik een borstel of een waterslang om het
laadstation te reinigen.
7.4 Accu
OPGELET:
Laad de accu volledig op
voordat het product wordt opgeslagen. Als
de accu niet volledig is opgeladen, kan dit
schade aan de accu veroorzaken.
Als de bedrijfstijd van het product tussen twee
laadbeurten korter dan is normaal, geeft dit aan dat de
accu het einde van de levensduur heeft bereikt. Vervang
de accu om de bedrijfstijd te verlengen.
Let op:
De levensduur van de accu hangt af van
de lengte van het seizoen en het aantal uren dat het
product dagelijks actief is. Een lang seizoen of veel
bedrijfsuren per dag betekent dat de accu vaker moet
worden vervangen.
2071 - 004 - Onderhoud - 43
background
7.5 De bladen vervangen
WAARSCHUWING: Husqvarna kan
de veiligheid alleen garanderen als u
Husqvarna originele bladen met het H-logo
met het kroontje gebruikt.
WAARSCHUWING: U moet de
schroeven vervangen wanneer u de bladen
vervangt. De gebruikte schroeven kunnen
snel slijten en ervoor zorgen dat het blad
los komt te zitten. Dit kan ernstig letsel
veroorzaken.
Vervang versleten of beschadigde bladen voor een
veilig bedrijf. Vervang de bladen regelmatig voor een
bevredigend maairesultaat en laag energiegebruik. De 3
messen en de schroeven moeten allemaal op hetzelfde
moment worden vervangen zodat het maaisysteem
uitgebalanceerd blijft.
7.5.1 Messen vervangen
1. Zet het product op OFF.
2. Plaats het product met de maaischijf omhoog op
een zacht en schoon oppervlak.
3. Draai de glijplaat totdat de openingen op één lijn
liggen met de schroeven voor het mes.
4. Verwijder de 3 bladen en 3 schroeven.
5. Breng nieuwe messen en schroeven aan.
6. Zorg ervoor dat de messen vrij kunnen draaien.
44
- Onderhoud 2071 - 004 -
background
8 Probleemoplossing
8.1 Meldingen
De meldingen in de onderstaande tabel worden weergegeven in Automower
®
Connect en Automower
®
Access.
Neem contact op met uw Husqvarna-vertegenwoordiger als dezelfde melding vaak wordt weergegeven.
Melding Oorzaak Actie
Wielmotor geblok-
keerd, links/achter
links/rechts/achter
rechts
Het aandrijfwiel wordt geblokkeerd door gras
of andere voorwerpen.
Controleer het aandrijfwiel en verwijder het
gras of ander materiaal.
Wielmotor overbe-
last, links/rechts
Aandrijfwielprobleem,
rechts/links
Het aandrijfwiel wordt geblokkeerd door gras
of andere voorwerpen.
Controleer het rechter aandrijfwiel en verwij-
der het gras of de andere voorwerpen. Indien
het probleem zich blijft voordoen, neem dan
contact op met uw erkend servicecentrum.
Maaisysteem geblok-
keerd
Het maaisysteem wordt geblokkeerd door
gras of andere voorwerpen.
Controleer het maaisysteem en verwijder het
gras of andere voorwerpen.
Grote onbalans maai-
systeem
Er zijn trillingen in de maaischijf. Als u het product blijft gebruiken, kan dit
schade aan het maaisysteem veroorzaken.
Controleer of de bladen en schroeven niet
beschadigd of versleten zijn. Zorg ervoor dat
alle bladen correct zijn aangebracht en dat
er slechts één blad op elke positie van de
maaischijf is bevestigd.
Reinig de bladen en de maaischijf.
Maaihoogte geblok-
keerd
Er zit gras of ander materiaal rond de
maaihoogte-instelling gewikkeld of tussen de
maaischijf en het chassis.
Controleer de maaischijf en de balgen rond
de maaihoogte-instelling en verwijder al het
gras of ander materiaal dat vast is komen te
zitten.
2071 - 004 - Probleemoplossing - 45
background
Melding Oorzaak Actie
Geen lussignaal
Er is geen voeding in het laadstation. Het
led-indicatielampje op het laadstation brandt
niet.
Controleer of de voedingseenheid of de laag-
spanningskabel beschadigd is of niet correct
is geïnstalleerd op het stopcontact of het
laadstation. Controleer of er een stroomsto-
ring is of een aardlekschakelaar is ingescha-
keld.
De begrenzingsdraad is beschadigd of niet
correct geïnstalleerd.
Controleer of de begrenzingsdraad correct is
aangesloten op het laadstation. Controleer
alle splitsen op de begrenzingsdraad. Con-
troleer of er een breuk in de begrenzings-
draad is en repareer deze indien nodig. Zie
De begrenzingsdraad installeren op pagina
30
.
De
ECO-modus
wordt ingeschakeld en het
lussignaal wordt uitgeschakeld wanneer het
product in het werkgebied wordt gestart.
Plaats het product in het laadstation en start
het product. Om het product handmatig in
het werkgebied te starten, drukt u op de
STOP-knop voordat u het product uit het
laadstation verwijdert.
De begrenzingsdraad is gekruist op het tra-
ject van en naar een eiland.
Controleer of de begrenzingsdraad correct is
gelegd. Zie
Laadstation monteren op pagina
29
.
Het product vindt het lussignaal van het laad-
station niet.
Plaats het product in het laadstation en ge-
nereer een nieuw lussignaal. Zie
Nieuw lus-
signaal op pagina 37
.
Storingen door metalen voorwerpen (hek-
werk, wapeningsstaal) of ondergrondse ka-
bels in de buurt.
Probeer de begrenzingsdraad te verplaatsen
en/of maak meer eilanden in het werkgebied
om de signaalsterkte te verhogen.
Het product bevindt zich te ver van de be-
grenzingsdraad.
Verleg de begrenzingsdraad zodat alle on-
derdelen van het werkgebied zich minimaal
35 m/115 ft. van de begrenzingsdraad bevin-
den.
Buiten werkgebied
De aansluitingen van de begrenzingsdraad
op het laadstation zijn gekruist.
Controleer of de begrenzingsdraad correct
is aangesloten. Zie
De begrenzingsdraad in-
stalleren op pagina 30
.
De begrenzingsdraad ligt te dicht bij de rand
van het werkgebied.
Controleer of de begrenzingsdraad is gelegd
volgens de instructies. Zie
De begrenzings-
draad installeren op pagina 30
.
De begrenzingsdraad, virtuele grens of vir-
tuele transportpaden zijn geïnstalleerd in een
gebied met een te steile helling.
De begrenzingsdraad is in de verkeerde rich-
ting om een eiland heen gelegd.
Storingen door metalen voorwerpen (hek-
werk, wapeningsstaal) of ondergrondse ka-
bels in de buurt.
Verplaats de begrenzingsdraad en/of maak
meer eilanden in het werkgebied om de sig-
naalsterkte te verhogen.
Het product kan moeilijk onderscheid maken
tussen het eigen signaal en het signaal van
een installatie van een ander product in de
buurt.
Plaats het product in het laadstation en ge-
nereer een nieuw lussignaal. Zie
Nieuw lus-
signaal op pagina 37
.
46 - Probleemoplossing 2071 - 004 -
background
Melding Oorzaak Actie
Ondersteboven
Het product helt te ver over of is onderstebo-
ven komen te liggen.
Draai het product in de juiste richting.
Maaier gekanteld
Het product wordt te hoog opgetild. Verplaats het product naar een vlak gebied.
Opgetild
De tilsensor is geactiveerd omdat het product
is opgetild.
Zorg ervoor dat de behuizing van het product
vrij rond het chassis kan bewegen. Verwijder
of creëer een eiland rondom voorwerpen die
er mogelijk de oorzaak van zijn dat de behui-
zing wordt opgetild. Indien het probleem zich
blijft voordoen, neem dan contact op met uw
erkend servicecentrum.
Vastgereden
Het product is in een kleine ruimte achter
een aantal obstakels blijven steken.
Controleer of er obstakels zijn die het voor
het product moeilijk maken om weg te rijden
van deze plek.
Geslipt
Het product slipt omdat er een obstakel is. Het obstakel verwijderen.
Het product slipt vanwege nat gras. Wacht tot het gazon droog is voordat u het
product opnieuw start.
Het product heeft een obstakel geraakt en is
gestopt of de wielen hebben geen grip op het
natte gras.
Maak het product los en neem de oorzaak
van het niet kunnen bewegen weg. Als nat
gras de oorzaak is, wacht dan tot het gazon
weer droog is voordat u het product opnieuw
gebruikt.
Het product slipt omdat de helling te steil is. Isoleer de steile helling met begrenzings-
draad. Zie
De begrenzingsdraad op een hel-
ling plaatsen op pagina 27
.
Het product slipt omdat de helling te steil is
wanneer het de geleidingsdraad volgt.
Zorg ervoor dat de geleidingsdraad diago-
naal over de helling is gelegd. Zie
De be-
grenzingsdraad op een helling plaatsen op
pagina 27
.
Botsing
De behuizing van het product kan niet vrij
bewegen rond het chassis.
Zorg ervoor dat de behuizing van het product
vrij rond het chassis kan bewegen. Contro-
leer of de behuizing van het product correct
geïnstalleerd is en niet geblokkeerd wordt
door vuil. Indien het probleem zich blijft voor-
doen, neem dan contact op met uw erkend
servicecentrum.
Alarm! Maaier ge-
stopt
Het alarm is gestart omdat het product is ge-
stopt.
Voer de pincode in om het alarm uit te scha-
kelen. De instellingen voor het alarm kunnen
worden gewijzigd in het menu
Veiligheid
. Zie
Tijdsduur alarm op pagina 37
.
Het alarm is gestart omdat het product is op-
getild.
Het alarm is gestart omdat het product is ge-
kanteld.
Alarm! Maaier is ver-
plaatst
Het alarm is gestart omdat het product is ver-
plaatst.
Alarm! Buiten de Ge-
oFence
Het alarm is gestart omdat het product buiten
de GeoFence was.
2071 - 004 - Probleemoplossing - 47
background
Melding Oorzaak Actie
Tijdelijk probleem
Tijdelijk probleem met de elektronica of firm-
ware van het product.
Werk de firmware bij via FOTA. Start het pro-
duct opnieuw op. Indien het probleem zich
blijft voordoen, neem dan contact op met uw
erkend servicecentrum.
Elektronisch pro-
bleem
Tijdelijk probleem met de elektronica of firm-
ware van het product.
Start het product opnieuw op.
Indien het probleem zich blijft voordoen,
neem dan contact op met uw erkende servi-
cedealer.
Probleem met lus-
sensor
Kantelsensorpro-
bleem
Onjuiste subappa-
raatcombinatie
Probleem met STOP-
knop
Connectiviteitspro-
bleem
Veiligheidsfunctie de-
fect
Ongeldige systeem-
configuratie
Tilsensorprobleem
Probleem met bots-
sensor
Probleem met radar
Tijdelijk accupro-
bleem
Accuprobleem
Tijdelijk probleem met de accu of firmware
van het product.
Start het product opnieuw op. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkende servicedealer.
Verkeerd type accu. Gebruik alleen originele accu's die door de
fabrikant worden aanbevolen.
48 - Probleemoplossing 2071 - 004 -
background
Melding Oorzaak Actie
Lege accu
Het product kan het laadstation niet vinden. Verander de positie van de geleidingsdraad.
Zie
De geleidingsdraad installeren op pagina
30
.
Controleer de installatie-instellingen voor het
vinden van het laadstation. Zie
Het laadstati-
on vinden op pagina 35
.
De accu is aan het einde van de levenscy-
clus.
Neem contact op met uw erkend servicecen-
trum om de accu te vervangen.
Het product kan niet in het laadstation wor-
den geplaatst omdat de antenne in de basis-
plaat van het laadstation beschadigd is.
Als het indicatielampje op het laadstation
rood knippert, is de antenne beschadigd.
Neem contact op met een erkend service-
centrum.
Het product bevindt zich in het laadstation,
maar de accu wordt niet opgeladen.
Controleer of de laadplaatjes op het product
en de contactplaatjes op het laadstation con-
tact maken. Reinig de contactplaatjes en
laadplaatjes.
Accu moet worden
vervangen
De accu is bijna leeg. Vervang de accu. Neem contact op met een
erkend servicecentrum.
Accu bijna aan het
einde van levensduur
De accu is bijna helemaal leeg. Vervang de accu. Neem contact op met een
erkend servicecentrum.
Temperatuurbeper-
king
Het product werkt niet als de temperatuur
van de accu te hoog of te laag is.
Het product begint weer te werken wanneer
de temperatuur tussen de ingestelde limiet-
waarden ligt en de schema-instellingen het
product laten werken. Zorg er voor dat het
laadstation in een tegen zonlicht beschermde
omgeving is geplaatst.
Laadstroom te hoog
De accu wordt met een te hoge laadstroom
opgeladen. De voedingseenheid is onjuist of
beschadigd.
Controleer of de voedingseenheid en het
laadstation niet beschadigd zijn. Zorg ervoor
dat u de correcte voedingseenheid en laad-
station gebruikt. Start het product opnieuw
op. Indien het probleem zich blijft voordoen,
neem dan contact op met uw erkend service-
centrum.
Probleem met laad-
systeem
Er is corrosie of vuil op de laadplaten en de
contactplaten.
Start het product opnieuw op. Maak de laad-
platen op het product en de contactplaten op
het laadstation goed schoon.
Tijdelijk probleem met de elektronica of firm-
ware van het product.
Start het product opnieuw op. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkende servicedealer.
Geen voeding in
laadstation
De voedingseenheid is onjuist of beschadigd. Controleer de voedingseenheid. Vervang in-
dien nodig.
Stroomstoring. Zoek de oorzaak van de stroomstoring en
verhelp het probleem.
Het product kan niet opladen omdat er geen
contact is tussen de contactplaten en de
laadplaten.
Controleer of de laadplaten en de contactpla-
ten contact maken. Reinig de contactplaatjes
en laadplaatjes.
2071 - 004 - Probleemoplossing - 49
background
Melding Oorzaak Actie
Laadstation geblok-
keerd
Het product kan niet in het laadstation wor-
den geplaatst omdat het is geblokkeerd of de
basisplaat van het laadstation is gekanteld of
gebogen.
Onderzoek waarom het product het laadsta-
tion niet kan binnenrijden. Verwijder voorwer-
pen en zorg ervoor dat de bodemplaat van
het laadstation waterpas is.
Het product kan niet in het laadstation wor-
den geplaatst omdat het is geblokkeerd of de
basisplaat van het laadstation is gekanteld of
gebogen.
Onderzoek waarom het product het laadsta-
tion niet kan binnenrijden. Verwijder voorwer-
pen en zorg ervoor dat de bodemplaat van
het laadstation waterpas is.
Vast in laadstation
Het product kan het laadstation niet verlaten
omdat het is geblokkeerd of op de basisplaat
van het laadstation slipt.
Onderzoek waarom het product niet uit het
laadstation kan rijden. Verwijder voorwerpen
en reinig de bodemplaat van het laadstation.
FlexiFence probleem
De accu van de FlexiFence-accessoire is bij-
na leeg. De FlexiFence-accessoire werkt niet
wanneer de accu leeg is. Het product kan
in de te vermijden zone maaien als u het
product start voordat u de FlexiFence-acces-
soire oplaadt.
Parkeer het product en laad de FlexiFence-
accessoire op voordat u het product start.
De temperatuur in de FlexiFence-accessoire
is hoger dan de maximumlimiet en staat op
OFF.
Plaats het product in een gebied met be-
scherming tegen de zon. Laat de tempe-
ratuur van de FlexiFence-accessoire dalen
voordat u het product start.
Probleem met de be-
grenzingsdraad
De begrenzingsdraad voor de functie
Onder-
steund door draad
is beschadigd of niet cor-
rect geïnstalleerd.
Controleer of de begrenzingsdraad correct
op het laadstation is aangesloten. Controleer
al de splitsen op de begrenzingsdraad. Con-
troleer of de begrenzingsdraad beschadigd is
en repareer deze indien nodig.
Probleem met acces-
soirevoeding
Er is een voedingsprobleem met de acces-
soirepoort.
Zet het product op OFF en koppel het ac-
cessoire los van de accessoirepoort en sluit
daarna weer aan. Het product inschakelen
met ON. Indien het probleem aanhoudt,
neem dan contact op met uw servicecen-
trum.
Onverwachte maai-
hoogte-inst.
De maaihoogte-instelling kan niet bewegen. Controleer de maaihoogte-instelling en ver-
wijder gras of ander materiaal. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan con-
tact op met uw erkende servicedealer.
Beperkt bereik maai-
hoogte
Probleem met maai-
hoogte
Onbalans maaisys-
teem
Het product heeft trillingen in de maaischijf
gedetecteerd.
Controleer of de messen en schroeven niet
beschadigd of versleten zijn. Zorg ervoor dat
alle bladen correct zijn aangebracht en dat
er slechts één blad op elke positie van de
maaischijf is bevestigd. Reinig de bladen en
de maaischijf.
50 - Probleemoplossing 2071 - 004 -
background
Melding Oorzaak Actie
Geleidingsdraad 1
niet gevonden
Geleidingsdraad 2
niet gevonden
Geleidingsdraad 3
niet gevonden
De voorheen geïnstalleerde geleidingsdraad
is niet gevonden.
Controleer of de geleidingsdraad niet correct
is aangesloten op het laadstation of de be-
grenzingsdraad. Controleer of er sprake is
van een breuk in de geleidingsdraad. Zie
Breuken in de lusdraad opsporen op pagina
55
.
Probleem met GPS-
navigatie
Probleem met de apparatuur voor GPS-on-
dersteunde navigatie.
Start het product opnieuw op. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkend servicecentrum.
Zwak GPS-signaal
Het GPS-signaal is in grote delen van het
werkgebied geblokkeerd.
Verwijder indien mogelijk voorwerpen die het
GPS-signaal kunnen blokkeren.
Schakel de GPS-navigatiefunctie uit en ge-
bruik de functie Tuindekking. Zie
GPS-onder-
steunde navigatie op pagina 35
.
Werkgebied ver-
knoeid
Het laadstation of het referentiestation is ver-
plaatst.
Voer een nieuwe installatie van de kaart uit.
Te veel waypoints
Er zijn te veel waypoints in het huidige werk-
gebied.
Voer een nieuwe installatie van het werkge-
bied, de te vermijden zone en de transport-
paden uit. Verdeel het huidige werkgebied in
meer werkgebieden.
Geen correctiegege-
vens beschikbaar
Technische problemen met EPOS
via de
Husqvarna
®
Cloud.
Start het product opnieuw op. Als het pro-
bleem zich blijft voordoen, moet bij deze
melding een erkende servicemonteur worden
geraadpleegd.
Het product heeft geen mobiele verbinding
en kan geen correctiegegevens ontvangen.
Zorg ervoor dat u mobiele dekking hebt in
alle delen van het gebied waar het product
wordt gebruikt.
Zoeken naar positie
Zwak satellietsignaal naar het referentiestati-
on.
Het satellietsignaal is tijdelijk zwak. Het pro-
duct begint te maaien wanneer de satelliet-
signalen goed zijn.
Onderzoek de installatie van het referentie-
station.
Zwak satellietsignaal naar het product. Het satellietsignaal is tijdelijk zwak. Het pro-
duct begint te maaien wanneer het satelliet-
signaal goed is.
Controleer of er een object zit tussen het pro-
duct en de lucht dat interferentie met het sa-
tellietsignaal kan veroorzaken. Verwijder het
object of voer een nieuwe installatie uit om
deze onderdelen niet op te nemen in het
werkgebied. Zie
Installatie van de kaartobjec-
ten op pagina 19
.
2071 - 004 - Probleemoplossing - 51
background
Melding Oorzaak Actie
Communicatiepro-
bleem referentiestati-
on
Het product is niet verbonden met het refe-
rentiestation.
Koppel het product en het referentiestation.
Het referentiestation is niet correct geïnstal-
leerd.
Onderzoek de installatie van het referentie-
station.
Het product ontvangt geen radiosignaal van
het referentiestation in alle gebieden waar
het product werkt.
Test of het product radiosignaal van het refe-
rentiestation in alle delen van het werkgebied
heeft. Als dit niet het geval is, voert u de in-
stallatie van het referentiestation of de instal-
latie van de kaart opnieuw uit. Zie
Installatie
van de kaartobjecten op pagina 19
.
Stroomstoring. Zoek en verhelp de oorzaak van de stroom-
storing van het referentiestation.
Er is een fout opgetreden in het referentie-
station en de led-indicator knippert rood.
Koppel de voeding naar het referentiestation
los en sluit deze opnieuw aan om het refe-
rentiestation opnieuw te starten. Indien het
probleem zich blijft voordoen, neem dan con-
tact op met uw erkende servicedealer.
Er is een interferentie met een ander referen-
tiestation of andere radiosystemen in het ge-
bied.
Start het product opnieuw op. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkende servicedealer.
Helling te steil
Het product is gestopt omdat de helling te
steil is.
Verleg de begrenzingsdraad om dit steile
deel van het werkgebied uit te sluiten.
EPOS-plug-in niet
gevonden
De EPOS-plug-in is eerder geïnstalleerd,
maar kan niet worden gevonden.
Zorg ervoor dat de EPOS-plug-in correct is
geïnstalleerd en dat de kabel is aangesloten.
Start het product opnieuw op. Indien het pro-
bleem zich blijft voordoen, neem dan contact
op met uw erkend servicecentrum.
Communicatiepro-
bleem laadstation
De maaier kan niet communiceren met het
laadstation.
Maak een nieuw lussignaal of installeer uw
laadstation opnieuw in de kaartweergave in
de app. Indien het probleem zich blijft voor-
doen, neem dan contact op met uw erkend
servicecentrum.
Stroomstoring Zoek de oorzaak van de stroomstoring en
verhelp het probleem.
Ongeldige firmware-
configuratie
De firmware in het product is niet bijgewerkt. Werk de firmware bij naar de nieuwste ver-
sie.
Kaartprobleem
Het kaartobjectbestand is onjuist. Controleer de kaart in de app. Pas de kaart
aan en sla deze op.
Verwijder de kaart en voer een nieuwe instal-
latie uit.
52 - Probleemoplossing 2071 - 004 -
background
Melding Oorzaak Actie
Bestemming niet be-
reikbaar
Het product kan de bestemming niet berei-
ken omdat er een te vermijden zone is die de
weg naar het werkgebied blokkeert.
Bewerk of verwijder de te vermijden zone of
maak een nieuwe installatie in het werkge-
bied aan.
Bij EPOS
installatie is er geen transportpad
naar het werkgebied.
Bewerk of verwijder de te vermijden zone of
maak een nieuwe installatie in het werkge-
bied aan.
Bij EPOS
installatie wordt de weg terug
naar het laadstation geblokkeerd door een
obstakel.
Het obstakel verwijderen.
Bij EPOS
installatie wordt de weg naar
het onderhoudspunt geblokkeerd door een
obstakel.
Bestemming geblok-
keerd
De weg naar de bestemming wordt geblok-
keerd door een obstakel.
Verwijder het obstakel dat de weg naar de
bestemming blokkeert.
De weg naar de bestemming wordt geblok-
keerd door een te vermijden zone.
Bewerk of verwijder de te vermijden zone of
maak een nieuwe installatie in het werkge-
bied aan.
Bij EPOS
installatie is er geen transportpad
naar het werkgebied.
Maak een transportpad naar het werkgebied.
8.2 Led-indicatielampje van het laadstation voor de installatie van
begrenzingsdraad
De led-indicator van het laadstation is groen wanneer de installatie correct is. Als de led-indicator van het laadstation
niet groen is, volgt u de onderstaande tabel voor probleemoplossing.
Neem contact op met een Husqvarna vertegenwoordiger bij u in de buurt of ga naar www.husqvarna.com voor meer
informatie.
Led-indicator
Oorzaak Actie
Constant groen De signalen van het laadstation zijn goed. U hoeft geen actie te ondernemen.
Knippert groen De signalen van het laadstation zijn goed en
de
ECO-modus
is ingeschakeld.
U hoeft geen actie te ondernemen.
Knippert blauw De begrenzingsdraad is niet aangesloten op
het laadstation.
Sluit de begrenzingsdraad aan op het laad-
station.
De begrenzingsdraad is beschadigd. Vervang het beschadigde gedeelte van de
begrenzingsdraad door een nieuwe begren-
zingsdraad.
Knippert rood Interferentie in de antenne van het laadstati-
on.
Neem contact op met uw plaatselijke Husq-
varna vertegenwoordiger.
Constant rood Storing in de printplaat of onjuiste voeding in
het laadstation.
De storing moet worden verholpen door
een erkende servicemonteur. Neem contact
op met uw plaatselijke Husqvarna vertegen-
woordiger.
2071 - 004 - Probleemoplossing - 53
background
8.3 Symptomen
Als het product niet normaal werkt, raadpleegt u de onderstaande symptomentabel. Neem contact op met
klantenservice van Husqvarna als u de oorzaak van de storing niet kunt vinden.
Symptomen Oorzaak Actie
Het product heeft
moeite met koppelen.
De geleidingsdraad is niet in een rechte lijn
naar en op de juiste afstand tot het laadstati-
on geplaatst.
Controleer de installatie van het laadstation.
Zie
Laadstation monteren op pagina 29
De geleidingsdraad is niet in de sleuf in de
plaat van het laadstation geplaatst.
Zorg ervoor dat de geleidingsdraad in een
rechte lijn en in de sleuf in de plaat van het
laadstation is geplaatst. Zie
De geleidings-
draad installeren op pagina 30
.
Het laadstation is niet op een vlakke onder-
grond geplaatst.
Plaats het laadstation op een vlakke onder-
grond. Zie
Onderzoeken waar het laadstation
moet worden geplaatst op pagina 24
.
Het product werkt op
het verkeerde tijdstip
De tijd of datum van het product is onjuist. Stel de tijd of datum in. Zie
Tijd & datum op
pagina 37
.
De start- en stoptijden voor het maaien zijn
onjuist.
Wijzig de
schema
-instellingen. Zie
Schema
op pagina 33
.
Het product trilt. Het maaisysteem is niet in balans vanwege
beschadigde messen.
Controleer de messen en schroeven en ver-
vang ze indien nodig. Zie
De bladen vervan-
gen op pagina 44
.
Het maaisysteem is niet in balans vanwege
te veel messen in dezelfde positie.
Controleer of er bij elke schroef slechts één
mes is gemonteerd.
Er zijn messen met verschillende dikte op het
product gemonteerd.
Controleer of de messen een verschillende
dikte hebben en vervang ze indien nodig.
Het product werkt,
maar de maaischijf
draait niet.
Het product zoekt naar het laadstation of rijdt
naar het beginpunt.
Normale werking van het product. De maai-
schijf draait niet als het product het laadstati-
on zoekt.
Het product werkt
minder lang dan ge-
woonlijk tussen laad-
cycli.
De maaischijf is geblokkeerd door gras of an-
der materiaal.
Verwijder en reinig de maaischijf. Zie
De be-
huizing, het chassis en de maaischijf reinigen
op pagina 42
.
De accu is aan het einde van de levenscy-
clus.
Vervang de accu. Zie
Accu op pagina 43
.
Botte messen. Er is meer energie nodig bij
het maaien van het gras.
Vervang de messen. Zie
De bladen vervan-
gen op pagina 44
.
De maaitijd en de
laadtijd zijn korter
dan normaal.
De accu is aan het einde van de levenscy-
clus.
Vervang de accu. Zie
Accu op pagina 43
.
54 - Probleemoplossing 2071 - 004 -
background
Symptomen Oorzaak Actie
Het product staat
urenlang geparkeerd
in het laadstation.
Het product heeft gemaaid gedurende de
maximale maaitijd per dag.
Geen actie. Zie
Schema op pagina 33
.
De klep is gesloten, maar de knop START is
niet ingedrukt.
Druk op de knop STOP om de klep te ope-
nen. Voer de pincode in en bevestig met de
knop OK. Druk op de knop START en sluit
de klep.
De parkeermodus is ingeschakeld. Wijzig de bedieningsmodus. Zie
Bedienings-
modi - Start op pagina 39
.
Het product werkt niet als de temperatuur
van de accu te hoog of te laag is.
Zorg er voor dat het laadstation in een tegen
zonlicht beschermde omgeving is geplaatst.
Ongelijkmatige maai-
resultaten.
Het product werkt gedurende een gering
aantal uren per dag.
Verleng de maaitijd. Zie
Schema op pagina
33
.
Door de vorm van het werkgebied moeten de
instellingen voor
Tuindekking
worden aange-
past om alle delen van het werkgebied te
dekken.
Wijzig de instellingen van de gebieden waar
het product begint te maaien en hoe vaak er
moet worden gemaaid. Zie
GPS-ondersteun-
de navigatie op pagina 35
.
Het werkgebied is te groot. Verklein de grootte van het werkgebied of
breid het schema uit. Zie
Schema op pagina
33
.
Botte messen. Vervang alle messen. Zie
De bladen vervan-
gen op pagina 44
.
Lang gras ten opzichte van de ingestelde
maaihoogte.
Verhoog de maaihoogte en verlaag deze ver-
volgens wanneer het gras korter is.
Grasophoping bij de maaischijf of rond de
motoras.
Verwijder het opgehoopte gras en maak het
product schoon. Zie
De behuizing, het chas-
sis en de maaischijf reinigen op pagina 42
.
De accu is leeg
en u plaatst het pro-
duct in het laadstati-
on, maar deze wordt
niet opgeladen en
kan niet worden inge-
schakeld.
Als de accu volledig ontladen is, duurt het
lang om de accu op te laden en voordat het
product kan worden ingeschakeld.
Laat het product 24 uur in het laadstation
staan en test of het product kan worden inge-
schakeld. Indien het probleem zich blijft voor-
doen, neem dan contact op met uw erkende
servicemonteur.
8.4 Breuken in de lusdraad opsporen
Breuken in de lusdraad zijn meestal te wijten aan
onbedoelde fysieke beschadigingen aan de draad,
bijvoorbeeld bij het gebruik van een schop bij het
tuinieren. In landen met nachtvorst kan de draad
ook beschadigd raken door scherpe stenen die in de
grond bewegen. Breuken in de draad kunnen ook
worden veroorzaakt door overmatig strekken tijdens het
installeren.
De kabelisolatie kan worden beschadigd wanneer het
gras meteen na de installatie te kort wordt gemaaid.
Beschadigingen aan de isolatie zorgen soms pas weken
of maanden later voor problemen.
OPGELET: Selecteer de eerste weken
na het installeren altijd de maximale
maaihoogte en verlaag deze vervolgens
elke tweede week een stap totdat de
gewenste maaihoogte is bereikt.
Een foutieve las in de lusdraad kan soms weken nadat
de las werd gemaakt voor problemen zorgen. Een
foutieve las kan onder meer worden veroorzaakt doordat
de koppeling niet stevig genoeg werd samengedrukt
met behulp van een tang of doordat een koppeling van
een mindere kwaliteit dan de originele koppeling werd
gebruikt.
2071 - 004 - Probleemoplossing - 55
background
Let op: Controleer eerst alle bij u bekende lassen
voordat u verdergaat met de foutopsporing.
Een draadbreuk kan worden opgespoord door de
afstand van de lus waar de breuk kan zijn opgetreden
steeds te halveren, totdat er nog maar een kort stuk
draad over is.
De volgende methode werkt niet wanneer de
ECO-
modus
actief is. Zorg dat de
ECO-modus
eerst wordt
uitgeschakeld. Zie
ECO-modus op pagina 35
.
1. Controleer of het indicatielampje in het
laadstation blauw knippert, wat een breuk in de
begrenzingslus aangeeft. Zie
Led-indicatielampje
van het laadstation voor de installatie van
begrenzingsdraad op pagina 53
.
2. Controleer of de aansluitingen van de
begrenzingsdraad naar het laadstation correct zijn
aangesloten en niet zijn beschadigd. Controleer of
het indicatielampje in het laadstation nog steeds
blauw knippert.
3. Verwissel de aansluitingen van de geleidingsdraad
en de begrenzingsdraad in het laadstation.
Begin door aansluiting AL en G1 te
verwisselen. Sommige modellen hebben extra
geleidingsdraden . Voor deze modellen kan
dezelfde procedure worden gevolgd.
Als het indicatielampje constant groen brandt,
bevindt de breuk zich ergens in de
begrenzingsdraad tussen AL en het punt
waar de geleidingsdraad is aangesloten op
de begrenzingsdraad (dikke zwarte lijn op de
afbeelding).
Guide
AL
G1
Om de storing te verhelpen hebt u
begrenzingsdraad, connectoren en koppelingen
nodig:
a) Als de vermoedelijk defecte begrenzingsdraad
kort is, dan kunt u het gemakkelijkst de hele
begrenzingsdraad vervangen tussen AL en het
punt waar de geleidingsdraad is aangesloten op de
begrenzingsdraad (dikke zwarte lijn).
b) Als de vermoedelijk defecte begrenzingsdraad
lang is (dikke zwarte lijn), ga dan als volgt te
werk: Zet AL en G1 terug in hun oorspronkelijke
posities. Koppel daarna AR los. Sluit een nieuwe
lusdraad aan op AR. Sluit het andere uiteinde van
de nieuwe lusdraad aan op een punt in het midden
van het vermoedelijk defecte deel van de draad.
56
- Probleemoplossing 2071 - 004 -
background
AR
Als het indicatielampje nu groen is, bevindt
de breuk zich ergens in de draad tussen
het losgekoppelde uiteinde en het punt waar
de nieuwe draad is aangesloten (dikke zwarte
lijn hieronder). Verplaats de aansluiting voor
de nieuwe draad in dat geval dichter bij het
losgekoppelde uiteinde (grofweg in het midden van
het verdachte draaddeel) en controleer opnieuw of
het indicatielampje groen is.
Ga zo verder totdat er nog een heel kort stuk
draad over is, wat het verschil betekent tussen een
constant groen licht en een knipperend blauw licht.
Volg vervolgens de instructies in stap 5 hieronder.
4. Als het indicatielampje in stap 3 hierboven blauw
blijft knipperen:Zet AL en G1 terug in hun
oorspronkelijke posities. Verwissel vervolgens AR
en G1. Als het indicatielampje nu continu groen
brandt koppel dan AL los en sluit een nieuwe
begrenzingsdraad aan op AL. Sluit het andere
uiteinde van de nieuwe draad aan op een punt in
het midden van het vermoedelijk defecte deel van
de draad. Volg dezelfde procedure als bij 3a) en 3
b) hierboven.
5. Wanneer de breuk is gevonden, moet het
beschadigde deel worden vervangen door een
nieuw stuk draad. Gebruik altijd originele
koppelingen.
2071 - 004 - Probleemoplossing - 57
background
9 Vervoer, opslag en verwerking
9.1 Transport
De meegeleverde Li-ion-accu's voldoen aan de
wettelijke vereisten voor gevaarlijke goederen.
Neem alle van toepassing zijnde nationale
voorschriften in acht.
Neem de bijzondere voorschriften op de
verpakking en labels voor commercieel transport
in acht. Dit geldt ook voor derden en expediteurs.
Voor het verwijderen van de accu, raadpleegt
u de volledige bedieningshandleiding op
www.husqvarna.com.
9.2 De machine in opslag zetten
OPGELET: Laad de accu volledig op
voordat het product wordt opgeslagen. Als
de accu niet volledig is opgeladen, kan dit
schade aan de accu veroorzaken.
Laad het product volledig op. Zie
De accu opladen
op pagina 40
.
Zet het product op OFF. Zie
Het product
uitschakelen op pagina 40
.
Reinig het product. Zie
Product reinigen op pagina
42
.
Zet het product in een droge en vorstvrije ruimte.
Wij raden u aan het product in de verpakking
van het product te plaatsen of het product met
alle wielen op een vlakke ondergrond te plaatsen.
U kunt het product ook aan een wandsteun
van Husqvarna ophangen. Neem contact op
met uw Husqvarna vertegenwoordiger voor meer
informatie over beschikbare wandsteunen.
9.3 Het laadstation opbergen
U kunt de bovenkant van het laadstation verwijderen en
opbergen. Het is niet nodig om de bodemplaat van het
laadstation op te bergen.
1. Kantel de bovenkant van het laadstation, til hem
op en open de klep.
2. Ontkoppel de voedingseenheid van het laadstation
en van het stopcontact.
3. Koppel de kabel los.
4. Verwijder de doorvoertule met de kabels.
5. Trek de bovenkant van het laadstation omhoog en
verwijder deze.
6. Sluit het afsluitdeksel.
7. Sluit de klep.
8. Plaats de voedingseenheid en de bovenkant van
het laadstation in een droge, vorstvrije ruimte.
9.4 Het laadstation na opslag
installeren
1. Open de klep.
2. Druk het afsluitdeksel in.
3. Bevestig de bovenkant van het laadstation.
58
- Vervoer, opslag en verwerking 2071 - 004 -
background
4. Kantel de bovenkant van het laadstation en til hem
op.
5. Breng de doorvoertule met de kabels aan.
6. Sluit de kabel op het laadstation aan.
7. Sluit de voedingseenheid aan op het stopcontact
en op het laadstation.
8. Sluit de klep.
9.5 Afvoeren
Neem de plaatselijk geldende wet- en regelgeving
voor recycling in acht.
Raadpleeg
De accu verwijderen op pagina 59
voor vragen over het verwijderen van de accu.
9.5.1 De accu verwijderen
1. Zet het product op OFF.
2. Plaats het product op de zijkant.
3. Verwijder de 6 schroeven voor het accudeksel.
4. Druk op de 2 clips en verwijder de accu.
5. Koppel de accukabel los.
2071 - 004 -
Vervoer, opslag en verwerking - 59
background
10 Technische gegevens
10.1 Technische gegevens
Afmetingen Automower
®
320
NERA
Automower
®
430X
NERA
Automower
®
450X
NERA
Lengte, cm/inch 75/29,6 75/29,6 75/29,6
Breedte, cm/inch 54/21,4 54/21,4 54/21,4
Hoogte, cm/inch 28/11,1 28/11,1 28/11,1
Gewicht, kg/lb 12,8/28 14,6/32 14,5/32
Elektrisch systeem Automower
®
320
NERA
Automower
®
430X
NERA
Automower
®
450X
NERA
Accu, lithium-ion 18. V/4,9 Ah art.nr. 590 81 01-02 590 81 01-02
Accu, lithium-ion 18,0 V/5,0 Ah art.nr. 536 81 24-01, 590
81 01-01, 590 81
01-03
536 81 24-01, 590
81 01-01, 590 81
01-03
Accu, lithium-ion 18,5 V/5,0 Ah art.nr. 536 81 24-02 536 81 24-02
Accu, lithium-ion 18,0 V/5,2 Ah art.nr. 590 81 01-04 590 81 01-04
Accu, lithium-ion 18,0 V/7,5 Ah art.nr. 599 78 86-01
Accu, lithium-ion 18,0 V/8,4 Ah art.nr. 599 78 86-03
Accu, lithium-ion 18,5 V/7,5 Ah art.nr. 599 78 86-04
Voeding (28 V DC), V AC 100-240 100-240 100-240
Lengte laagspanningskabel, m/ft 10/32,8 10/32,8 10/32,8
Gemiddeld energieverbruik bij maximaal ge-
bruik
11 kWh/maand voor
een werkgebied van
2200m
2
/0,55 acre
13 kWh/maand voor
een werkgebied van
3200m
2
/0,8 acre
18 kWh/maand voor
een werkgebied van
5000m
2
/1,25 acre
Laadstroom, A DC 2,2 4,2 7,0
Type voedingseenheid
11
FW7438/28/D/XX/Y FW7448/28/D/XX/Y,
ADP-120FR XX X;
DT
FW7458/28/D/XX/Y,
ADP-200MR XX X;
DT
Gemiddelde maaitijd, min 135 100 145
Gemiddelde laadtijd, min 75 40 40
11
XX, YY kunnen willekeurige alfanumerieke tekens zijn of leeg zijn voor marketingdoeleinden, geen technische
verschillen. De 'XX' geeft de landversie aan, zoals JP, en de 'Y' geeft de productrevisie aan, zoals V.
60 - Technische gegevens 2071 - 004 -
background
Antenne begrenzingsdraad Automower
®
320
NERA
Automower
®
430X
NERA
Automower
®
450X
NERA
Bedrijfsfrequentieband, Hz 100-80.000 100-80.000 100-80.000
Maximaal magnetisch veld, dBuA/m
12
82 82 82
Max. radiofrequentievermogen, mWop 60 m
13
<25 <25 <25
Geluidsgegevens
14
Automower
®
320
NERA
Automower
®
430X
NERA
Automower
®
450X
NERA
Geluidsniveau (waargenomen), dB (A) 58 56 58
Gemeten geluidsvermogensniveau, dB (A) 58 55 58
Onzekerheidsmarge geluidsemissies KWA dB
(A)
3 1 1
Geluidsdrukniveau bij het oor van de gebrui-
ker, dB (A)
15
50 47 50
Maaien Automower
®
320
NERA
Automower
®
430X
NERA
Automower
®
450X
NERA
Maaisysteem 3 scharnierende
messen
3 scharnierende
messen
3 scharnierende
messen
Toerental maaimotor, tpm 2300 2300 2500
Energieverbruik tijdens maaien, W+/- 20% 15 19 26
Maaihoogte, cm/inch 2-6/0,8-2,4 2-6/0,8-2,4 2-6/0,8-2,4
Maaibreedte, cm/inch 24/9,4 24/9,4 24/9,4
Aantal geleidingdraden 2 3 3
Smalst mogelijke doorgang, cm/inch 60/24 60/24 60/24
Maximale helling voor werkgebied, % 50 50 50
Maximale helling voor begrenzingsdraad, % 25 25 25
Maximale lengte begrenzingsdraad, m/ft 800/2600 800/2600 800/2600
Maximale lengte geleidingslus, m/ft
16
400/1300 400/1300 400/1300
Maximale afstand tot begrenzingsdraad, m/ft 35/115 35/115 35/115
Oppervlaktecapaciteit - onregelmatig, m
2
/acre 2200/0,55 3200/0,8 5000/1,25
Oppervlaktecapaciteit - systematisch met
EPOS
, m
2
/acre
3300/0,8 4800/1,2 7500/1,9
12
Gemeten conform EN 303 447.
13
Maximaal actief uitgangsvermogen naar antennes in de frequentieband waarop de radioapparatuur is inge-
steld.
14
Bepaald overeenkomstig richtlijn 2006/42/EG en norm EN 50636-2-107. Behalve Geluidsniveau (waargeno-
men), dit wordt gemeten volgens ISO 11094:1991.
15
Onzekerheidsmarge geluidsdrukniveau K
pA
, 2-4dB (A)
16
De geleidingslus is de lus die wordt gevormd door de geleidingsdraad en het gedeelte van de begrenzings-
draad vanaf de aansluiting met de geleidingsdraad naar de rechter aansluiting op het laadstation.
2071 - 004 - Technische gegevens - 61
background
IP-code Automower
®
320
NERA
Automower
®
430X
NERA
Automower
®
450X
NERA
Robotmaaier IPX5 IPX5 IPX5
Laadstation IPX5 IPX5 IPX5
Voeding IP44 IP44 IP44
Ondersteuning frequentiebanden
17
Automower
®
Connect 2G GSM 850 MHz, E-GSM 900 MHz, DCS 1800 MHz, PCS 1900 MHz
Automower
®
Connect 4G (voor alle markten
behalve Taiwan en Zuid-Amerika)
Band 1 (2100 MHz), Band 2 (1900 MHz) Band 3 (1800 MHz), Band
4 (1700 MHz), Band 5 (850 MHz), Band 8 (900 MHz), Band 12
(700 MHz), Band 13 (700 MHz), Band 18 (850 MHz), Band 19 (850
MHz), Band 20 (800 MHz), Band 25 (1900 MHz), Band 26 (850
MHz), Band 27 (850MHz), Band 28 (700 MHz), Band 66 (1700
MHz), Band 71 (600 mHz), Band 85 (700 MHz)
Automower
®
Connect 4G (alleen Taiwan en
Zuid-Amerika)
Band 1 (2100 MHz), Band 2 (1900 MHz), Band 3 (1800 MHz), Band
4 (1700 MHz), Band 5 (850 MHz), Band 8 (900 MHz), Band 12
(700 MHz), Band 13 (700 MHz), Band 17 (700 MHz), Band 19 (850
MHz), Band 20 (800 MHz), Band 25 (1900 MHz), Band 26 (850
MHz), Band 28 (700 MHz), Band 39 (1900 MHz)
SRD868 (Europa) 863-870 MHz
SRD915 (Australië) 915-928 MHz
SRD915 (Nieuw-Zeeland) 915-928 MHz
Vermogensklasse
Bluetooth
®
-uitgangsvermogen 9 dBm
Automower
®
Connect 2G Vermogensklasse 4 (GSM/E-GSM) 33 dBm
Vermogensklasse 1 (DCS/PCS) 30 dBm
Vermogensklasse E2 (GSM/E-GSM) 27 dBm
Vermogensklasse E2 (DCS/PCS) 26 dBm
Automower
®
Connect 4G Vermogensklasse 3 23 dBm
SRD868 (Europa) 13 dBm
SRD915 (Australië) 13 dBm
SRD915 (Nieuw-Zeeland) 13 dBm
17
Als gevolg van regionale gespecificeerde mobiele systemen wordt een mobiele verbinding niet in alle landen
ondersteund. De inbegrepen service is alleen geldig als er een externe leverancier van 2G/4G beschikbaar is
in het toepassingsgebied.
62 - Technische gegevens 2071 - 004 -
background
Wi-Fi Automower
®
320/430X/450X NERA
Ondersteuning frequentiebanden
18
Kanaal 1-11 (2412-2462 MHz)
Kanaal 12-13 (2467-2484 MHz)
Kanaal 14
Bedrijfsfrequentieband, MHz 2402-2480
Maximaal uitgezonden vermogen, dBm 20
Productgegevens voor de EPOS
Plug-in-module
Ingangsspanning, V DC 18
Stroomverbruik, W 1,8
IP-code IPX5
Husqvarna AB staat niet garant voor volledige compatibiliteit tussen het product en andere typen draadloze systemen,
zoals afstandsbedieningen, radiozenders, ringleidingen, ondergrondse elektrische afrasteringen of dergelijke.
10.1.1 Geregistreerde handelsmerken
Het
Bluetooth
®
-woordmerk en de logo's zijn geregistreerde handelsmerken die eigendom zijn van
Bluetooth SIG, inc.
en het gebruik van deze merken door Husqvarna vindt plaats onder licentie.
Het Wi-Fi CERTIFIED
-logo is een geregistreerd handelsmerk van Wi-Fi Alliance
®
. Dit product is Wi-Fi Alliance
®
gecertificeerd.
18
Kanaal 12-14 wordt alleen gebruikt in landen waar het beschikbaar is.
2071 - 004 - Technische gegevens - 63
background
www.husqvarna.com
AUTOMOWER
®
is een handelsmerk van Husqvarna AB.
Copyright
©
2025 HUSQVARNA. All rights reserved.
Originele instructies
1144029-36
2025-02-26

Specifications

Husqvarna AUTOMOWER 450X NERA MET DRAADLOZE TECHNOLOGIE Questions and Answers